Jesaja 52:7-12
Van het terugkeren van de Joden uit Babel naar hun eigen land, wordt hier gesproken zowel als van een genade als van een plicht, en de toepassing van deze woorden, vers 7, door de apostel op de prediking van het Evangelie, Romeinen 10:15, doet duidelijk zien dat deze terugkeer een type en afschaduwing was van de verlossing van de mensheid door Jezus Christus, op wie hetgeen hier gezegd wordt van hun verlossing uit Babel, behoort toegepast te worden.
I. Hier wordt er over gesproken als over een grote zegen, die met overvloed van blijdschap en dankbaarheid behoort ontvangen te worden.
1. Zij, die de tijding van hun loslating brengen, zullen zeer aangenaam zijn, vers 7. Hoe lieflijk zijn op de bergen, de bergen die rondom Jeruzalem liggen, over welke men de boodschappers reeds op grote afstand kan zien naderen, de voeten desgenen die het goede boodschapt, zodra bekend wordt welk nieuws zij brengen. Hiermede worden niet gewone boodschappers bedoeld, en ook niet de boden, door de regering uitgezonden om het bevel te verspreiden, maar veel meer sommige van de Joden zelf, die dicht bij de bron van het goede nieuws woonden, er spoedig kennis van kregen en zich nu zelf haasten, of naar alle zijden hun boden uitzonden om het nieuws te verspreiden, tot zelfs naar Jeruzalem, om het mee te delen aan de weinigen, die daar achterbleven, dat hun broeders hen binnenkort ontmoeten zouden. Het wordt niet alleen meegedeeld als een nieuwstijding maar als een bewijs dat de God van Zion regeert, want het is in deze woorden vervat, die zij zeggen zullen: Uw God is koning. Zij, die de goede tijding van vrede en redding brengen, dat Cyrus bevel gegeven heeft voor de vrijlating van de Joden, de tijding waarnaar reeds zolang uitgezien werd door hen, die de vertroosting Israëls verwachtten die goede boodschap van het goede, vatten dat samen in de woorden: O Zion, Uw God is Koning! Wanneer er slecht nieuws te verkondigen valt, is dit goed nieuws, en wanneer er goed nieuws kan meegedeeld worden, is dit het beste nieuws, dat Zions God koning is, dat Hij regeert, dat God Zions God is, haar Verbondsgod en dat Hij regeert, Psalm 146:11, Zacheria 9:9. De Heere heeft Zion gegrondvest, Jesaja 14:32. Alle gebeurtenissen hebben haar oorsprong in de beschikkingen van het koninkrijk van Zijn voorzienigheid, en haar doel is de bevordering van het Koninkrijk van Zijn genade. Dit moet toegepast worden op de verkondiging van het Evangelie hetwelk is een boodschap van vrede en verlossing, inderdaad een Evangelie, goed nieuws, blijde tijding, tijding van overwinning over onze geestelijke vijanden, en loslating uit onze geestelijke slavernij. Het goede nieuws is dat de Heere Jezus regeert en Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven is. Christus zelf heeft deze tijding het eerst gebracht Lukas 4:18. Hebreeën 2:3. En van Hem zegt onze tekst: "Hoe lieflijk zijn Zijn voeten." Zijn aan het kruis genagelde voeten hoe lieflijk waren zij op de berg Calvarië. Hij kwam "huppelende op de bergen," Hooglied 2:8, Hoe lieflijk waren zij voor degenen, die Zijn stem kennen, en wisten dat dit de stem van hun geliefde was! Zijn boden verkondigen deze goede tijding, zij behoren hun voeten rein te houden van de bezoedelingen van deze wereld en te zorgen dat zij lieflijk zijn in de ogen van hen die aan hun voeten zitten-of liever-aan Christus' voeten -om Zijn woord te horen. Zij moeten "in liefde geacht worden om huns werks wil," 1 Thessalonicenzen 5:12. De boodschap die zij brengen, is aller aanneming waardig.
2. Zij, aan wie die goede boodschap gebracht wordt zullen daardoor grote blijdschap verkrijgen. A. De wachters op Zions muren zullen zich verheugen, omdat zij zo blijde verrast worden, vers 8. De wachters op Zions muren geven de toon aan in de lofliederen, wie zij zijn wordt ons gezegd in Hoofdstuk 62:6. Zij waren degenen, die God op de muren van Jeruzalem gezet had om Zijn naam te vermelden, en geduriglijk tot Hem te bidden, opdat Hij Jeruzalem opnieuw zou maken tot een lof van de aarde. Deze wachters stonden op hun wachttorens het antwoord op deze gebeden verbeidende, Hebreeën 2:1. Wanneer dus de goede tijding komt zijn zij de eersten die haar vernemen, en hoe langer zij gewacht hebben en hoe meer zij in hewt gebed aangedrongen hebben, des te meer worden zij verblijd wanneer ze komt. Zij verheffen de stem en juichen tezamen, daardoor de anderen uitnodigende om in hun lied samen te stemmen. En hetgeen hen boven al het andere met blijdschap vervult is dat ze oog aan oog zullen zien, dat is, van aangezicht tot aangezicht. God was hun geweest een God die zich verborgen hield, en zij konden nauwelijks iets van Zijn gunst onderscheiden door de zware wolk van hun droefenissen, maar nu is de wolk vaneen gescheurd en kunnen zij duidelijk zien. Zij zullen oog aan oog de koning van Zion zien, dat werd vervuld toen het Woord vlees geworden is en onder ons gewoond heeft, en zij "Zijn heerlijkheid zagen?" Johannes 1:14 en 1 Johannes 1. Zij zullen nauwkeurige overeenstemming tussen de profetie en haar vervulling zien, zij zullen aanschouwen hoe die beide elkaar aangezicht tot aangezicht zien en daaruit de zekerheid krijgen dat dezelfde God het gesproken en vervuld heeft. Wanneer de Heere Zion weer uit haar gevangenis brengen zal, zullen de dan levende profeten voller ontdekkingen ontvangen en geven van Gods welwillendheid jegens Zijn volk dan ooit tevoren. En wanneer wij dit evenals de inhoud van de vorige verzen toepassen op de tijden des Evangelies, dan is het een belofte van de uitstorting des Geestes over de dienaren des Evangelies, als een Geest van wijsheid en openbaring, om hen in alle waarheid te leiden zodat ze oog tot oog zullen zien de genade Gods duidelijker zullen zien dan de heiligen van het oude verbond haar zagen. En hierin zullen zij eenparig zijn, in deze grote dingen betreffende de zaligheid zullen zij zowel in hun gevoelens als in hun zangen overeenstemmen. Ja, Paulus schijnt hierop te zinspelen, wanneer hij het een voorrecht van de toekomstige toestand noemt, dat wij zullen zien aangezicht tot aangezicht.
B. Zions verwoeste plaatsen zullen dan tezamen juichen, omdat zij zo verrassend vertroost geworden zijn, vers 9. Maakt een geschal, juicht tezamen, gij woeste plaatsen van Jeruzalem, dat is, alle delen van Jeruzalem, want alles lag in puin en zelfs de delen die het meest verwoest schenen te liggen zullen delen in de algemene blijdschap, en zij die dat het minst verwacht hadden, zullen losbarsten in vreugdegezang, als mensen die dromen, Psalm 126:1, 2. Zij moeten allen tezamen zingen. Zij die in de barmhartigheid delen, moeten zich verenigen in dankzegging. Hier is stof voor lof en prijs.
a. Gods volk zal de troost van deze redding hebben, en hetgeen de oorzaak van onze blijdschap is, moet de oorzaak van onze dankzegging zijn. Hij heeft Jeruzalem verlost, dat is de inwoners van Jeruzalem, die in handen van hun vijanden verkocht waren, en daardoor heeft Hij Zijn volk vertroost, dat in droefheid was. De verlossing van Jeruzalem is de blijdschap van Gods volk, waarvan de eigenschap is dat zij uitzien naar die verlossing, Lukas 2:38.
b. God zal er de heerlijkheid van hebben, vers 10. Hij heeft Zijn heiligen arm ontbloot, dat is, Zijn macht geopenbaard, voor de ogen van alle heidenen. Gods arm is een heilige arm uitgestrekt in reinheid en rechtvaardigheid, ter verdediging van Zijn heiligheid en ter vervulling van Zijn belofte.
c. De gehele wereld zal daarvan de zegen genieten. In de grote verlossing, tot stand gebracht door onze Heere Jezus, werd de arm des Heeren geopenbaard en al de einden van de aarde hebben gezien het heil van onze God, dat wil zeggen, niet enkel als toeschouwers, zoals zij de verlossing van de Joden uit Babel zagen, maar als deelgenoten ervan-sommigen uit alle volken, ook uit de verst verwijderde, zullen deel hebben aan de zegeningen van deze verlossing. Dit is toegepast in onze redding door Christus, in Lukas 3:6. "Alle vlees zal de zaligheid Gods zien," deze grote zaligheid.
II. Hier wordt gesproken van een groot werk, hetwelk behoort verricht te worden met overvloed van zorgvuldigheid en omzichtigheid. Wanneer de vrijheid zal afgekondigd worden.
1. Dan moet Gods volk zich uit Babel weghaasten met allen betamelijke spoed, of schoon zij er nooit zo aangenaam gevestigd waren, mogen zij er toch niet aan denken om in Babel wortel te schieten. Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar, gaat uit het midden van haar, vers 11. Niet alleen zij die op de grenzen wonen, maar ook zij die zich in het hart des lands bevinden, allen moeten uitgaan. Babel is geen plaats voor Israëlieten. Zodra zij verlof hebben om te vertrekken, mogen zij geen tijd verliezen, met dit woord vuurt God hen aan die bewogen werden om heen te gaan Ezra 1:5. En dezelfde roeping komt tot alten die nog in de slavernij van zonde en Satan verkeren, om gebruik te maken van de vrijheid, welke Christus uitgeroepen heeft. En indien de Zoon hen vrijgemaakt heeft zullen zij waarlijk vrij zijn.
2. Zij moeten op hun hoede zijn dat zij geen van de onreinheden van Babel medenemen. Raakt het onreine niet aan. Nu God Zijn heilige arm voor u ontbloot, weest na heilig, want Hij is heilig, en houdt u terug van alle kwaad. Toen zij uit Egypte kwamen, brachten zij vandaar allerlei afgodische gewoonten mede, Ezechiël 23:3. Dat was hun ondergang, daarom moeten zij er nu tegen zorgen, dat ze niet hetzelfde doen nu zij Babel verlaten. Wanneer wij enige bijzondere barmhartigheid van God ontvangen, moeten wij ons zo zorgvuldig mogelijk in acht nemen tegen alle onreinheid. Maar bovenal moeten zij zich reinigen die de vaten des Heeren dragen, dat is, de priesters die de zorg hadden voor de gereedschappen des heiligdoms, toen hun door bijzondere welwillendheid vergund werd die naar Jeruzalem te brengen, Ezra 1:7, 8:24. Zij vooral moeten niet alleen zorgdragen dat zij niets onreine aanraken, maar zij moeten zeer nauwgezet zijn om zich te reinigen naar de reinheid van het heiligdom. Christenen zijn onze God gemaakt tot geestelijke priesters, Openbaring 1:5. Zij moeten de vaten des Heeren dragen, hun is toevertrouwd de ordinanties Gods zuiver en volledig te bewaren. Een belangrijke taak is hun opgedragen en zij moeten zichzelf rein bewaren, hun handen in onschuld wassen, en zo tot Gods altaren naderen en de vaten dragen zichzelf rein houdende.
3. Zij mogen rekenen op Gods tegenwoordigheid en bescherming gedurende hun terugkeer, vers 12. Gijlieden zult niet met haast uitgaan. Zij moeten vertrekken met behoorlijke spoed, geen tijd verliezen, niet aarzelen gelijk Lot in Sodom, maar zij waren niet genoodzaakt met verbijsterende haast te vertrekken, alsof zij bevreesd moesten zijn van vervolgd te zullen worden, zoals toen zij uit Egypte gingen, of dat het bevel voor hun vrijlating zou herroepen of verhinderd worden. Neen, zij zullen ondervinden dat al Gods werk volkomen is, en daarom behoeven zij niet meer te haasten dan met behoorlijke spoed overeenkomt. Cyrus zal hun een eervol ontslag geven, en zij zullen met eer vertrekken en niet zich wegstelen, want de Heere zal voor hun aangezicht heentrekken, als hun aanvoerder, en de God Israëls zal hun achterdocht wezen, of Hij zal hen vergaderen die achtergebleven zijn. God zal hun voorhoede geleiden en hun achterhoede beschermen. Hij zal hen verdedigen tegen vijanden, die hun tegemoet trekken mochten of van achteren aanvallen wilden, met Zijn gunst zal Hij hen begeleiden. Toen zij uit Egypte kwamen ging de wolk- en vuurkolom nu eens voorop en dan eens achteraan om hun aftocht te dekken. Exodus 14:19. En Gods tegenwoordigheid zal dan voor hen zijn wat toen die kolom was. Zij die in de weg van hun plicht zijn, bevinden zich onder Gods gestadige bescherming, en hij die gelooft zal niet haasten.