8. Het voordeel des aardrijks, de vruchten des velds door de vlijt des landmans onder den zegen des Heeren verkregen, is voor allen, rijken zowel als armen hebben ze nodig; de koning zelfs wordt van het veld gediend, hij kan die vruchten evenmin als de armste voor zijn onderhoud ontberen, daarom versmaadden koningen en andere hooggeplaatste personen, zo als Uzzia, Curius Dentatus en vele anderen het niet, om den landbouw in hun bijzondere bescherming te nemen, of dien zelven uit te oefenen.
1) Volgens den Duitsen tekst lezen wij, dat de koning voor, ten behoeve van het veld is, d.i. dat het bepaaldelijk zijne roeping ook is, om het veld en den oogst daarvan tegen elken vijandelijken aanval van buiten of van binnen te beschermen, opdat de landman gerustelijk zijn nuttig bedrijf zon kunnen uitoefenen..
Dit vers sluit zich aan aan het vorige, of aan het volgende. Sluit het zich aan het vorige, dan vormt het een tegenstelling er mede. Sluit het zich aan het volgende, dan vormt het evenzeer een tegenstelling. Sluit het zich aan bij het vorige, dan wordt hier gewezen op een koning, die zich met den akkerbouw bezig houdt en dus niet met het voeren van oorlogen, en het onderdrukken van zijne onderdanen. De vertaling is dan juister: Voordeel van een land, echter bestaat allerwege in een koning, die zich aan den akkerbouw overgeeft.
Onzes inziens sluit het zich aan bij het volgende, en dan wijst het op het voordeel van landbezit boven het geldbezit in Vers 9. Het was toch de gewoonte bij vele Oostersen, om hun rijkdom en bezittingen door baar geld te vermeerderen. Hiertegen waarschuwt de Prediker in Vers 9 en wijst daarom eerst in dit vers op het voordeel van het bouwen van het land, waarvan allen kunnen genieten.