Jesaja 49:18-23
Twee dingen worden hier beloofd, die ten dele vervuld zijn door de herleving van de Joodse kerk, na haar terugkeer uit de gevangenschap, maar meer bijzonder door de stichting van de Christelijke kerk door de prediking van het Evangelie van Christus, en wij mogen ons laten vertroosten door deze beloften.
I. Dat de kerk zal vervuld worden met grote menigten, die aan haar toegevoegd worden. In vers 17 was beloofd dat haar zonen zich tot haar zouden haasten, hier wordt de belofte uitgebreid en zeer aanmoedigend gemaakt. Zij bevat:
1. Dat menigten van alle kanten zich tot haar zullen vergaderen. Zie rondom u en bemerk hoe zij van alle zijden aankomen om zich met u te verenigen, vers 18 door zich bij de Joodse kerk te voegen. Zij komen van alle omliggende landen naar Jeruzalem, want dat was toen het middelpunt van hun vereniging. Maar onder het Evangelie is er een geestelijke toenadering tot het mystieke lichaam van Christus in geloof en liefde. Nu komen zij tot Jezus als tot de middelaar van het nieuwe verbond en daardoor tot "de berg Zion, de gemeente van de eerstgeborenen," Hebreeën 12:22, 23. "Heft uw ogen op en ziet hoe de velden wit zijn om te oogsten," Johannes 4:35 Het is de vreugde van de kerk om menigten van bekeerden tot Christus te zien.
2. Dat zij, die tot de kerk toegevoegd worden haar niet tot last en vloek zullen zijn, maar tot sterkte en heerlijkheid. Dit gedeelte van de belofte wordt met een eed bevestigd. Zo waarachtig, als Ik leef, spreekt de Heere, zeker zult gij u met alle deze als met een sieraad bekleden, de toevoeging van zulke menigten tot de kerk zal haar kleding volkomen maken, en wanneer zij die uitverkoren zijn, ook geroepen en toegebracht worden, zal de Bruid, de Vrouw van het Lam zich gereed gemaakt en sierlijk gekleed hebben, Openbaring 19:7. Zij zullen haar voorkomen lieflijk en aantrekkelijk maken, en de kerk zal hen zich aanbinden gelijk een bruid haar sieraden aanbiedt. Indien zij, die tot de kerk toegevoegd worden, ernstig en heilig zijn, en in hun belijdenis voorbeeldig, dan zijn zij haar sieraad.
3. Dat het land, hetwelk woest en verlaten was, en zonder inwoners lag, Jesaja 5:9-6 :11, opnieuw bevolkt zal worden, ja dat het overbevolkt zal zijn. Uwe woeste en eenzame plaatsen, die reeds zo langen tijd zo gelegen hebben, het land van uw verwoesting, dat met u in uw ondergang deelde en waarin niemand wonen wilde, zal nu zo vol volk zijn dat er geen plaats genoeg voor de inwoners is. Hier is een zegen genoemd die herinnert aan Maleachi 3:10. Het land zal niet vervuld worden met vijanden, er zal geen twist over de ruimte ontstaan gelijk tussen Abraham en Lot, ter oorzake van de Kanaänieten, neen, zij die u opslokten en bezit namen van uw land toen het u ontnomen werd zullen ver verwijderd zijn. Uw volk zal talrijk zijn, en er zal geen vreemdeling en geen vijand onder zijn. Zo zal het koninkrijk Gods onder de mensen, dat verarmd en bijna ontvolkt was, gedeeltelijk door het bederf van de Joodse kerk en gedeeltelijk door de gruwelen van de heidenen, opnieuw bevolkt en verrijkt worden door de oprichting van de Christelijke kerk en haar genade en heerlijkheid.
4. Dat de nieuw-bekeerden wonderlijk zullen toenemen en vermenigvuldigen Jeruzalem had een menigte van haar kinderen verloren door het zwaard, de honger en de gevangenschap, maar nu zal er in hun plaats een nieuw geslacht opgroeien, kinderen, die zij verkrijgt inplaats van degenen, waarvan zij beroofd was, vers 20, zoals Seth werd gesteld tot een zaad ter vervanging van Abel, en zoals de kinderen, met welke God Job zegende in plaats van die, welke onder de puinhopen van het huis omgekomen waren. God zal de verliezen van Zijn kerk aanvullen en zich een zaad verzekeren, dat Hem zal dienen. Het was beloofd aan de Joden na hun terugkeer, dat "Jeruzalem zou vervuld worden met jongens en meisjes spelende op de straten van de stad," Zacheria 8:5. De kerk zal, nadat zij de Joden verloren heeft, die door hun eigen ongeloof afgesneden werden, toch overvloed van kinderen hebben, meer dan zij had toen de Joden tot haar behoorden. Galaten 4:27. Zij zullen zo talrijk zijn dat:
a. De kinderen zich beklagen zullen over gebrek aan ruimte, zij zullen zeggen (en dat is aangenaam om te horen) dat hun aantal zo groeit dat de plaats te eng voor hen is, gelijk de zonen van de profeten daarover klaagden, 2 Koningen 6:1. Maar hoe eng de plaats ook zijn moge, steeds zullen er meer begeren toegelaten te worden, en de kerk zal hen gaarne toelaten, want de ongemakkelijke bekrompenheid van plaats zal toch niemand hinderen. Men zal tegen alle verwachting in, ondervinden dat wanneer "de armen, verminkten, kreupelen en blinden" binnengelaten zijn, er niet alleen voor dezen, maar nog voor vele anderen ruimte zijn zal, Lukas 14:21, 22.
b. De moeder zal verbaasd staan over deze toeneming van haar gezin, vers 21. Zij zal vragen: Wie heeft mij deze gegenereerd en wie heeft mij deze opgevoed? Zij komen tot haar met alle plichtgevoel, toegenegenheid en onderwerping van kinderen, en toch heeft zij ze zonder enige pijn of moeite verkregen, zij komen gereed en opgevoed tot haar. Dit is haar een aangename verrassing en het doet haar verwonderd staan met het oog op haar toestand nog niet lang geleden. De Joodse natie heeft haar kinderen achtergelaten, zij waren afgesneden en zij zelf was eenzaam, zonder altaar, ark en tempel-dienst, ja, ze was een gevangene, onophoudelijk her- en derwaarts gevoerd, in geheel ontredderden toestand, en het zag er niet naar uit dat ze nog kinderen zou gewinnen voor God of voor haarzelf. Zij was alleen in de duisternis overgelaten, het is Zion waar niemand naar omziet, achtergelaten in al de ellende en smart van de weduwlijken staat. Hoe zijn nu al die kinderen vervangen? Zie hier
Ten eerste. Dat de kerk niet altijd zichtbaar is, er zijn tijden dat zij verlaten, eenzaam en klein in getal overblijft.
Ten tweede. Dat ook haar eenzaamheid niet altijd duurt en dat het God nooit te moeilijk vallen zal haar te herstellen, en zelfs uit stenen Abraham kinderen te verwekken.
Ten derde. Dat Hij dit soms op verrassende wijze doet, alsof een volk op een dag geboren wordt, Jesaja 66:8.
II. Dit zal gedaan worden met behulp van de heidenen, vers 22. De Joden waren verworpen hoewel verwacht was dat de kerk onder hen opgebouwd worden zou, maar God zal voor zichzelf de aarde bezaaien, en zij zal een volle oogst voortbrengen, Hosea 2:22.
Merk op
a. Hoe de heidenen toegebracht zullen worden, God zal Zijn hand tot hen opheffen, om hen uit te nodigen of te wenken, de hand, die Hij de gehele dag tevergeefs tot de Joden uitgestrekt had, Jesaja 65:2. Of het beduidt de uitoefening van een alvermogende kracht, die van Zijn Geest en genade, om hen te dwingen in te gaan. dat is hen gewillig te maken. En Hij zal een banier onder hen opsteken, namelijk de prediking van het eeuwig Evangelie, en daarheen zullen zij zich vergaderen, daaronder zullen zij zich scharen.
b. Hoe zij zullen komen, Zij zullen uw zonen in de armen brengen, dat is: zij zullen de zonen van Zion, die onder hen gevonden worden, helpen in hun terugkeer naar hun eigen land, en zullen hen vooruithelpen met zoveel tederheid als ooit enige vader bewees aan een kind, dat zwak en hulpeloos was. God kan vrienden verwekken voor de terugkerende Israëlieten, zelfs onder de heidenen. "De aarde kwam de vrouw te hulp," Openbaring 12:16. Of, wanneer zij komen zullen zij hun kinderen medebrengen en die tot uw kinderen maken, verg. Hoofdstuk 60, 40. Vraagt gij, wie heeft mij deze gegenereerd en opgevoed? Weet dan dat zij verwekt en opgevoed zijn onder de heidenen, maar ze worden nu in uw gezin gebracht. Allen, die in betrekking staan tot jonge bekeerden en nieuw-beginnenden in de godsdienst, moeten leren hen zeer teder en zorgvol te behandelen, gelijk Christus de lammeren in zijn armen vergadert en in zijn schoot draagt.
III. De kerk zal grote en voorkeur-gevende belangstelling van de volken genieten, vers 23. Sommigen van de vorsten van de volken zullen beschermers en begunstigers van de kerk worden, koningen zullen uw voedsterheren zijn, om uw zonen in hun armen te dragen, vers 21, gelijk eens Mozes deed, Numeri 11:14. En omdat vrouwen in het zogen haar schoonste tederheid tonen, zullen hun vorstinnen uw zoogvrouwen zijn. Deze belofte werd gedeeltelijk vervuld bij van de Joden terugkeer uit de gevangenschap, verscheidene van de koningen van Perzië waren zeer zorgzaam voor hun belangen, ondersteunden en bemoedigden hen, zoals Cyrus, Darius en Arthaxerxes. De koningin Esther was een zoogvrouw voor de Joden, die in de gevangenis bleven, zij stelde haar leven in haar hand om de kinderen van het verderf te redden. Na lange gevangenschap was de Christelijke kerk zo gelukkig zulke koningen en koninginnen te hebben als Constantijn de Grote en zijn moeder Helena, en later keizer Theodorus en anderen, die de kerk verpleegden met alle mogelijke tederheid en zorgvuldigheid. Wanneer ook de scepter in handen van godsdienstige vorsten is gesteld, werd deze belofte vervuld. De kerk is in de wereld in een staat van kindsheid, en het staat in de macht van vorsten en overheden haar veel dienst te bewijzen, het is gelukkig wanneer zij dat doen, want hun macht is dan een lof voor hen, die weldoen.
b. Anderen van hen, die er bij volharden om de belangen van de kerk tegen te werken, zullen gedwongen worden zich te onderwerpen en zich hun tegenstand te berouwen, zij zullen zich voor u buigen en het stof uwer voeten likken. De beloften aan de gemeente te Filadelfia schijnt aan deze profetie ontleend te zijn: Ik zal maken dat die van de synagoge des Satans zijn, zullen komen en aanbidden voor uw voeten," Openbaring 3:9. Of er kan mee bedoeld zich de vrijwillige onderwerping, waarmee koningen en koninkrijken hulde zullen brengen aan Christus, de koning van de kerk, wanneer Hij zich in de kerk openbaart, Psalm 72:12. "Alle koningen zullen voor Hem knielen.
c. Door dit alles zal duidelijk worden dat God de Heere is, de almachtige Heere van allen, tegen wie niemand kan opstaan en staande blijven. En
d. Dat zij, die op Hem wachten in stille afhankelijkheid van zijn belofte en onderwerping aan zijn wil, nooit in hun hoop zullen beschaamd worden, want het visioen des vredes is voor een bepaalden tijd en tenslotte zal het spreken en niet liegen.