Galaten 4:21-31
In deze verzen licht de apostel het onderscheid toe tussen gelovigen, die alleen op Christus steunen, en deze Judeërs, die op de wet bouwen, door een vergelijking genomen uit de geschiedenis van Izaak en Ismael. Hij opent die op ene wijze, die geschikt was om indruk op hun harten te maken, en om hen te overtuigen van hun grote zwakheid in het verlaten der waarheid en in het dulden dat ze van de vrijheid des Evangelies beroofd werden.
Zegt mij, gij die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet? Hij neemt voor zeker aan dat zij de wet horen, want in de Joodse vergaderingen was men gewoon die elke Sabbatdag te lezen, en sedert zij er zo gaarne onder leefden, verlangde hij dat zij goed zouden letten op hetgeen daarin geschreven staat (hij verwijst naar Genesis 16 en 21). Want indien zij dat deden zouden ze spoedig zien hoe weinig reden ze hadden om er op te vertrouwen. En dus:
1. Stelt hij hun de geschiedenis zelf voor, vers 22, 23: Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, enz. Hier wijst hij op den verschillenden staat en toestand van deze twee zonen van Abraham. De ene, Ismael, was uit de dienstmaagd, en de andere, Izaak, uit de vrije. De eerste was geboren naar het vlees, of naar den gewonen loop der natuur, de andere door de beloftenis, want naar den gewonen loop der natuur was er geen reden meer om te verwachten dat Sara een zoon zou krijgen.
2. Hij deelt hem de bedoeling en betekenis van deze gebeurtenis mede, en het gebruik dat hij er van wil maken, vers 24-27. Hetwelk dingen zijn, zegt hij, die een andere beduiding hebben, dat is behalve de letterlijke en historische betekenis van het verhaal, wil de Heilige Geest ons door deze gebeurtenis iets anders afschaduwen en leren, en dat andere is: Dat deze twee, Hagar en Sara, zijn de twee verbonden. Zij zijn bestemd om typisch voor te stellen en af te schaduwen de twee verschillende bedelingen van verbond. De eerste, Hagar, vertegenwoordigde de bedeling, die op Sinaï gegeven werd, en was tot dienstbaarheid barende. Dat verbond was, ofschoon een bedeling van genade, in vergelijking met den toestand onder het Evangelie een bedeling van dienstbaarheid, en werd dat door de Joden nog meer, door hun misvatting van zijne betekenis, waardoor zij verwachtten gerechtvaardigd te worden door de werken. Want dit, namelijk Agar, is Sinaï, een berg in Arabië (de berg Sinaï werd toen door de Arabieren Agar genoemd) en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is en dienstbaar is met hare kinderen, dat is: hij is de juiste afbeelding van den tegenwoordigen toestand der Joden, welke, volhardende in hun ongeloof en aanhankelijkheid aan dat verbond, nog met hun kinderen in dienstbaarheid zijn. Maar de andere, Sara, was bestemd om Jeruzalem dat boven is af te beelden, dat is, den toestand der Christenen onder de nieuwe en betere bedeling, welke vrij is zowel van den vloek der zedelijke wet als van de dienstbaarheid der ceremoniële wet, en is de moeder van ons allen, een toestand waartoe allen, die in Christus geloven, beiden Joden en Heidenen, worden toegelaten. En op deze grotere vrijheid en uitbreiding van de kerk onder de bedeling des Evangelies, die in Sara was vooraf geschaduwd, als de moeder van het beloofde zaad, past de apostel Jesaja 54:1 toe, waar geschreven is: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer dan dergene, die den man heeft.
3. Hij past de geschiedenis, dus uitgelegd, toe op den tegenwoordigen toestand, vers 28. Maar wij, broeders, zegt hij, zijn kinderen der belofte als Izaak was. Wij Christenen, die Christus aangenomen hebben, en ons op Hem verlaten, en alleen tot Hem opzien om rechtvaardigmaking en verlossing, wij worden daardoor het geestelijk zaad van Abraham, al zijn wij dat van nature niet, en worden daardoor gerechtigd tot de beloofde erfenis en deelgenoten van haar zegeningen. Maar opdat deze Christenen niet zouden afgeschrikt worden door den tegenstand, dien ze van de Joden ondervinden zouden, want deze waren zo vasthoudend aan hun wet dat zij ieder vervolgden, die er zich niet aan onderwierp, zegt hij hun dat die niet anders was dan hetgeen ook reeds in het type vooraf geschaduwd was. Want die naar het vlees geboren was vervolgde degenen, die naar den geest geboren was, en zij moesten verwachten dat het zo ook nu zou zijn. Maar hij wenst dat ze tot hun vertroosting in dat geval zouden letten op hetgeen de Schrift zegt, Genesis 21:10 :Werp de dienstmaagd uit en haren zoon, want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. Ofschoon de Joodse aanhangers der wet hen zouden vervolgen en haten, toch zou de uitkomst zijn dat het Judaïsme zou verdwijnen, maar het ware Christendom opbloeien en eeuwig blijven. En nu, als samenvatting van al wat hij hieromtrent gezegd heeft, besluit hij met de woorden, vers 31, Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.