Exodus 14:15-20
Wij hebben hier:
I. Aanwijzingen, gegeven aan Israëls leider.
1. Wat hij zelf moet doen. Hij moet voor het ogenblik ophouden met bidden en zich tot het werk begeven, vers 15. Wat roept gij tot Mij? Hoewel Mozes verzekerd was van de gelukkige uitredding uit deze moeilijkheid, heeft hij toch het gebed niet veronachtzaamd. Wij lezen van geen woord dat hij in het gebed gezegd heeft, maar hij heeft zijn hart opgeheven tot God. God verstond de taal er van en gaf er acht op. Mozes stille gebeden van geloof hebben bij God meer overmocht dan Israëls luide kreten van vrees, vers 10. Het ware gebed is een roepen tot God, en is de taal zowel van een natuurlijk als van een zeer dringend verlangen. Er kan in het bidden een waar roepen zijn tot God, ook als de stem niet wordt gehoord, zoals het bidden van Hanna, 1 Samuël 1:13. Maar is God misnoegd op Mozes omdat hij bidt? Neen, Hij doet deze vraag: Wat roept gij tot Mij?
a. Ter overtuiging van zijn geloof. "Waartoe houdt gij nog aan in uw smeking? Zij is reeds verhoord, er is al genoeg gezegd, spreek er niet meer van." Ik heb uw gebed aangenomen, staat er in het Chaldeeuws.
b. Om zijn ijver aan te vuren. Mozes had nog iets anders te doen dan te bidden, hij moest het bevel voeren over het leger van de Israëlieten, en hij moest nu op zijn post zijn. Alles is schoon op zijn tijd.
2. Wat hij Israël moest bevelen te doen: Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken. Sommigen denken dat Mozes niet zozeer gebeden had om Israëls redding (daarvan was hij zeker) als wel om vergeving voor hun murmureren, en dat Gods bevel om voorwaarts te gaan de aanduiding was van hun vergeving.
Wij kunnen niet goedsmoeds voorwaarts gaan of wij moeten de bewustheid hebben van verzoend te zijn met God. Mozes had hun gezegd vast te staan en orders van God te verwachten, en nu zijn die orders gegeven. Zij dachten dat zij bevel zouden ontvangen om of rechts of links te gaan. "Neen", zegt God, "zeg hun voorwaarts te gaan, regelrecht naar de zee", alsof er een vloot van transportschepen klaar lag, om hen over te voeren. Als wij ons op de weg van de plicht bevinden, dan moeten wij, al liggen er ook moeilijkheden op die weg, voorwaarts gaan en niet in stomme verbazing blijven staan. Wij moeten doen wat voor ons ligt, en de uitkomst overlaten aan God, de middelen gebruiken, en de uitslag er van voor Zijn rekening laten.
3. Wat hij verwachten kan dat God doen zal. Laat de kinderen Israëls zo ver zij kunnen op droge grond gaan, en dan zal God de zee klieven en er een doortocht voor hen in openen, vers 16-18 Het is Gods voornemen en bedoelen niet slechts om de Israëlieten te verlossen, maar ook om de Egyptenaars te verderven, en dienovereenkomstig is de beschikking van Zijn raad.
a. Hij zal gunst betonen aan Israël, de wateren zullen verdeeld worden om hen door te laten, vers 16. Dezelfde macht had de wateren voor hen kunnen doen stollen om er over heen te gaan, maar Gods oneindige wijsheid verkoos de wateren voor hen te verdelen of te klieven om hen er door heen te laten gaan, want altijd wordt die weg ter verlossing gekozen, die het meest verootmoedigend is. Zo wordt met het oog hierop gezegd: "Hij leidde hen door de afgronden. gelijk een beest dat afgaat in de valleien, en aldus heeft Hij zich een heerlijker naam gemaakt," Jesaja 63:13, 14
b. Hij zal aan Farao verheerlijkt worden. Als wij de verschuldigde eer niet geven aan de Heer, in wie en door wie wij leven, dan zal Hij de hand op ons leggen, en er voor zorgen dat Hij de Hem toekomende eer toch ontvangt. God zal door geen mens verliezen lijden. Daarom wordt hier gedreigd: Ik, zie Ik, zal het hart van de Egyptenaren verstokken. Die wijze van uitdrukking is opmerkelijk: Ik, zie Ik zal het doen. Ik, die het mag doen, dat is de taal van Zijn vrijmacht, wij mogen er niet toe meewerken om iemands hart te verstokken, en mogen niets nalaten dat tot verzachting er van kan bijdragen, maar Gods genade behoort Hem. Hij zal zich ontfermen, over wie Hij zich ontfermt, en wie Hij wil verhardt Hij. Ik, die het kan doen dat is de taal van Zijn almacht, niemand anders dan de Almachtige kan het hart week maken, Job 22:16, en evenmin kan iemand anders het hard maken. Ik, die het zal doen, want dat is de taal van Zijn gerechtigheid, het is rechtvaardig in God, diegenen onder de indruk van Zijn toorn te brengen, die lang de invloed van Zijn genade weerstaan hebben. Er wordt van gesproken bij wijze van een triomferen over zijn hardnekkige, laatdunkende rebel, "Ik, zie Ik, zal afdoende maatregelen nemen om hem te vernederen, hij die zijn hoofd niet wilde buigen, zal breken". Het is een uitdrukking zoals in Jesaja 1:24. "O wee! Ik zal Mij troosten over Mijn wederpartijders."
II. Een wacht gesteld over het leger van Israël aan de zijde, waar het nu het meest bloot lag, namelijk in de achterhoede, vers 19, 20. De engel Gods, van wiens dienst gebruik werd gemaakt in de wolk- en vuurkolom, vertrok van voor het leger van Israël, waar zij nu geen gids nodig hadden, (er was geen gevaar dat zij van de weg door de zee zouden afdwalen, en zij hadden ook geen ander woord van bevel nodig dan om voorwaarts te gaan) en ging achter hen waar zij nu een wachter nodig hadden, (de Egyptenaren waren reeds gereed hun achterhoede aan te vallen, en zo was dan de wolk- en vuurkolom een scheidingsmuur tussen hen. Daar was zij- namelijk de wolk- en vuurkolom-nuttig voor de Israëlieten, niet slechts om hen te beschermen, maar ook om hun licht te geven bij het heentrekken door de zee, en terzelfder tijd bracht zij de Egyptenaren in verwarring, zodat zij hun prooi uit het oog verloren juist op het ogenblik toen zij gereed stonden de handen aan hen te slaan. Het woord en de voorzienigheid van God hebben een zwarte en donkere zijde, die naar de zonde en de zondaren gekeerd is, maar een heldere, lieflijke zijde naar hen gericht, die waarlijk Israëlieten zijn. Hetgeen een reuk des levens ten leven is voor sommigen, is een reuk des doods ten dode voor anderen. Dit was niet de eerste maal, dat Hij, die in het begin "scheiding maakte tussen het licht en tussen de duisternis," Genesis 1:4, en ook nu nog beide formeert, Jesaja 45:7, terzelfder tijd duisternis heeft toebedeeld aan de Egyptenaren en licht aan de Israëlieten, een voorbeeld van het eindeloze onderscheid dat gemaakt zal worden tussen het erfdeel van de heiligen in het licht en de buitenste duisternis, die tot in eeuwigheid het deel zal zijn van de geveinsden. God zal het kostelijke van het snode uittrekken.