Mattheus 8:1-4
Het eerste vers verwijst naar het einde van de bergrede: het volk, dat Hem hoorde, ontzette zich over Zijne leer, en de uitwerking hiervan was, dat, toen Hij nu van den berg afgeklommen was, vele scharen Hem zijn gevolgd, hoewel Hij zo streng een Wetgever, en zo getrouw een Bestraffer was, hebben zij Hem ijverig gevolgd, en waren zij ongenegen om uiteen te gaan en Hem te verlaten. Zij, aan wie Christus zich heeft geopenbaard, kunnen niet anders dan verlangen om beter met Hem bekend te worden. Zij, die veel van Christus weten, moeten begeren nog meer van Hem te weten, en dan zullen wij kennen, indien wij aldus vervolgen, om den Heere te kennen. Het is liefelijk om de mensen Christus zo genegen te zien, dat zij denken nooit genoeg van Hem te kunnen horen, zo genegen voor het goede, dat zij samenstromen om ene goede prediking te horen, en het Lam willen volgen, waar het ook heengaat. Nu was Jakob's profetie betreffende den Messias vervuld, dat tot Hem de volken zullen vergaderd worden, toch hebben zij, die zich tot Hem vergaderden, Hem niet aangekleefd. Zij, die Hem trouw en gestadig volgen, waren betrekkelijk slechts weinigen, vergeleken bij de vele scharen, die slechts van verre volgden. In deze verzen hebben wij een bericht van Christus' reiniging van een melaatse. Uit de vergelijking met Markus 1:40, en Lukas 5:12, schijnt het, dat, hoewel Mattheus het feit plaatst na de bergrede, omdat hij eerst een bericht wilde geven van Zijne leer, en daarna van Zijne wonderen, het toch enigen tijd te voren heeft plaats gehad, maar dit is van generlei belang. Dit wordt zeer gepast vermeld met het eerste van Christus wonderen.
1. Omdat melaatsheid door de Joden beschouwd werd als een bijzonder teken van Gods ongenoegen, vandaar dat wij Mirjam, Gehazi, en Uzzia om de ene of andere bijzondere zonde met melaatsheid zien geslagen, en daarom is Christus, om te tonen, dat Hij is gekomen om den toorn Gods af te wenden door de zonde weg te doen, begonnen met de genezing van een melaatse.
2. Omdat, gelijk deze ziekte verondersteld werd onmiddellijk van de hand Gods te komen, evenzo verondersteld werd onmiddellijk door de hand Gods weggenomen te worden, daarom beproefde men ook niet haar door de artsen te doen genezen, maar werd zij onder het opzicht der priesters, des Heeren dienaren, gesteld, die wachtten om te zien wat God doen zou. En als kledingstukken, of de muren van een huis er door aangetast werden, dan was dit geheel bovennatuurlijk, ook was die kwaal, naar het schijnt, van een gans anderen aard dan de ziekte, welke wij heden ten dage melaatsheid noemen. De koning van Israël zei: Ben ik God, dat deze tot mij zendt, om een man van zijne melaatsheid te ontledigen? 2 Koningen 5:7. Christus bewees zich God te zijn, door velen van melaatsheid te ontledigen, en aan Zijne discipelen volmacht te geven hetzelfde te doen, Hoofdstuk 10:8, en het wordt opgegeven onder de bewijzen, dat Hij de Messias is, Hoofdstuk 11:5. Hij betoonde zich ook te zijn de Zaligmaker Zijns volks van hun zonde, want hoewel elke ziekte de vrucht en het beeld is der zonde, als wanorde der ziel, zo was dit toch zeer bijzonder zo ten opzichte van melaatsheid, want Zij bracht zulk ene verontreiniging mede, verplichtte tot zulk ene afscheiding van heilige dingen, als dit met gene andere ziekte het geval was, en daarom wordt zij in de desbetreffende wetten niet behandeld als ene ziekte, maar als ene onreinheid. De priester moest den persoon rein of onrein verklaren, overeenkomstig de kenmerkende verschijnselen, maar de eer, om de melaatsen rein te maken, was weggelegd voor Christus, die dit doen zou als de Hogepriester onzer belijdenis, Hij komt om te doen hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, Romeinen 8:3. De wet heeft zonde ontdekt (want door de wet is de kennis der zonde), en zondaren onrein verklaard, zij heeft hen besloten, Galaten 3:23, zoals de priester den melaatse, maar verder kon zij niet gaan, zij kon degenen, die daar toegaan niet heiligen. Maar Christus neemt de zonde weg, reinigt ons er van, en aldus volmaakt Hij in eeuwigheid degenen, die geheiligd zijn. Nu hebben wij hier:
I. De toespraak van den melaatse tot Christus. Indien dit gebeurde, zoals het hier voorgesteld wordt, na de bergrede, dan kunnen wij veronderstellen, dat de melaatse, hoewel door zijne ziekte buitengesloten uit de steden van Israël, toch onder het gehoor van Christus geweest is, en door Zijne rede bemoedigd werd om die bede tot Hem te richten, want Hij, die leerde als machthebbende, kon als machthebbende genezen. Daarom kwam hij en aanbad Hem, als Enen, bekleed met Goddelijke macht. Zijne aanspraak tot Hem luidt: "Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Die reiniging kan beschreven worden:
1. Als een tijdelijke zegen, een zegen voor het lichaam, het verlossende van ene ziekte, die, hoewel zij zijn leven niet bedreigde, het toch verbitterde. En zo leidt ons dit, niet slechts om tot Christus te gaan, die macht heeft over krankheden des lichaams, om ze te genezen, maar het leert ons tevens op wat wijze wij ons tot Hem moeten wenden, in de verzekerdheid Zijner macht gelovende, dat Hij in staat is ook thans krankheden te genezen, zoals toen Hij op aarde was, maar met onderworpenheid aan Zijn wil, Heere, indien Gij wilt, Gij kunt. Aangaande tijdelijke zegeningen kunnen wij niet zo zeker zijn van Gods wil om ze te schenken, als wij zijn kunnen van Zijne macht, want Zijne macht er voor is onbeperkt, maar Zijne belofte er van is beperkt, omdat daarbij in het oog moet worden gehouden wat strekken kan tot Zijne eer en verheerlijking, en ons wezenlijk welzijn. Als we niet zeker kunnen wezen van Zijn' wil, dan kunnen wij wèl zeker wezen van Zijne wijsheid en genade, waaraan wij ons gerust en goedsmoeds kunnen overgeven. Uw wil geschiede, dit maakt de verwachting gemakkelijk, en de gebeurtenis, als zij komt, troostrijk.
2. Als een typische zegen. Zonde is de melaatsheid der ziel, zij sluit ons uit van gemeenschap met God, en om daar wederom is hersteld te worden is het nodig, dat wij van die melaatsheid worden gereinigd, en dat behoort onze grote zorge te zijn. Het is ons ter vertroosting, als wij ons wenden tot Christus, den groten Geneesmeester, dat Hij, indien Hij wil, ons kan reinigen, en wij behoren met ene nederige, gelovige vrijmoedigheid tot Hem te gaan om Hem dit te zeggen. Dat is,
a. Wij moeten steunen op Zijne macht, wij moeten er van overtuigd zijn dat Christus ons kan reinigen. Gene schuld is zo groot die Zijne gerechtigheid niet kan verzoenen, geen bederf zo krachtig, die Zijne genade niet kan ten onder brengen. God zou voor Zijn hospitaal geen geneesheer willen aanstellen, die niet volkomen bekwaam en geschikt is voor zijne roeping.
b. Wij moeten ons Zijner barmhartigheid aanbevelen, wij kunnen het niet eisen als ene schuld, maar moeten het vragen als ene gunst: "Heere, indien Gij wilt. Ik werp mij aan Uwe voeten, en zo ik omkom, dan wil ik dáár omkomen".
II. Christus' antwoord op deze toespraak, hetwelk zeer vriendelijk was, vers 3.
1. Hij strekte Zijne hand uit en raakte hem aan. Melaatsheid was ene schadelijke, afzichtelijke ziekte, toch heeft Christus hem aangeraakt, want Hij heeft het niet beneden zich geacht om met tollenaren en zondaren te spreken ten einde hun goed te doen. Volgens de ceremoniële wet bracht de aanraking van een' melaatse verontreiniging mede, maar Christus heeft aangetoond, dat Hij, als Hij met zondaren sprak, niet in gevaar was van door hen besmet te worden, want de overste dezer wereld had aan Hem niets. Als wij pek aanraken, worden wij verontreinigd, maar Christus was afgescheiden van de zondaren, zelfs toen Hij onder hen leefde.
2. Hij zei: Ik wil, word gereinigd. Hij zei niet, gelijk Elisa tot Naäman: Ga heen, was u in de Jordaan, hij schreef hem gene vervelende, lastige, dure geneeskundige behandeling voor, maar sprak het woord en heelde hem.
a. Hier is een woord van vriendelijkheid: Ik wil, Ik ben even gewillig om u te helpen, als gij om geholpen te worden. Zij, die door het geloof tot Christus gaan om genade en barmhartigheid, kunnen er van verzekerd wezen, dat Hij bereid, gans gewillig is, hun de genade en barmhartigheid te schenken, om welke zij tot Hem komen. Christus is een Heelmeester, die niet gezocht behoeft te worden, Hij is altijd daar. Hij behoeft niet gedrongen te worden, terwijl wij nog spreken, hoort Hij. Hij behoeft niet beloond of bezoldigd te worden, Hij geneest om niet, zonder prijs en zonder loon. Hij heeft op alle mogelijke wijze getoond, dat Hij even gewillig als machtig is zondaren te behouden.
b. Een woord van macht: Word gereinigd. Door dit woord wordt zowel macht als gezag uitgeoefend. Christus geneest door een woord van bevel tot ons: Word gereinigd, " Wees gewillig om rein te worden, en gebruik de middelen, reinig u van alle onreinheid", maar met dat woord van bevel aan ons, gaat een woord gepaard, dat het werk doet, Ik wil dat gij rein zijt. Een woord als dit is nodig voor de genezing, en is er van kracht voor, en de almachtige genade, die het spreekt, zal niet ontbreken aan hen, die haar waarlijk begeren.
III. De gelukkige verandering, die er door gewrocht werd, hij werd terstond van zijne melaatsheid gereinigd. De natuur werkt langzaam en trapsgewijze, maar de God der natuur werkt onmiddellijk. Hij spreekt, en het is er, en Hij werkt krachtig en afdoend, Hij gebiedt, en het staat er. Een der eerste wonderen, door Mozes gewerkt, was het zich zelven van melaatsheid genezen, Exodus 4:7, want de priesters onder de wet offerden eerst offeranden voor hun eigene zonden, maar een der eerste wonderen van Christus was het genezen van eens anders melaatsheid, want zelf had Hij gene zonde, die verzoend moest worden.
IV. De voorschriften, die Christus hem daarna gaf. Het is voegzaam, dat zij, die door Christus zijn genezen, immer daarna door Hem geleid en bestuurd worden.
1. Zie, dat gij dit niemand zegt, " zeg het niemand voor gij u den priester hebt vertoond, en hij u rein heeft verklaard, en dan hebt gij het wettig bewijs èn dat gij tevoren melaats waart, èn dat gij thans volkomen gereinigd zijt". Christus wilde, dat Zijne wonderen in hun volkomen licht en met onomstotelijk bewijs zouden gezien worden, en zij moesten niet bekend worden gemaakt, voordat zij aldus gezien konden worden. Zij, die de waarheden van Christus prediken, moeten in staat zijn te bewijzen, te verdedigen wat zij prediken, en de tegensprekers te wederleggen. "Zeg het niemand, voordat gij u den priester getoond hebt, opdat, zo hij hoort wie u genezen heeft, hij niet weigert u een certificaat van de genezing te geven, en u alzo in gevangenschap houdt". In Christus' dagen waren de priesters van zulk een aard, dat zij, die iets met hen te doen hadden, voorzichtig moesten zijn als de slangen. 2. Ga heen, toon u zelven den priester overeenkomstig de wet, Leviticus 14:2. Christus zorgde er voor, dat de wet nageleefd werd, opdat Hij geen aanstoot zou geven, en ook om te tonen, dat Hij orde wilde bewaard zien, benevens goede tucht en eerbied voor hen, die in het ambt waren. Het kan nuttig zijn voor hen, die van hun geestelijke melaatsheid zijn gereinigd, dat zij zich tot Christus' dienstknechten begeven, hun zaak voor hen blootleggen, opdat zij hen kunnen bijstaan in hun onderzoek naar hun' geestelijken toestand, hun kunnen raden en troosten en voor hen bidden.
3. Offer de gave, die Mozes geboden heeft, ten teken van dankbaarheid aan God, en tot beloning van den priester voor zijne moeite, en dit hun tot ene getuigenis, hetzij
a. Dat Mozes geboden heeft tot ene getuigenis: de ceremoniële wetten waren getuigenissen van Gods gezag over hen, en tevens van die genade, welke later geopenbaard zou worden. Of wel,
b. Offer dit tot ene getuigenis, en laat de priester weten, wie u gereinigd heeft, en hoe Hij u gereinigd heeft, en het zal wezen tot een getuigenis, dat er Een onder hen is, die doet, wat de hogepriester niet kan doen. Laat het vermeld blijven als ene getuigenis van Mijne macht, en ene getuigenis voor Mij aan hen, indien zij het willen gebruiken en er hun voordeel mede willen doen, maar tegen hen, indien zij dit niet willen, " want aldus zijn Christus' woorden en werken getuigenissen.