Jesaja 57:13-16
Hier:
I. Toont God aan hoe ongenoegzaam afgoden en schepselen zijn om te helpen en te redden hen, die hen vereren en vertrouwen in hen stellen, vers 13. Wanneer gij roepen zull, in droefheid en angst, uw ellende bejammert en om hulp roept, laat dan degenen die van u vergaderd zijn u helpen, uw ijdele goden waarvan gij u troepen vergaderd hebt, en al de verzamelde machten, waarop gij u zo verlaten hebt, laat die u nu verlossen, indien zij kunnen, verwacht nu ook geen andere redding dan die zij u geven kunnen. Zo sprak God tot Israël wanneer zij in hun benauwdheid tot Hem riepen, Richteren 10:14. "Gaat heen tot de goden, die gij u verkoren hebt, laat die u nu verlossen." Maar tevergeefs wordt daar redding van verwacht, de wind zal hen allen wegvoeren, de wind van Gods toorn, de adem van Zijn mond, die de goddelozen zal verdelgen. Zij hebben zichzelf tot kaf gemaakt en daarom zal de wind hen wegvoeren. IJdelheid zijn zij en dus zal de ijdelheid hen wegnemen, zij zullen tot ijdelheid verlaagd worden en ijdelheid zal hun beloning zijn. Beiden, de afgoden en hun vereerders, zullen tot niet worden.
II. Hij toont aan dat er genoegzaamheid, ja algenoegzaamheid in Hem was, voor de vertroosting en verlossing van allen, die hun vertrouwen op Hem stellen en Hem aanroepen. En hun veiligheid en hun voldoening zullen zoveel troostrijker zijn omdat hun verwachting vervuld worde, terwijl zij die andere helpers zochten hun hoop beschaamd zien. Maar hij, die op Mij vertrouwt en op Mij alleen, zal gelukkig zijn, beide naar ziel en naar lichaam, voor tijd en eeuwigheid.
1. Zij die op Gods voorzienigheid vertrouwen hebben de beste toevlucht genomen voor hun bijzondere belangen, en zullen het aardrijk beërven, voorzover zulks goed is voor hen, en hetgeen zij hebben, zullen zij bezitten uit een goede hand en op wettige wijze, Psalm. 37:3. "Gij zult de aarde bewonen en u voeden met getrouwheid."
2. Zij die op Gods genade vertrouwen hebben de beste toevlucht voor hun eeuwige belangen, zij zullen mijn heilige berg beërven. Zij zullen op aarde de zegeningen van de kerk genieten, en ten slotte overgebracht worden in de blijdschap des hemels, en geen wind zal hen wegvoeren. Meer bijzonder:
A. De gevangenen, die op God vertrouwen, zullen ontslagen worden, vers 14. Men zal zeggen, dat is de boodschapper van Zijn woord en de dienaren van Zijn voorzienigheid zullen bij die grote gebeurtenis zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt de weg! Wanneer Gods tijd voor hun verlossing gekomen is, zal de weg voor de uittocht effen en gemakkelijk gemaakt worden, hinderpalen zullen uit de weg geruimd, en moeilijkheden die tot nu toe onoverkomelijk schenen, zullen overwonnen worden, en alle dingen zullen samenwerken om de uittocht gemakkelijk te maken, Zie Hoofdstuk 40:3, 4. Dit ziet ook op de voorziening door het Evangelie en zijn genade om onze doortocht door deze wereld naar de toekomende voorspoedig te doen zijn. De weg van de godsdienst is nu bereid, het is een heirweg. Het werk van Gods dienaren is de mensen er op te leiden en hen te helpen door de bezwaren heen, die zij zullen ontmoeten, opdat niets hen zal tegenhouden.
B. De nederigen, die op God vertrouwen, zullen levend gemaakt worden, vers 15. Zij die voor hulp op afgoden en schepselen steunen gaan daarheen met olie en welriekende zalven vers 9. Maar God toont hier dat zij, die op Zijn hulp rekenen mogen, `t zullen zijn die beroofd zijn van de vreugde van de wereld en de zinnelijke blijdschap, en zich daarvan op een afstand houden Gods heerlijkheid verschijnt hier schitterend:
1. In haar grootheid en majesteit. Hij is de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont. Dit moet ons zeer hoge en eerbiedige gedachten geven, van de God, met Wien wij te doen hebben.
a. Zijn wezen en Zijn eigenschappen zijn oneindig hoog verheven boven die van alle schepselen, niet alleen boven hetgeen zij zelf hebben, maar ook boven hetgeen zij Hem kunnen toebrengen, ver "boven allen lof en prijs," Nehemia 9:5. Hij is de Hoge en Verhevene, en er is geen schepsel Hem gelijk, of dat met Hem kan vergeleken worden. Het getuigt van Zijn onbeperkte heerschappij over allen, en het onweersprekelijk recht dat Hij heeft om allen de wet te stellen en allen te oordelen, Hij is hoger dan de hogen, Prediker 5:8, dan de hoogste hemelen, Psalm. 113:4.
b. Hij heeft geen begin van de dagen of einde des levens, of verandering door tijd, Hij is beide onsterflijk en onveranderlijk Hij alleen heeft de onsterflijkheid 1 Timotheus 6:i6. Hij heeft haar in Zichzelf, en zonder ophouden, Hij bewoont haar en kan er niet van beroofd worden. Wij moeten binnenkort naar de eeuwigheid verhuizen, maar God bewoont haar.
c. Hij is onveranderlijk Zichzelf gelijk, er is vaste bedoeling voor Zijn verheerlijking in al wat Hij doet, en dit treedt aan het licht in alles waardoor Hij zichzelf heeft bekend gemaakt, want Zijn naam is heilig en allen die begeren met Hem in gemeenschap te komen, moeten Hem kennen als de heilige God.
d. Dat de eigenlijke woning en onthulling van Zijn heerlijkheid is hierboven in de gezegende gewesten van het licht. Ik woon in het hoge en in het heilige, en wil dat de gehele wereld dit weten zal. Zij, die in enige betrekking tot God staan, moeten zich tot Hem wenden als tot onze Vader, die in de hemelen is, want daar woont Hij. Deze grote dingen worden hier van God gezegd, om ons met heilige eerbied voor Hem te vervullen, en ons aan te moedigen om op Hem ons vertrouwen te stellen, en om Zijn medelijden en nederbuiging tot ons te vermelden, dat, of schoon Hij zo hoog is, Hij zich bemoeit met ons die zo laag staan. Hij die door de hemelen rijdt op Zijn naam Jahweh, buigt Zich neer tot de weduwen en de wezen, Psalm 68:4, 5.
2. In Zijn genade en barmhartigheid, Hij heeft teer medegevoel voor de verbrijzelden en nederigen, want dezen, die daardoor in de rechten toestand verkeren, indien zij de Zijnen zijn, zal Hij niet over het hoofd zien, ofschoon zij arm en gering zijn in de wereld, en door de mensen veracht en vertreden worden. Het ziet echter op hun geestesgesteldheid. Hij zal tere oplettendheid hebben voor hen, die in vernedering zijnde, hun gemoed daarnaar voegen en zich gewennen aan hun droefenissen, al zijn zij daardoor nog zo vernederd en verbrijzeld. Zij die waarlijk berouw hebben over hun zonden en die in stilte betreuren, en vrees gevoelen voor de toorn Gods, waaraan zij zichzelf hebben blootgesteld, zijn onderdanig onder Zijn kastijdingen.
a. Bij deze wil God wonen Hij wil hen genadiglijk bezoeken, gemeenzaam met hen omgaan door Zijn woord en Geest, gelijk een man doet met de leden van zijn gezin. Hij zal altijd dicht bij hen zijn, hun Zijn tegenwoordigheid doen genieten. Hij die in de hemel woont, woont ook in de nederigste harten, Hij woont er in hun oprechtheid voor eeuwig en verlustigt Zich in hen. b. Hij zal hun hart en geest levend maken, zal door Zijn woord en Geest in genade tot hen spreken en in hen bewerken hetgeen hen levend maakt. Hij zal hun blijdschap en hoop verlevendigen, voldoende om op te wegen tegen al het leed en de angst die hen verbrijzeld hebben. Hij woont bij hen en zijn tegenwoordigheid is levenwekkend.
III. Ook zij, met wie Hij twist, zullen, indien zij op Hem vertrouwen, in gunst aangezien en aangenomen worden, vers 16. Hij zal het hart van de tegenstrevers levend maken, want Hij zal niet in eeuwigheid twisten. Niets verbrijzelt een ziel zo als God twist met haar, en daarom kan niets haar helen als het ophouden van die twist. Hier is
1. Een genadige belofte. Er wordt niet beloofd dat God nooit toornig op Zijn volk zijn zal, want hun zonden mishagen Hem, ook niet dat Hij nooit met hen zal twisten, want zij moeten de roede verwachten, maar Hij zal niet in eeuwigheid twisten of altijd toornig zijn. Gelijk Hij niet spoedig toornt, zo toornt Hij nooit lang en zal niet altijd kastijden. Ofschoon Hij met hen twist door hen van zonden te overtuigen, zal Hij niet altijd twisten, maar in plaats van de geest van de dienstbaarheid zullen zij de Geest van de aanneming ontvangen. Hij heeft gewond, maar Hij zal helen. Ofschoon Hij met hen twist door de slagen van Zijn voorzienigheid, zal de kastijding niet altijd duren, niet lang duren, niet langer dan nodig is, 1 Petrus 1:6, niet langer dan zij het kunnen verdragen en niet langer dan totdat zij haar werk gedaan heeft. Ofschoon hun gehele leven zeer stormachtig geweest is, zal hun einde vrede zijn, en zo zal ook hun eeuwigheid zijn.
2. Een zeer tere overweging waarop deze belofte gegrond is. Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn, want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen die Ik gemaakt heb.
a. God is de Vader van de geesten, Hebreeën 12:9, Hij heeft de ziel gemaakt, Hij gaf haar het aanzijn bij de schepping, en een nieuw aanzijn bij de wedergeboorte.
b. Ofschoon de Heere is voor het lichaam, bemoeit Hij zich voornamelijk met de zielen van Zijn volk, opdat de geest niet voor Zijn aangezicht overstelpt worde.
c. Wanneer de beproevingen lang duren, is ook de geest van de godvrezenden geneigd te bezwijken, zij worden verzocht om harde gedachten van God te koesteren, en te denken dat het tevergeefs is Hem te dienen, zij zijn geneigd om de vertroosting af te wijzen, aan de verlossing te wanhopen, en dan wordt de geest overstelpt.
d. Dat in aanmerking nemende zal God niet altijd twisten, want Hij zal het werk van Zijn handen niet verlaten, en niet vernietigen hetgeen Zijn Zoon met Zijn bloed gekocht heeft. De reden daarvoor wordt niet genomen uit onze verdiensten maar uit onze zwakheid en onvolmaaktheid, want Hij is gedachtig dat wij vlees zijn, Psalm 78:39, en het vlees is zwak.