1 Petrus 1:6-9
De eerste woorden, in welken, slaan terug op hetgeen de apostel gezegd heeft omtrent de uitnemendheid van hun tegenwoordigen toestand en hun grote verwachtingen voor de toekomst.
In dezen verheugt gij u nu, een weinig tijds, zo het nodig is, bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen, vers 6.
I. De apostel erkent, dat zij in grote droefheid zijn, maar houdt hun verscheidene dingen voor ter verzachting van hun smarten.
1. Ieder gezond Christen heeft veel, waarover hij zich grotelijks verheugen kan. Grote blijdschap bevat meer dan een inwendige kalmte van geest of gevoel van vertroosting, zij toont zich in houding en gedrag, maar vooral in lof en dankbaarheid.
2. De voornaamste vreugde van een goed Christen ontspringt uit geestelijke en hemelse dingen, uit zijn betrekking tot God en den hemel. In deze verheugt ieder waar Christen zich grotelijks, zijn vreugde ontspringt uit zijn schat, die uit veel uitnemends bestaat en waarvan hij zeker is.
3. De beste Christenen, zij die reden hebben om zich grotelijks te verblijden, kunnen toch in grote droefheid verkeren door menigerlei verzoekingen. Alle soorten van tegenspoed zijn verzoekingen of beproevingen des geloofs, van het geduld en van de standvastigheid. Zelden komen zij alleen, ze zijn menigvuldig en van allerlei aard, en de uitwerking is grote droefheid. Als mensen zijn wij aan verschillende droefheden van persoonlijken en anderen aard onderhevig. Als Christenen onderwerpt onze plicht jegens God ons aan menigerlei smart, terwijl ons medelijden voor de ellendigen, de oneer God aangedaan, de onheilen van Zijne gemeente, het verloren gaan van velen door hun eigen dwaasheid en de goddelijke gerechtigheid, in een edelmoedig en godvrezend hart veel smart verwekken. Het is mij een grote droefheid en een gedurige smart, Romeinen 9:2.
4. De droefenissen en smarten der godvrezenden zijn slechts van korten duur, een kleine wijle tijds, ofschoon zij zeer hevig kunnen zijn, duren zij niet lang. Het leven zelf duurt slechts kort, en de smarten kunnen het niet overleven, de korte duur van een droefenis tempert haar hevigheid in grote mate.
5. Grote droefheid is dikwijls nodig voor het welzijn van een Christen. Gij zijt in droefheid, zo het nodig is, God bedroeft de Zijnen niet van harte, maar handelt met overleg naarmate ons nodig is. Het is niet alleen nuttig of geschikt, maar beslist noodzakelijk, zoals het woord te kennen geeft, en daarom moet niemand bewogen worden door de menigerlei verzoekingen. Want gijzelf weet dat wij hiertoe gesteld zijn, 1 Thessalonicenzen 3:3. Deze beproevingen, die hevig kunnen zijn, komen nooit dan wanneer wij ze nodig hebben en duren nooit langer dan wij ze behoeven.
II. Hij toont het einde van hun droefenissen aan en de reden van hun vreugde zolang zij duren, vers 7. Het doel van de beproevingen der godvrezenden is de beproeving huns geloofs. De aard van deze beproeving is dat zij veel kostelijker is dan die van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt. De uitwerking van de beproeving zal zijn tot lof en eer en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus. 1. De droefenissen van ernstige Christenen zijn bestemd voor de beproeving van hun geloof. Gods bedoeling in het bedroeven van de Zijnen is hun verbetering, niet hun verwoesting, hun voordeel, niet hun ondergang. Ene beproeving is, gelijk het woord aanduidt, het instellen van een onderzoek op iemand, door enige droefenis, om de waarde en de kracht van zijn geloof te leren kennen. Deze proef wordt voornamelijk op het geloof genomen meer dan op enige andere deugd, omdat de beproeving van het geloof waarlijk tevens de proef is van al het overig goede in ons. Ons Christendom hangt van ons geloof af, indien dat ontbreekt, is er geen ander geestelijk goeds in ons. Christus bad voor dezen apostel dat zijn geloof niet mocht ophouden, indien dat bevestigd werd, zou al het andere stand houden, het geloof der godvrezenden wordt beproefd opdat zij zelven daar den troost, God de heerlijkheid en anderen den zegen mogen hebben.
2. Een beproefd geloof is veel kostelijker dan beproefd goud. Hier is een dubbele vergelijking, van geloof met goud en van de beproeving van het ene met die van het andere. Goud is het kostbaarste, zuiverste, nuttigste en duurzaamste van alle metalen, en diezelfde plaats bekleedt het geloof onder de Christelijke deugden. Het houdt stand tot het de ziel in den hemel gebracht heeft en eindigt in eeuwige verheerlijking van God. De beproeving des geloofs is kostelijker dan die van het goud, beide dienen tot zuivering, afscheiding van het schuim en ontdekking van de deugdelijkheid der beproefde dingen. Goud vermeerdert niet door de vuurproef, maar neemt eer af, doch het geloof wordt bevestigd, verbeterd en vermenigvuldigd door den tegenstand en de droefenissen, die het ontmoet. Goud vergaat ten laatste, het goud hetwelk vergaat, maar dat doet het geloof nooit. Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude, Lukas 22:32.
3. De beproeving des geloofs zal bevonden worden te zijn tot prijs, en eer, en heerlijkheid. Eer is gewoonlijk die achting en waardschatting, welke de een voor den ander gevoelt, en zo zullen God en mensen de heiligen eren. Lof of prijs is de uitdrukking van die achting, en zo zal Christus in dien groten dag tot de Zijnen zeggen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! Heerlijkheid is de glans, waarmee iemand, die zo geëerd wordt en wie zulke lof gegeven wordt, in den hemel straalt. Heerlijkheid, en eer, en vrede een iegelijk die het goede werkt, Romeinen 2:10. Indien een beproefd geloof lof, en eer en heerlijkheid werkt, dan moet zulks het geloof ons aanbevelen als veel kostelijker dan het goud. ofschoon het aangevallen en beproefd wordt door droefenissen. Dat blijft waar, hetzij wij het waarderen naar zijn tegenwoordig nut, hetzij naar den einduitslag, alhoewel dat der wereld voor ongelooflijk voorkomt.
4. Jezus Christus zal weer verschijnen in heerlijkheid, en dan zullen Zijne heiligen met Hem verschijnen en hun deugden zullen schitterend uitkomen. En hoe meer zij beproefd geworden zijn des te meer zal hun heerlijkheid dan blinken. De beproeving zal spoedig voorbij zijn, maar de lof en de eer en de heerlijkheid zullen eeuwig blijven. Dit moet ons met onze tegenwoordige droefenissen verzoenen, want zij werken ons een gans zeer uitnemend gewicht van eeuwige heerlijkheid.
III. Hij prijst het geloof van deze eerste Christenen, voornamelijk om twee redenen.
1. De uitnemendheid van zijn voorwerp, den ongezienen Jezus. De apostel had onzen Heere in het vlees gezien, maar deze verstrooide Joden niet, en toch geloofden zij in Hem, vers 8. Het is een ding te geloven dat God bestaat, of dat Christus bestaat (dat doen de duivelen ook), en een ander ding in Hem te geloven met gewillige toewijding, onderwerping en verwachting van al het door Hem beloofde goed. 2. Twee ondubbelzinnige uitwerkingen van hun geloof: liefde en vreugde, en wel een vreugde zo groot, dat ze alle beschrijving te boven gaat. Gelovende verheugt gij u met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, vers 8.
A. Het geloof des Christens vestigt zich op dingen, die wel geopenbaard zijn maar niet gezien worden. Onze zinnen bepalen zich tot zichtbare, tegenwoordige dingen. De rede is een hogere gids, die kan door zekere onderzoekingen indringen in de werkingen van de oorzaken en de zekerheid van aanstaande voorvallen. Maar het geloof stijgt veel hoger en geeft ons zekerheid van een overvloed van bijzonderheden, die rede en zintuigen nooit konden vinden. Het doet dat door de openbaring, en is zo een bewijs van de dingen, die niet gezien worden.
B. Oprecht geloof blijft nooit alleen, maar brengt een sterke liefde tot Jezus Christus voort. Ware Christenen hebben Jezus oprecht lief omdat zij in Hem geloven. Deze liefde openbaart zich door de hoogste achting voor Hem, innige begeerte naar Hem, gewilligheid om ontbonden en met Hem te zijn, heerlijke gedachten, gaarne-verrichte diensten, met vreugde ondergaan lijden enz.
C. Waar oprecht geloof en liefde voor Christus zijn, daar is, of behoort te zijn: onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Deze vreugde is onuitsprekelijk, zij kan niet onder woorden gebracht worden, zij wordt alleen door een proefondervindelijk gevoel gekend, zij is heerlijk, vol van den hemel. Er is veel van den hemel en van de toekomstige heerlijkheid in de tegenwoordige vreugde van gevorderde Christenen, hun geloof verzet de oorzaken van smart en geeft de beste reden voor vreugde. Ofschoon de godvrezenden soms in duisternis wandelen, is dat dikwijls te wijten aan hun eigen misstappen en onwetendheid, of aan een vreesachtige en neerslachtige geestesgesteldheid, of aan enige zondige daad, die pas begaan werd, of aan enige zeer droeve gebeurtenis, die hun voor het ogenblik hun troost ontneemt. Toch hebben zij reden om zich in den Heere te verheugen en zich te verblijden in den God huns heils, Habakuk 3:18. Wel mochten deze eerste Christenen zich met onuitsprekelijke vreugde verblijden, want dagelijks verkregen zij het einde huns geloofs, de zaligheid hunner zielen, vers 9.
a. De zegen, dien zij ontvingen, was: de zaligheid hunner zielen (het edelste deel van den mens voor den gehelen mens genoemd), welke zaligheid hier genoemd wordt het einde huns geloofs, het doel waarin het geloof eindigt, het geloof helpt de ziel zalig maken, dan heeft het zijn werk gedaan en eindigt voor eeuwig.
b. Hij spreekt van den tegenwoordigen tijd. Nu ontvangt gij werkelijk het einde uws geloofs enz.
c. Het hier gebruikte woord doelt op de spelen, waarbij de overwinnaar verkreeg of wegdroeg van den scheidsrechter een kroon of beloning, die hij in zegepraal tentoon droeg. Zo was de zaligheid der zielen de prijs, dien deze Christenen zochten, de kroon waar zij naar streefden, het doel dat zij beoogden, dat elke dag nader en meer binnen hun bereik kwam. Leer hieruit: Ten eerste. Ieder gelovig Christen ontvangt dagelijks de zaligheid zijner ziel, zaligheid is een blijvend ding, dat in dit leven begint, door den dood niet onderbroken wordt en voortduurt in alle eeuwigheid. Deze gelovigen hadden de beginselen des hemels in hun bezit van heiligheid en hemelse gezindheid, in hun deugden en gemeenschap met God, in de eerstelingen der erfenis en het getuigenis van den Heiligen Geest. Dat was genadig zo beschikt voor deze bedroefden, in de wereld waren zij aan de verliezende zij, maar de apostel herinnert hun wat zij zullen ontvangen en ontvingen, terwijl zij al de mindere goederen verloren, ontvingen zij voortdurend de zaligheid hunner zielen. Ten tweede. Het is gewettigd voor den Christen om de zaligheid zijner ziel ten doel te hebben, de heerlijkheid Gods en onze eigen gelukzaligheid zijn zo nauw aan elkaar verbonden, dat wanneer wij regelmatig de ene zoeken, wij zeker ook de andere bereiken.