Psalm 68:1-7
In deze verzen:
I. Bidt David, dat God zal verschijnen in Zijn heerlijkheid, vers 2, 3.
1. Ter beschaming van Zijn vijanden, vers 2,3. "Laat God opstaan als een rechter om vonnis over hen te vellen, als een krijgsoverste om te velde tegen hen te trekken en hen te verslaan, en laat hen verstrooid worden en voor Hem vlieden, niet in staat om het veld tegen Hem te behouden, en nog veel minder om Hem het hoofd te bieden. Laat God opstaan, zoals de zon als zij uitgaat in haar kracht, en de kinderen van de duisternis zullen verstrooid worden, zoals de schaduwen van de avond wegvlieden voor de opgaande zon. Laat hen weggedreven worden als rook door de wind, die opgaat alsof hij de zon zou willen verduisteren, maar terstond uit elkaar gedreven wordt zodat er niets van overblijft. Laat hen smelten als was voor het vuur, dat spoedig opgelost wordt." Aldus geeft David een nadere verklaring van het gebed van Mozes, heeft hij het niet slechts herhaald met toepassing op zichzelf en zijn tijd, maar er over uitgeweid, om ons te leren hoe van de gebeden van de Schrift gebruik te maken. Ja het ziet nog verder heen, namelijk naar de overwinning van de Verlosser over de vijanden van Zijn koninkrijk, want Hij was de Engel van het verbond, die Israël door de woestijn geleid heeft. Er zijn van de zodanigen zij zijn er altijd geweest en zij zullen er altijd zijn die vijanden zijn van God en Hem haten, die zich verbinden met de oude slang tegen het koninkrijk van God onder de mensen en tegen het zaad van de vrouw. Het zijn de goddelozen en niemand anders dan de goddelozen, die vijanden zijn van God, de kinderen van de boze. Hoewel wij moeten bidden voor onze vijanden als zodanigen, moeten wij bidden tegen Gods vijanden als zodanigen, tegen hun vijandschap jegens Hem en tegen al hun aanslagen op Zijn koninkrijk. Zo God slechts opstaat, zullen al Zijn onboetvaardige onverzoenlijke vijanden, die zich niet willen bekeren om Hem eer te geven, gewis en snel verstrooid worden, en worden weggedreven, vergaan van voor Zijn aangezicht, want nooit heeft iemand zijn hart tegen God verhard en is voorspoedig geweest. De dag des oordeels zal de dag wezen "van de verderving van de goddeloze mensen", 2 Petrus 3:7, die als was zullen smelten voor het vlammenvuur, waarin de Heere alsdan zal verschijnen, 2 Thessalonicenzen 1, 8.
2. Voor de vertroosting en blijdschap van Zijn eigen volk, vers 4. "Laat de rechtvaardigen zich verblijden die nu in droefheid zijn, laat hen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, in Zijn gunstrijke tegenwoordigheid. God is de blijdschap van Zijn volk, laat hen zich verblijden, telkens als zij voor Zijn aangezicht verschijnen, laat hen van vreugde opspringen en van blijdschap vrolijk zijn. Zij, die zich verblijden in God, hebben reden om zich uitermate zeer te verheugen, en die blijdschap moeten wij alle heilige toewensen, want zij behoort hun. Ziet licht is voor de rechtvaardige gezaaid.
II. Hij looft God voor Zijn heerlijke verschijningen, en roept ons op om Hem te loven Zijn naam te zingen en Hem te verhogen:
1. Als een groot God, oneindig groot vers 5. baant de weg voor Hem die door de vlakten rijdt Heere is Zijn Naam. Hij is het, die de hemellichamen in beweging brengt, ze leidt en regelt, zoals degene, die in een wagen rijdt, hem in beweging brengt. Hij gebiedt oppermachtig over de invloeden des hemels, Hij rijdt op de hemelen ter hulpe van Zijn volk, Deuteronomium 33:26, zo snel, zo krachtig, en zo ver boven het bereik van tegenstand. Hij bestuurt en regeert ze door Zijn naam JHWH, of ADONAI, een uit zichzelf bestaand, zelfgenoegzaam Wezen, de bron en oorsprong van alle bestaan, macht, bewegingen volkomenheid, dit is Zijn naam tot in eeuwigheid. Als wij aldus God verhogen, dan moeten wij van vreugde opspringen voor Zijn aangezicht. Heilige blijdschap in God is zeer wel bestaanbaar met de eerbied en de godvruchtige vreze. waarmee wij Hem behoren te aanbidden.
2. Als een genadig God, een God van goedertierenheid en ontferming. Hij is groot, maar Hij veracht niemand, neen, ook de geringste niet. Ja meer, een God van grote kracht zijnde, gebruikt Hij Zijn kracht en macht tot hulp van hen, die in nood en benauwdheid zijn, verse, 7. De wezen, de weduwen, de eenzamen, bevinden dat Hij een algenoegzame God voor hen is.
Merk op hoezeer Gods goedheid Zijn heerlijkheid is. Hij, die rijdt op de hemelen, door Zijn naam JHWH naar men zou denken, terstond aangebeden zijn als Koning van de koningen en Heer van de heren, en de vrijmachtige bestuurder van al de zaken van staten en volken, Hij is dit, maar hierin roemt Hij veeleer, dat Hij een Vader is van de wezen. Hoewel de Heere hoog is ziet Hij toch de nederige aan. Welgelukzalig zij, die aan zo'n God deelhebben. Hij, die rijdt op de hemelen, is een Vader, die wel waard is om Hem te hebben, driewerf gelukzalig het volk, welks God de Heere is.
a. Als gezinnen beroofd zijn van hun hoofd, draagt God zorg er voor, en is zelf hun hoofd, en de weduwen en wezen zullen in Hem datgene vinden, dat zij verloren hebben in het familielid, dat weggenomen werd, en nog oneindig veel meer en beter. Hij is een Vader van de wezen, om medelijden met hen te hebben, zich over hun te ontfermen, hen te zegenen, te onderwijzen, voor hen te voorzien in hun noden. Hij zal hen "in het leven behouden," Jeremia 49:11. Zij hebben de vrijheid Hem Vader te noemen, en te pleiten op hun betrekking tot Hem als hun voogd, Psalm 146:9, 10:14, 18. Hij is een rechter of beschermer van de weduwen, om haar raad te geven, haar recht te doen, haar te erkennen en haar zaak voor te staan, Spreuken 22:23.
b. Hij heeft een open oor voor al haar klachten en een open hand voor al haar behoeften. Hij is dit in de woonstede van Zijn heiligheid, dat verstaan kan worden, hetzij van de woonstede van Zijn heerlijkheid in de hemel, daar heeft Hij Zijn troon van het gericht bereid, waar de wezen en weduwen vrijen toegang toe hebben, en onder welks bescherming zij genomen worden, Psalm 9:5, 8, of van de woonstede van Zijn genade op aarde en dan is het een aanwijzing voor de weduwen en wezen, hoe zij zich tot God moeten wenden. Laat hen tot Zijn heilige woonstede gaan, tot Zijn woord en Zijn inzettingen daar kunnen zij Hem vinden, kunnen zij vertroosting in Hem vinden. Als gezinnen opgebouwd moeten worden, is Hij de stichter ervan, God zet de eenzamen in een huisgezin, brengt hen in aangename betrekkingen, die eenzaam waren, geeft hun, die zwervend omdoolden, een goede en aangename vestiging, Psalm 113:9. Hij doet diegenen thuis wonen, die genoodzaakt waren elders hulp te zoeken, aldus Dr. Hammond, hen, die arm waren, in staat stellende om hun brood te verdienen, en dat is de goede manier voor de mens om barmhartigheid te bewijzen, zoals God er Zijn milddadigheid in betoont.
3. Als een rechtvaardig God. a. In Zijn helpen van de verdrukten, Hij voert uit, die in boeien gevangen zijn, en stelt hen in vrijheid die onrechtvaardiglijk gekerkerd waren en in slavernij gehouden. Gene ketenen kunnen hen houden, die God vrij wil maken.
b. In Zijn afrekenen met de verdrukkers: de weerspannigen wonen in een dor land. vers 7, en hebben geen genot van hetgeen zij door bedrog en geweld verkregen hebben. Het beste land zal een dor land wezen voor hen, die door hun rebellie hun wederhorigheid, de zegen van God die het sap en de vettigheid is van al onze genietingen, verbeurd hebben. Israël was uitgevoerd uit Egypte en in de woestijn gebracht maar daar hadden zij het beter dan de Egyptenaars zelf, wier land, als het water in de Nijl niet genoeg stijgt om het te overstromen, hetgeen soms het geval is, een dor land is.