Openbaring 2:1-7
Wij hebben hier:
I. Het opschrift, waarbij wij opmerken:
1. Aan welke gemeente de eerste van deze brieven is gericht: de gemeente van Efeze, een beroemde gemeente, door den apostel Paulus gesticht, Handelingen 19, en daarna verzorgd en geregeerd door Johannes, die daar zeer dikwijls verblijf hield. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen, dat Timotheus was de engel, of de enige herder en bisschop, van deze gemeente in dien tijd, dat hij, die zulk een uitnemenden geest had, en natuurlijk zo bezorgd was voor het welzijn van de zielen der gemeente, zo verachterd zou zijn dat hij de bestraffing zou verdienen, welke hier aan de gezamenlijke dienaren van deze gemeente gegeven wordt.
2. Door wie deze brief naar Efeze wordt gezonden. Hier vinden wij een van de titels van Christus in Zijne verschijning aan Johannes in het vorige hoofdstuk gegeven. Die de zeven sterren in Zijne rechterhand houdt en in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt, 1:13. 16.. Deze titel bevat twee delen:
A. Hij houdt de zeven sterren in Zijne rechterhand. De dienaren van Christus verkeren onder Zijn bijzondere zorg en bescherming. Het is de ere Gods, dat Hij het aantal der sterren kent, dat Hij ze bij namen roept, dat Hij de lieflijkheden van het Zevengesternte bindt, en de strengen van Orion losmaakt, Job 38:31. En het is de eer van onzen Heere Jezus Christus, dat de dienaren der gemeente, die groter zegeningen voor haar zijn dan de sterren voor de wereld, in Zijne hand zijn. Hij bestiert al hun bewegingen, Hij beschikt over hen in hun verschillende loopbaan, Hij vervult hen met licht en invloed, Hij draagt hen, want anders zouden ze spoedig vallende sterren worden, zij zijn de werktuigen in Zijne hand en al het goede dat zij doen, dat doet Hij door hen.
B. Hij wandelt in het midden van de gouden kandelaren. Dit ziet op Zijne betrekking tot de gemeenten, gelijk het eerste op Zijne betrekking tot de dienaren. Christus is op innige wijze tegenwoordig in en omgaande met Zijne gemeenten, Hij weet en beschouwt haar toestand, Hij heeft Zijn behagen in hen gelijk een man, die in Zijnen hof wandelt. Ofschoon Christus in den hemel is, wandelt Hij in het midden Zijner gemeenten op aarde en ziet alles wat in haar verkeerd is en al wat haar ontbreekt. Dat is een grote bemoediging voor hen, aan wie de zorg voor de gemeenten opgedragen is, dat de Heere Jezus ze gegraveerd heeft in de palmen Zijner handen.
II. De inhoud van dezen brief, waarin wij, zoals in de meeste die volgen, hebben:
1. De lof en de berisping, die Christus aan deze gemeente geeft, aan dienaren en leden, en die Hij altijd geeft met de betuiging dat Hij hun werken weet. Daarom moet zowel op Zijn lof als op Zijn berisping nauwkeurig acht geslagen worden, want Hij spreekt niet onderstellenderwijze, Hij weet wat Hij zegt. De gemeente van Efeze wordt geprezen:
A. Om haar ijver in plichtsbetrachting: Ik weet uwe werken en uwen arbeid, vers 2. Dat zal meer onmiddellijk betrekking hebben op de dienaren, die ijverig en werkzaam geweest waren. Waardigheid roept tot plichtsbetrachting. Zij, die sterren in de hand van Christus zijn, moeten voortdurend in beweging zijn, om licht te geven aan allen rondom hen. Gij hebt om Mijns naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden, vers 3. Christus neemt kennis van het werk van elke dag en elk uur, dat Zijn dienstknechten voor Hem verrichten, en hun arbeid zal niet ijdel zijn in den Heere.
B. Om haar geduld onder het lijden. Uw arbeid en uwe lijdzaamheid, vers 2. Het is niet genoeg dat wij ijverig zijn, wij moeten ook lijdzaam wezen en als goede krijgsknechten van Christus verdrukkingen lijden. Dienaren moeten grote lijdzaamheid bezitten en beoefenen, en geen Christen kan er buiten. Er moet verdraagzame lijdzaamheid zijn om de beledigingen der mensen en de bestraffingen van de Voorzienigheid te verdragen, en er moet wachtende lijdzaamheid zijn, opdat zij den wil Gods verricht hebbende, het woord mogen horen: Gij hebt verdragen en hebt geduld, vers 3. Wij zullen in onzen weg en ons werk op zulke moeilijkheden stuiten, dat wij lijdzaamheid nodig zullen hebben om goed voort te gaan en goed te eindigen.
C. Om hun ijver tegen hetgeen kwaad was, vers 2. Gij kunt de kwaden niet dragen, vers 2. Het komt zeer wel overeen met de Christelijke lijdzaamheid, dat men de zonde niet door de vingers ziet, veelmin toestaat, ofschoon wij jegens de mensen alle zachtheid moeten betonen, zo moeten wij een rechtvaardigen ijver tegen hun zonden aan den dag leggen. Deze hun ijver was te meer lofwaardig omdat hij gegrond was op kennis, een behoorlijke ijver tegen de tevoren onderzochte beweringen, handelingen en gedragingen van kwade mensen: gij hebt beproefd degenen, die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden, vers 2. Ware ijver begint met voorzichtigheid, niemand mag uitgeworpen worden alvorens hij beproefd werd. In deze gemeente waren sommigen opgestaan, die beweerden geen gewone dienaren, maar apostelen te zijn, en hun beweringen waren behoorlijk onderzocht, maar leugenachtig en ijdel bevonden. Zij, die onpartijdig naar waarheid zoeken, zullen haar vinden en leren kennen.
2. De bestraffing, die aan deze gemeente gegeven wordt. Maar ik heb tegen u, vers 4. Zij, die veel goeds hebben, kunnen toch iets hebben dat verkeerd is, en onze Heere Jezus, die een onpartijdige Meester en Rechter is, neemt van beide kennis. Ofschoon Hij eerst opmerkt hetgeen goed is en het liefst daar melding van maakt, let Hij toch ook op hetgeen verkeerd is en zal hen daarover getrouw bestraffen. De zonde, waarvan Christus deze gemeente beschuldigde, was haar achteruitgang en haar verlaten van heilige liefde en ijver. Dat gij uw eerste liefde hebt verlaten. Gij hebt niet verlaten en verzaakt het voorwerp van uw liefde, maar de brandende liefde, die eerst aan den dag kwam, is verminderd.
A. De eerste genegenheid van mensen jegens Christus, en heiligheid en hemel, is gewoonlijk levendig en warm. God herinnerde Israël aan de eerste huwelijkstrouw, toen zij Hem volgen wilde overal waar Hij heenging.
B. Deze levendige genegenheid zal zinken en bekoelen, indien er geen grote zorg gedragen wordt en niet veel ijver aangewend wordt, om haar in voortdurende oefening te houden.
C. Christus wordt door Zijn volk gegriefd en mishaagd, wanneer Hij ziet dat zij nalatig en koud jegens Hem worden, en op de een of andere wijze zal Hij hen doen gevoelen dat Hij hun zulks euvel duidt. 3. De raad, dien Christus hun geeft. Gedenkt dan waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeert u enz., vers 5.
A. Zij, die hun eerste liefde verloren hebben, moeten gedenken waarvan zij uitgevallen zijn, zij moeten hun tegenwoordigen toestand met hun vroegeren staat vergelijken, en in aanmerking nemen hoeveel beter het hun toen was dan nu, hoeveel vrede, kracht, reinheid en blijdschap zij verloren hebben toen zij hun eerste liefde verlieten, hoe meer getroost zij des nachts konden neerliggen en slapen, hoe meer verkwikt zij des morgens konden ontwaken, hoe veel beter zij beproevingen konden verdragen, hoe meer betamelijk zij zich konden verheugen over de gunsten der Voorzienigheid, hoe veel gemakkelijker voor hen de gedachte aan den dood was, en hoe veel sterker hun verlangen naar den hemel en het eeuwige leven was.
B. Zij moeten zich bekeren. Zij moeten innerlijk gegriefd en beschaamd worden over hun zondige nalatigheid, zij moeten zich zelven veroordelen en zich schamen, nederig voor God hun zonde belijden, met oordeling en veroordeling van zich zelven.
C. Zij moeten zich bekeren en de eerste werken doen. Zij moeten als het ware van voren af aan beginnen, stap voor stap teruggaan, totdat zij komen aan de plaats, waar zij den eersten verkeerden stap gezet hebben, zij moeten zich benaarstigen hun vorigen ijver te doen herleven en te herwinnen, hun eerste tederheid, hun eersten ernst, zij moeten vurig bidden en zo nauwlettend waken als deden zij nu pas hun eerste schreden op den weg Gods.
4. Deze goede raad wordt versterkt en aangedrongen:
A. Door een sterke bedreiging, wanneer hij verwaarloosd zou worden. En. zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren. Wanneer de aanwezigheid van de genade en den Geest van Christus verwaarloosd worden, moeten wij de komst van Zijn ongenoegen verwachten. Hij zal komen in den weg van oordelen, en zulks onverwacht en verrassend, over onbekeerlijke gemeenten en zondaren, Hij zal die gemeente verderven, het Evangelie wegnemen, haar dienaren en Zijne instellingen verwijderen. En wat zullen de gemeenten en haar engelen doen wanneer het Evangelie weggenomen is?
B. Door een aanmoedigende vermelding van het goede, dat nog in haar was. Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaieten haat, welke Ik ook haat, vers 6. Ofschoon gij achteruit zijt gegaan in uwe liefde voor het goede, zo zijt ge toch vol haat gebleven tegen het kwade, vooral tegen hetgeen grof kwaad is. De Nicolaieten waren een listige sekte, die zich dekte met den naam van Christenen. Zij hadden afschuwelijke leerstellingen en waren schuldig aan hatelijke daden, hatelijk voor Christus en voor alle oprechte Christenen. En tot lof van de gemeente van Efeze wordt vermeld, dat zij een gerechtige ijver tegen en afschuw van die goddeloze leerstellingen en praktijken had. Onverschilligheid van geest omtrent waarheid en dwaling, goed en kwaad, moge met de namen van liefde en zachtmoedigheid bestempeld worden, maar zij behaagt Christus niet. Onze Zaligmaker voegt Zijn lof bij Zijn bedreiging, ten einde Zijn raad des te beter ingang te doen vinden.
III. Wij komen nu tot het slot van dezen brief, waarin wij te letten hebben op:
1. Een oproeping om gehoor te geven: Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. A. Wat in de Schrift geschreven staat, is gesproken door den Geest Gods.
B. Hetgeen tot een enkele gemeente gezegd wordt, heeft betrekking op alle gemeenten van alle plaatsen en tijden.
C. Wij kunnen ons vermogen om te horen nooit beter besteden dan door te horen naar het woord Gods, en wij verdienen ons gehoor te verliezen indien wij het niet tot dat doel gebruiken. Zij, die nu niet naar de roepstem Gods willen horen, zullen eens wensen dat zij nimmer het vermogen om iets te horen mochten gehad hebben.
2. Een belofte van grote barmhartigheid voor hen, die overwinnen. Het Christelijk leven is een oorlog tegen zonde, Satan, wereld en vlees. Het is niet genoeg dat wij aan dezen oorlog deelnemen, wij moeten stand houden tot het einde, en nooit voor onze geestelijke vijanden wijken, maar den goeden strijd strijden tot wij de overwinning behaald hebben, gelijk alle goede volhardende Christenen zeker doen zullen. Dan zullen de strijd en de overwinning een heerlijke zegepraal en beloning brengen. Aan de overwinnaars wordt hier beloofd, dat hun zal worden te eten gegeven van den boom, die in het midden van het paradijs Gods is, vers 7. Zij zullen die volmaking van heiligheid en die bevestiging daarin verkrijgen, die Adam zou verkregen hebben indien hij zijne beproeving goed doorstaan had, hij zou dan gegeten hebben van den boom des levens, die in het midden van het paradijs stond en dat zou voor hem geweest zijn het sacrament of de bevestiging van zijn heiligen en gelukzaligen staat. Zo zullen allen, die standvastig blijven in hun Christelijke beproeving en strijd, van Christus, als de boom des levens, volmaking en bevestiging in heiligheid en gelukzaligheid in het paradijs Gods ontvangen, niet in het aardse paradijs, maar in het hemelse, Hoofdstuk 22:1, 2.