Jesaja 50:1-3
Zij, die beleden hebben tot het volk van God te behoren en toch schijnbaar streng behandeld worden, zijn geneigd om zich over God te beklagen en de schuld op Hem te leggen, alsof Hij hard tegen is. Maar in antwoord op hun murmureringen, hebben wij hier:
I. Een uitdaging aan hen om te bewijzen of met enige schijn van recht staande te houden dat de twist aan Gods zijde begon, vers 1. Zij konden niet zeggen dat Hij hun enig kwaad gedaan of willekeurig behandeld had.
1. Hij was als een echtgenoot voor hen geweest, en echtgenoten was de macht toegekend om hun vrouwen weg te zenden, wanneer zij enige afkeer van haar kregen en de vrouwen geen genade meer in hun ogen vinden konden, zij hadden haar dan alleen een scheidbrief te geven, Deuteronomium 24:1, Mattheus 19:7. Maar zij konden niet zeggen dat God hen zo behandeld had. Het is waar dat zij nu van Hem gescheiden waren, en reeds vele dagen hadden gezeten zonder efod, altaar en offer, maar aan wie de schuld? Zij konden niet zeggen dat God aan hun moeder een scheidbrief gegeven had, laat hen allen tonen indien zij kunnen, want een scheidbrief werd in handen gesteld aan haar, die weggezonden werd.
2. Hij was een vader voor hen geweest, en vaders hadden de macht hun kinderen als slaven aan hun schuldeisers te verkopen ter voldoening van de schulden, die zij op geen andere wijze betalen konden. Nu was het waar dat de Joden aan de Babyloniërs verkocht waren, en later aan de Romeinen, maar had God dat gedaan om Zijn schulden te betalen? Neen, Hij was aan geen van deze iets schuldig waarvoor Hij de Joden zou verkocht hebben. Hij had het gedaan maar om "geen waarde en Hij had hun prijs niet verhoogd," Psalm 44:13. Wanneer God Zijn kinderen kastijdt geschiedt dat niet omdat Hij er behagen in heeft, Hebreeën 12:10, noch omdat Hij er voordeel van trekt. Allen, die behouden worden, zijn gered door een voorrecht van genade, maar allen die verloren gaan worden afgesneden door een daad van goddelijke heiligheid en gerechtigheid, en niet door volstrekte soevereiniteit.
II. Een getuigenis wordt tegen hen ingebracht, aantonende dat zij zelf de bewerkers van hun ondergang waren. Ziet, om uw ongerechtigheden, om het genoegen dat gij daarin smaakt en om de bevrediging van uw lage lusten, zijt gij verkocht, of zoals sommigen lezen, daardoor hebt gij uzelf verkocht, niet zoals kinderen, die door hun ouders tot schulddelging verkocht worden, maar zoals misdadigers door de rechter verkocht werden om hen voor hun misdaden te straffen. Gil hebt uzelf verkocht om kwaad te doen, en daarom heeft God hen rechtvaardig aan hun vijanden verkocht, 2 Kronieken 12:8. Om uw overtredingen is uw moeder weggezonden, om haar overspel en afgoderij, die als wettige redenen voor echtscheiding opgegeven waren. De Joden waren naar Babel weggevoerd om hun afgoderij, deze zonde verbrak het huwelijksverbond, en tenslotte werden zij verworpen om de kruisiging van de Heere van de heerlijkheid. Om deze beide zonden werden zij weggevoerd, verkocht en verworpen.
III. De bevestiging van deze uitdaging en deze beschuldiging.
1. Het was duidelijk dat het hun eigen schuld was dat zij verworpen waren, want God kwam en bood hun Zijn gunst aan, reikte hun de helpende hand, zowel om hun beproevingen te voorkomen als om hen er uit te verlossen, maar zij ontvluchtten Hem en al de tekenen van Zijn genade. Legt gij de schuld op Mij, zegt God, zo zegt Mij dan: Waarom kwam Ik en daar was niemand, waarom riep Ik en niemand antwoordde? vers 2. God kwam tot hen door Zijn dienstknechten de profeten, en vroeg om de vruchten van Zijn wijngaard, Mattheus 21:34. Hij zond hun Zijn boden, "vroeg op zijnde en zendende," Jeremia 35:15. Hij riep hun toe om hun zonden te verlaten en zo hun ondergang te voorkomen, en er was niemand, of nagenoeg niemand, die enige acht sloeg op de waarschuwingen, hun door de profeten gegeven, niemand antwoordde op de roepstem van God of luisterde naar Zijn profeten en de boodschap die zij brachten, en dit was het waarom zij verkocht en weggevoerd waren. Zij spotten met de boden Gods en verachtten "Zijn woorden, daarom zond Hij tegen hen de koning van de Chaldeeën", Kronieken 36:16, 17.
De laatste van allen zond Hij tot hen Zijn Zoon, deze kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben hem niet aangenomen. Hij riep hen tot zich, maar niemandantwoordde. Hij wilde Jeruzalems kinderen bijeenvergaderen, maar zij hebben niet gewild. Zij kenden de dingen niet die tot hun vrede dienden, want zij wilden die niet kennen, evenmin als de dag van hun bezoeking. En om deze overtreding werden zij verworpen en werd hun huis hun woest gelaten, Mattheus 21:41. 23:37, 38, Lukas 19, 41, 42. Wanneer God de mensen tot zaligheid roept en zij willen niet komen, dan worden zij rechtvaardig aan de ellende overgelaten.
2. Het was duidelijk dat het niet aan God lag, want Hij is almachtig en kon hen van zo'n grote dood verlossen niet aan Christus, want Hij is machtig ook de diepstgevallene te redden. De ongelovige Joden in Babel dachten dat zij niet verlost werden, omdat hun God er niet toe in staat was, en zij die in Christus tijd leefden riepen: Zal deze man ons redden? Hij kan zichzelf niet eens verlossen! Maar, zegt God, is dan Mijn hand dus te kort geworden? Of is zij verzwakt? Kan aan de almacht enige grens gesteld worden? Kan de grote Verlosser niet verlossen? Of heeft Hij, wie alle macht gegeven is, daartoe geen macht? Om voor altijd elken twijfel aan Zijn macht met schaamte tot zwijgen te brengen, geeft Hij hier enige onweerlegbare bewijzen.
a. Hij kan als het Hem behaagt, door zijn schelden de zee droogmaken en de rivieren tot een woestijn stellen, Hij heeft dat gedaan toen Hij Israël uit Egypte leidde, Hij kan het weer doen om het uit Babel te verlossen. Het gebeurde op Zijn schelden, zo gemakkelijk als met een enkel woord, Hij kan de rivieren zo opdrogen dat de vis sterft en stinkt. Toen God de rivieren in Egypte in bloed veranderde sloeg Hij alle vis, Psalm 105:24. De uitdrukking, die onze Zaligmaker soms gebruikte om de macht des geloofs aan te duiden, dat het de bergen verzetten en in het hart van de zeeën zetten kan, is niet ongelijk aan onze tekst. Indien hun geloof dat doen kon, dan kon het hen ook redden en daarom waren zij niet te verontschuldigen indien zij door ongeloof verloren gingen.
b. Hij kan, indien Hij wil, de lichten des hemels doden, de hemel met zwartheid bekleden, een zak tot zijn deksel geven, door hem met dikke zwarte wolken te herdenken, Job 36:32, 37:16.