Lukas 14:15-24
Hier is nog ene rede van onzen Heiland, waarin Hij den maaltijd, waaraan Hij genodigd was, geestelijk maakt, hetgeen ook een middel is om onder de gewone handelingen des levens onze gesprekken heilig te doen zijn.
I. De aanleiding tot deze rede werd gegeven door een der aanzittende gasten, die, toen Christus regelen aanwees voor het houden van maaltijden, tot Hem zei: Zalig is hij, die brood eet in het koninkrijk Gods, vers 15, hetgeen, naar sommigen ons zeggen, een gewone spraakwijze was onder de rabbijnen.
1. Maar met welk doel haalt deze man hier dit gezegde aan?
a. Wellicht heeft hij, bemerkende, dat Christus eerst de gasten en daarna den heer des huizes bestrafte, en vrezende dat dit het gezelschap zou ontstemmen, dit gezegd om het gesprek af te leiden. Of:
b. Vol van bewondering voor de goede regelen van ootmoed en barmhartigheid, die Christus hun thans had gegeven, maar er aan wanhopende om ze in den tegenwoordigen, zeer ontaarden staat van zaken in beoefening te zien gebracht, verlangt hij naar het koninkrijk Gods, waarin deze en andere goede wetten de overhand zullen hebben, en spreekt hij hen zalig, die ene plaats in dit koninkrijk zullen hebben. Of:
c. Christus van de opstanding der rechtvaardigen gesproken hebbende als ene vergelding voor daden van barmhartigheid jegens de armen, stemt hij in met wat Hij gezegd had: "Ja, Heere, zij, die vergelding zullen ontvangen in de opstanding der rechtvaardigen, zullen brood eten in het koninkrijk, en dat is een grotere vergelding, dan een tegenuitnodiging te ontvangen aan de tafel van den aanzienlijkste op aarde". Of:
d. Bemerkende dat Christus zwijgt, na de voorafgaande lessen gegeven te hebben, wenste hij nog verdere gesprekken van Hem uit te lokken, omdat hetgeen Hij reeds gezegd had, hem zo wonder- veel genoegen had gedaan, en hij wist niets, dat Hem meer waarschijnlijk tot spreken zou opwekken, dan de vermelding van het koninkrijk Gods. Zelfs zij, die zelf de gaven niet hebben om een goed gesprek gaande te houden, behoren nu en dan eens een woord te zeggen om het te ondersteunen en te bevorderen.
2. Wat deze man nu zei was een duidelijke en erkende waarheid, en zij werd gepast aangehaald, nu zij aan den maaltijd waren, want wij moeten uit de gewone dingen aanleiding nemen om te denken aan en te spreken van die hemelse en geestelijke dingen, die er in de Schrift mede vergeleken worden, want dat is een der doeleinden, waarvoor wij er gelijkenissen aan ontlenen. En het zal ons goed wezen om, als wij de gaven van Gods voorzienigheid ontvangen, door die gaven heen te zien naar de gaven Zijner genade, de betere dingen. Deze gedachte zal zeer ter gelegener tijd wezen, als wij spijze gebruiken ter verkwikking van het lichaam. Zalig is hij, die brood eet in het koninkrijk Gods. a. In het koninkrijk der genade, in het koninkrijk van den Messias, dat verwacht werd binnenkort opgericht te zullen worden.
b. In het koninkrijk der heerlijkheid, bij de opstanding. De zaligheid des hemels is een eeuwigdurendfeest, zalig zijn zij, die daar zullen aanzitten aan het feestmaal, waarvan zij niet meer opstaan.
II. De gelijkenis, die onze Heere Jezus bij die gelegenheid heeft voorgesteld, vers 16, enz. Christus stemt in met den man in hetgeen hij gezegd heeft: "Het is zeer waar, zalig zijn zij, die delen zullen in de voorrechten van het koninkrijk van den Messias. Maar wie zijn zij, die van dat voorrecht zullen genieten? Gij, Joden, die er alleen recht op meent te hebben, zult het over het algemeen verwerpen, en de heidenen zullen er het meest in delen". Dit toont Hij aan in ene gelijkenis, want, indien Hij dit in duidelijke, eenvoudige woorden had uitgesproken, zouden de Farizeeën het niet verdragen hebben. In deze gelijkenis nu kunnen wij opmerken:
1. De vrije genade en goedertierenheid van God, uitblinkende in het Evangelie van Christus. Het blijkt:
a. In de rijke voorziening, die Hij heeft gemaakt voor arme zielen, voor hun voeding, hun verkwikking en hun onderhoud, vers 16. Een zeker mens bereidde een groot avondmaal. Er is in Christus en in de genade van het Evangelie hetgeen voedsel en een feestmaal is voor de ziel van den mens, die haar eigen vatbaarheden kent, voor de ziel van een zondaar, die hare behoefte kent en hare ellende. Het wordt genoemd een avondmaal, omdat in die landen de avondmaaltijd de voornaamste was, omdat hij genoten werd als het werk van den dag was afgelopen. De openbaring der Evangeliegenade aan de wereld was de avond van den dag der wereld, en de genieting van de volheid dier genade, die in den hemel is weggelegd, wordt bewaard voor den avond van onzen dag.
b. In de genaderijke uitnodiging, die ons is gegeven om te komen en in die voorziening te delen. Hier is: Een algemene uitnodiging: "Hij noodde er velen". Christus heeft het ganse volk der Joden genodigd, om in de voorrechten en weldaden van Zijn Evangelie te delen. Er is voorraad genoeg voor allen, die komen, het werd voorzegd als een maaltijd voor alle volken. Jesaja 25:6. Gelijk Christus in Zijn Evangelie een goed, rijk huis houdt, zo houdt Hij ook een open huis. Een bijzondere kennisgeving, toen de tijd voor het avondmaal nabij was, werd de dienstknecht uitgezonden om hen er aan te herinneren: Komt, want alle dingen zijn nu gereed. Toen de Geest werd uitgestort en de Evangeliekerk was geplant, werden zij, die tevoren reeds waren uitgenodigd, nu meer gedrongen om toch terstond te komen. Alle dingen zijn nu gereed, de volle ontdekking der Evangelieverborgenheid is gedaan, alle inzettingen des Evangelies zijn ingesteld, het gezelschap der Christenen is nu ingelijfd, en, hetgeen de kroon is van alles, de Heilige Geest is nu gegeven. Dit is de roepstem, die thans tot ons komt: Alle dingen zijn nu gereed: nu is het de welaangename tijd, het is nu, en was nog niet lang, het is nu, en zal niet lang meer zijn, het is een tijd van genade, die spoedig voorbij zal zijn, daarom komt nu, stelt niet uit, neemt de uitnodiging aan, gelooft dat gij welkom zult zijn: Eet, vrienden, drinkt, en wordt dronken, o liefsten. Hooglied 5:1.
2. Het koele onthaal, dat aan de genade des Evangelies te beurt valt. De genode gasten weigerden te komen. Zij zeiden niet ronduit of botweg, dat zij niet wilden komen, maar zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen, vers 18. Men zou gedacht hebben dat zij allen eendrachtelijk tot een goed avondmaal zouden gekomen zijn, nu zij er zo vriendelijk toe uitgenodigd waren, wie zou zulk een uitnodiging afwijzen? Maar integendeel, allen vonden zij het een of ander voorwendsel om zich van de uitnodiging af te maken. Dit ziet op het algemeen verzuim der Joodse natie om zich bij Christus te voegen en de aanbiedingen Zijner genade aan te nemen, alsmede hun minachting voor de uitnodiging. Het geeft ook de onwilligheid te kennen van de meeste mensen om aan de roepstem des Evangelies gehoor te geven. Zij schamen zich om voor hun weigering uit te komen, maar zij wensen voor verontschuldigd gehouden te worden, zij allen-ato mias, -sommigen vullen den zin aan met- ooras -allen terstond. Zij konden voor de vuist antwoorden, en behoefden er niet over na te denken, behoefden hun antwoord niet vooraf te overleggen, zij behoefden gene verontschuldiging te zoeken. Anderen vullen hem aan met gnoomês, zij waren eenstemmig. Hier waren twee kopers, die zoveel haast hadden om heen te gaan en hun koop te bezien, dat zij geen tijd konden vinden voor dit avondmaal. De een had land gekocht. Hij had een akker gekocht, die hem als een goede koop was voorgesteld, en hij moet gaan zien, of dit al of niet zo was, en daarom: ik bid u, houd mij voor verontschuldigd, Zijn hart was zo gezet op de vergroting van zijn bezit, dat hij noch beleefd kon zijn jegens zijn vriend, noch goed kon zijn voor zich zelven, Zij, wier hart vervuld is van de wereld, en die zo gaarne huis aan huis trekken, en akker aan akker brengen, hebben dove oren voor de nodiging des Evangelies. Maar welk een beuzelachtige verontschuldiging! Hij zou de bezichtiging van dien akker wel hebben kunnen uitstellen tot den volgenden dag, en hem dan nog wel op dezelfde plaats en in dezelfden toestand gevonden hebben, waarin hij nu was. Een ander had levende have gekocht voor zijn land, ik heb vijf juk ossen gekocht voor den ploeg, en ik moet gaan zien of zij geschikt zijn voor mijn doel, en daarom houd mij ditmaal voor verontschuldigd. De eerste duidt aan het overmatige behagen in de wereld, deze de overmatige zorg en bezorgdheid ten opzichte van de wereld, die de mensen van Christus en Zijne genade afhouden. Beiden geven te kennen een voorkeur aan het lichaam boven de ziel, aan de dingen des tijds boven die der eeuwigheid. Het is zeer slecht om, als wij geroepen worden tot een plicht, met verontschuldigingen aan te komen om hem te verzuimen, het is een teken dat wèl de overtuiging er is, dat het een plicht is, maar niet de gezindheid om hem te volbrengen. Die dingen, welke hier als verontschuldigingen worden aangevoerd, waren:
a. Kleine dingen, en van weinig belang. Het zou voegzamer geweest zijn te zeggen: "Ik ben uitgenodigd om brood te eten in het koninkrijk Gods, en daarom moet ik voor verontschuldigd gehouden worden om den akker of de ossen te gaan bezien." Geoorloofde dingen. Dingen, die op zichzelf goed en geoorloofd zijn, blijken, als het hart er al te veel op wordt gezet, noodlottige hinderpalen voor den Godsdienst te zijn-Licitus perimus omnes. Het is moeilijk om onze wereldse zaken zo in te richten, dat zij ons niet van onze geestelijke belangen afhouden, en dat behoort onze grote zorg te zijn.
b. Hier was iemand, die pas getrouwd was, en zijne vrouw niet kon verlaten, om naar een avondmaal te gaan, neen zelfs niet voor een enkele maal, vers 28. Ik heb ene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. Hij beweert dat hij niet kan, maar de waarheid is dat hij niet wil. Zo wenden velen onbekwaamheid, onmacht, voor, om de plichten van den Godsdienst te volbrengen, terwijl zij er in werkelijkheid tegenzin in hebben. Hij heeft ene vrouw getrouwd. Het is waar, den pas gehuwden werd door de wet toegestaan om in hun eerste huwelijksjaar niet naar den krijg te gaan, Deuteronomium 24:5, maar zou dit hem ook vrijstellen om op te gaan tot de feesten des Heeren, die door alle mannen jaarlijks moesten bijgewoond worden? En nog veel minder zal het een verontschuldiging zijn om tot het evangeliefeest te gaan, waarvan de anderen slechts de typen waren. De genegenheid, die wij onzen bloedverwanten toedragen, blijkt maar al te dikwijls een hindernis voor onzen plicht jegens God. Adam verontschuldigde zich met: de vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, overreedde mij te eten, hier was het: De vrouw overreedde mij niet te eten. Hij zou hebben kunnen gaan en zijne vrouw medegenomen hebben, zij zouden beiden welkom geweest zijn.
3. Het bericht, dat den heer van het feest gegeven werd omtrent de belediging, hem aangedaan door zijne vrienden, die hij genodigd had, en die hem nu toonden, hoe weinig zij hem waardeerden, vers 21. Die dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer, zei hem met verbazing dat hij waarschijnlijk wel alleen zou blijven voor zijn avondmaal, want de gasten, die genood waren, hadden het nu te druk met hun zaken, hoewel zij intijds gewaarschuwd waren, en er hun bezigheden dus naar hadden kunnen schikken. Hij stelde de zaak niet erger en niet beter voor dan zij was, maar verhaalde nauwkeurig hoe het er mede gelegen was. Evangeliepredikers moeten verslag doen van den uitslag hunner bediening. Zij moeten het nu doen voor den troon der genade. Indien zij zien van den arbeid hunner ziel moeten zij met dankzegging tot God gaan, indien zij tevergeefs arbeiden, moeten zij tot God gaan met hun klacht. Zij zullen het hiernamaals doen voor den rechterstoel van Christus, zij zullen als getuigen voorgebracht worden tegen hen, die volharden in hun ongeloof en er in omkomen, om te bewijzen dat zij behoorlijk uitgenodigd zijn geworden, en voor hen, die de uitnodiging hebben aangenomen: Zie, mij en de kinderen, die Gij mij hebt gegeven. De apostel voert dit aan als een reden, waarom de mensen het oor moeten lenen aan het woord van God, dat hun door Zijne dienstknechten wordt gezonden, want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen, Hebreeën 13:17.
4. Des meesters rechtvaardigen toorn over deze belediging: Toen werd de heer des huizes toornig, vers 21. De ondankbaarheid van hen, die op de evangelie-aanbiedingen geen acht slaan, en de smaad, dien zij hierdoor den God des hemels aandoen, verwekken Hem grotelijks tot toorn, en met recht. Misbruikte genade brengt den grootsten toorn teweeg. Het oordeel, dat hij over hen uitsprak was: Niemand van die mannen, die genood waren, zal mijn avondmaal smaken. Dit was gelijk het vonnis, dat over het ondankbare Israël geveld werd, toen zij het schone, lieflijke land hebben veracht: God heeft gezworen in Zijn toorn: Zo zij in Mijne rust zullen ingaan! Genade veracht is genade verbeurd, zoals Ezau's geboorterecht. Zij, die Christus niet willen hebben als zij Hem kunnen hebben, zullen Hem niet hebben als zij Hem zouden willen hebben. Zelfs zij, die genood waren, zullen, als zij de nodiging gering achten, afgewezen worden, als de deur eenmaal gesloten is, zal aan de dwaze maagden de toegang geweigerd worden.
5. Hoe er zorg werd gedragen, dat de tafel voorzien werd van gasten, zowel als van spijzen. Ga - zegt hij tot den dienstknecht-ga eerst in de straten en wijken der stad, en nodig, niet de kooplieden, die van pakhuis of markt terugkeren, noch de winkeliers, die nu hun winkels sluiten, zij zullen voor verontschuldigd gehouden willen worden, de een gaat naar zijn kantoor om zijne boeken op te maken, een ander gaat naar de herberg om met een vriend een fles wijn te drinken. Maar nodigt hen, die zeer gaarne zullen komen: de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden, de gewone bedelaars." De dienstknecht maakt niet de tegenwerping, dat het een schande zal zijn voor den meester en zijn huis om zulke gasten aan zijne tafel te hebben, want hij kent zijne bedoeling, en weldra zijn er zeer veel van zulke gasten in huis gebracht. Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt. Velen van de Joden zijn toegebracht niet van de schriftgeleerden en Farizeeën, zoals die, met welken Christus thans aanzat, en die er zeker van waren gasten te zullen zijn aan de tafel van den Messias, maar tollenaren en zondaren, dat zijn de armen en verminkten. Maar nog is er plaats voor meer gasten, en spijze genoeg voor allen. Ga dan, in de tweede plaats, in de wegen en heggen. "Ga uit op het land, en vergader de zwervelingen, of hen, die nu in den avond huiswaarts keren van hun dagwerk op den akker van het maken van heggen of het graven van sloten, en dwing hen in te komen, niet door geweld van wapenen, maar door kracht van betoog. Spreek ijverig en dringend met hen, want het zal nodig zijn hen er van te overtuigen, dat de uitnodiging oprecht gemeend is en geen scherts. Zij zullen bedeesd en bescheiden zijn, zij zullen nauwelijks geloven dat zij welkom zullen zijn, dring dus sterk bij hen aan, en ga niet van hen weg, voor gij hen overtuigd en ge wonnen hebt." Dit ziet op de roeping der heidenen, tot wie de apostelen zich moesten keren, als de Joden de aanbieding zouden afslaan, en met hen is de kerk gevuld. Merk hier nu op:
a. Dat de voorziening, die er in het Evangelie voor kostelijke zielen gemaakt is, blijken zal niet tevergeefs te zijn gemaakt, want, zo sommigen haar verwerpen, anderen zullen haar dankbaar aannemen. Christus vertroost er zich mede, dat hoewel "Israël zich niet zal laten verzamelen, Hij nochtans zal verheerlijkt worden, en een licht der heidenen zal zijn", Jesaja 49:5, 6. God zal ene kerk in de wereld hebben, hoewel er sommigen uit de kerk gestoten zullen worden, want de ongelovigheid van den mens zal het geloof van God niet tenietdoen.
b. Dat zij, die zeer arm en gering zijn in de wereld, aan Christus even welkom zullen wezen als de rijken en aanzienlijken, ja meer, menigmaal is het Evangelie het voorspoedigst geweest onder hen, die arbeiden onder zeer ongunstige omstandigheden, zoals de armen, en lichaamskranken, zoals de verminkten en de kreupelen en blinden. Christus verwijst hier duidelijk naar hetgeen Hij even tevoren gezegd had ter onzer besturing, om armen, verminkten, kreupelen en blinden aan onze tafel te nodigen, vers 13. Want de overweging van den steun, dien Christus' Evangelie geeft aan de armen, moet ons aansporen om liefderijk en barmhartig jegens hen te zijn. Zijn neerbuigende goedheid jegens hen en Zijn mededogen met hen moet de onze opwekken.
c. Dat het Evangelie dikwijls de heerlijkste uitwerking heeft op hen, van wie men dit het minst waarschijnlijk zou geacht hebben, en van wie men niet zou gedacht hebben, dat zij er zich ooit aan zouden onderwerpen. De tollenaren en hoeren zijn voor de schriftgeleerden en Farizeeën ingegaan in het koninkrijk Gods, en zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten. Laat ons niet zo gerust zijn omtrent hen, die het ijverigst schijnen te zijn, en zo ver gevorderd, en laat ons niet wanhopen aan hen, die zo weinig verwachting van zich geven.
d. Dat Christus' dienstknechten zeer vaardig en zeer dringend moeten zijn in hun uitnodiging tot den Evangeliemaaltijd: Ga haastelijk uit, vers 21, verlies geen tijd, want alle dingen zijn nu gereed. Roept hen om heden te komen, terwijl het nog heden genaamd wordt, en dwingt hen in te komen, door hen vriendelijk toe te spreken en hen te trekken met mensenzielen, met touwen der liefde. Niets kan ongerijmder wezen dan om hieraan een argument te ontlenen voor gewetensdwang in zaken den Godsdienst betreffende: "Gij moet deelnemen aan des Heeren Avondmaal, of gij zult beboet of gevangen gezet worden, of uwe bezittingen, uw vermogen verliezen." Voorzeker was het niets van dien aard, dat hier met dwingen bedoeld wordt, maar wèl wordt liefde en overreding bedoeld, want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk.
e. Hoewel er velen ingebracht zijn om in de voordelen en weldaden van het Evangelie te delen, toch is er nog plaats, want de rijkdom van Christus is onnaspeurlijk en onuitputtelijk, er is in Hem genoeg voor allen, en genoeg voor ieder, en het Evangelie sluit niemand uit, dan die zichzelf buitensluit. f. Hoewel Christus' huis groot is, zal het toch ook vol zijn, het zal vol zijn, als het getal der uitverkorenen compleet is, en zo velen als Hem gegeven zijn, tot Hem gebracht zullen wezen.