Jesaja 48:9-15
De verlossing van Gods volk uit de Babylonische gevangenschap was in vele opzichten zo onwaarschijnlijk, dat er voortdurend herhaling van de belofte moest zijn ter aanmoediging van het geloof en de hoop op God ten aanzien van deze zaak. Twee dingen waren ontmoedigend voor hen, hun eigen onwaardigheid dat God zo iets voor hen doen zou, en de vele bezwaren van de zaak zelf. In deze verzen worden deze beide ontmoedigingen uit de weg geruimd.
Hier is.
I. Een reden, waarom God het voor hen doen zou ofschoon zij het onwaardig waren, niet om hunnentwil-dat moeten zij goed weten- maar om Zijns naams wil, om Zijns roems wil, om Zijnentwil, vers 9, 10-11.
1. Het is waar: zij zijn zeer tergend geweest, en God was terecht toornig op hen geweest, hun gevangenschap was de straf voor hun ongerechtigheid. Indien Hij hen in Babylon gebracht had en hen daar had laten wegteren en verloren gaan, indien Hij de verwoesting van hun land onherstelbaar gemaakt had, dan had Hij hen slechts overeenkomstig hun zonden behandeld het zou slechts zijn wat een zondig volk van een toornige God verwachten kon. Maar, zegt God: Ik zal Mijn toorn langer uitstellen, of onderdrukken, Ik zal Mij bedwingen. Ik zal tonen dat Ik traag tot toorn ben, Ik zal niet alles wat rechtvaardig zou zijn over u uitstorten, want dan zou Ik u afsnijden dat gij geen volk meer waart. En waarom zal God aldus zijn hand terughouden? Om Mijns naams wil, want dat volk was naar Zijn naam genoemd, het deed belijdenis van Zijn naam, en indien zij afgesneden werden zouden de vijanden die naam lasteren. Het is tot Mijn eer, want het zal de eer van Mijn barmhartigheid verhogen, indien Ik hun spaar en herstel. En indien Hij voortging hen Zijn volk te doen zijn, zouden zij Hem daarvoor tot een naam en tot een roem zijn.
2. Het is waar dat zij zeer bedorven en slecht waren, maar God zelf zou hen reinigen en hen geschikt maken voor de barmhartigheid, die Hij voor hen bestemd had. Ik heb u gelouterd, opdat gij Mij een vat ter ere zoudt zijn. Ofschoon Hij zag dat zij voor die gunst niet geschikt waren, zou Hij het hen maken. En dit is de reden waarom Hij hen in moeite bracht en hen er zolang in liet, het was niet om hen af te snijden maar om hun goed te doen. Het was om hen te louteren, niet gelijk zilver, of met zilver, niet zo grondig als de mensen het zilver louteren, dat zij voortgaan in de smeltkroes te louteren totdat het laatste vuil er uit weggedaan is, want indien God hen op die wijze behandelde zouden zij onophoudelijk in de smeltkroes zijn, want allen zijn zij onrein, en mogen als zodanig rechtvaardig weggeworpen worden, Psalm 119:119, als onbruikbaar zilver, Jeremia 6:30. Daarom neemt Hij hen zijn als zij zijn, gedeeltelijk maar niet geheel en al gelouterd. Ik heb u gekeurd in de smeltkroes van de ellende, dat is: Ik heb u gekozen na het goed, dat de ellende u gedaan heeft, en u bestemd voor grote dingen. Velen zijn door God thuis gebracht als uitverkoren vaten, nadat een goed werk van de genade in hen begonnen was in de smeltkroes van de ellende. De beproeving is Gods welbehagen niet, maar moet zijn oogwerk dienen.
3. Het is waar dat zij niet konden beweren van Gods hand zo groot een gunst te verdienen. als de verlossing uit Babel was, welke zo'n eer op hen zou leggen en hun zoveel vreugde bereiden zou, daarom zegt God: Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, vers 11. Ziet hoe de nadruk daarop gelegd wordt, want dat is een reden die niet falen kan en daarom kan het besluit, dat daarop gegrond is, niet ter aarde vallen. God zal het doen, niet omdat Hij hun zo'n gunst verschuldigd is, maar om de eer van Zijn eigen naam te redden, opdat die niet moge bevlekt worden door onbeschaamde triomfen van de heidenen, die, wanneer zij over Israël zegevierden, meenden dat zij de God van Israël overwonnen hadden, en zich verbeeldden dat hun goden Hem te sterk waren. Dit was duidelijk de inhoud van Belsasars lofzangen, toen hij de heilige vaten uit Gods tempel ontheiligde, terwijl hij zijn goden prees, Daniël 5:2. En evenzo van het verzoek van de Babyloniërs in Psalm 137:2 :Zingt ons een van de liederen Zions! God zal dus zijn volk bevrijden omdat Hij niet duldt dat zijn eer aan een ander gegeven wordt. Mozes pleitte daarop meermalen bij God: Wat zullen de Egyptenaren zeggen? God is naijverig op de eer van Zijn naam, en zal niet toelaten dat de toorn des mensen, verder gaat dan dienstig is tot Zijn eer. En dit is een bron van troost voor Gods volk, dat wat hun ook overkomt, God voor Zijn eigen eer zal zorgen en dat Hij, zover dat nodig is, verlossing voor hen zal bewerken.
II. Hier is het bewijs dat God dit voor hen doen kon, ofschoon zij onmachtig waren om zichzelf te helpen, en de gehele zaak volkomen onuitvoerbaar scheen te zijn. Laat Jakob en Israël hiernaar horen, het geloven en er troost uit scheppen. Zij zijn Gods geroepenen, geroepen volgens Zijn voornemen, door Hem uit Egypte geroepen, Hosea 11:1, en nu uit Babel, een volk, dat Hij met onderscheidende genade bij name roept. Zij zijn Zijn geroepenen, want zij zijn tot Hem geroepen en genoemd naar Zijn naam en de Zijnen genoemd. En daarom zal Hij op hen letten, en zij kunnen ervan verzekerd zijn, dat Hij hen om Zijnentwil zal verlossen, en dat Hij het doen zal door Zijn eigen kracht, zodat zij niet behoeven te vrezen, want:
1. Hij alleen is God, en de eeuwige God, vers 12. Ik ben het, die kan doen wat mij behaagt, en zal doen wat het beste is, Ik: met wie niemand zich kan vergelijken, nog minder kan gelijk staan. Ik ben de eerste en Ik ben de laatste. Wie is zo vlug dat hij Hem vóór kan zijn? Wie kan Hem tegenhouden, die de laatste is en het veld behoudt tegen al Zijn tegenstanders en regeren zal totdat alle vijanden tot een voetbank van Zijn voeten gezet zijn? Welke reden blijft er dan over om aan hun verlossing te twijfelen, zo Hij haar onderneemt, wiens voornemens geheel volmaakt moeten zijn, want Hij is de eerste, en zeker uitgevoerd zullen worden, want Hij is de laatste. Het werk van die God is volmaakt.
2. Hij is de God, die de wereld gemaakt heeft, en Hij die dat deed, kan alles doen wat Hem behaagt, vers 13. Zien wij onder ons, dan bemerken wij dat de aarde bevestigd is, en daardoor gevoelen wij dat zijn hand haar grondslagen gelegd heeft. En zien wij omhoog dan bemerken wij dat de hemelen als een tent boven onze hoofden uitgespannen zijn, en het was Zijn hand, die hen uitgespreid heeft, en dat deed op zo nauwkeurige wijze als de werkman zijn werk met de palm afmeet. Dit toont aan dat God onbegrensd is en de grootste en uitgestrektste plannen volvoeren kan. Indien de palm van Zijn rechterhand voldoende was om de hemelen uit te breiden, hoe groot is dan de macht van Zijn uitgestrekten arm! Ja, dit is nog niet alles, Hij heeft niet alleen de hemelen en de aarde gemaakt, en is dus almachtig als onze hulp en ons vertrouwen, Psalm 124:8, maar Hij heeft het bevel over alle heirscharen. Als Hij hen oproept in Zijn diensten hen wil uitzenden tot Zijn werk, staan zij alle gereed, zij komen op Zijn oproeping, zij antwoorden op hun namen: Hier zijn wij, wat wilt Gij dat wij doen zullen? Zij staan gereed, niet alleen uit eerbied voor hun Schepper, maar uit bereidvaardigheid om Zijn bevelen te volbrengen, zij staan in volmaakte onderlinge overeenstemming gereed, de een met de ander mededingende en de een de ander helpende in de dienst van hun Maker. Indien God dus Zijn volk wil bevrijden, behoeft Hij niet naar werktuigen te zoeken om daarbij te gebruiken. 3. Hij heeft het reeds voorzegd, en daar Hij zo'n oneindige kennis bezit dat Hij het vooruit kon zien, heeft Hij ook ongetwijfeld de almacht om het te volbrengen. Al gij huis van Jakob, verzamelt u en hoort tot uw vertroosting, wie onder hen, onder de goden van de heidenen of hun wijzen, heeft deze dingen verkondigd of kon ze verkondigen? vers 14. zij hebben ze geen van allen kunnen voorzien, maar degenen, die hen raadpleegden, waren volkomen overtuigd dat Babel altijd als koningin zitten zou en Israël voortdurend haar slaaf zijn, en hun godsspraken gaven hun niet de minste wenk van het tegenovergestelde, om hen te ontgoochelen. Daarentegen heeft God door Zijn profeten aan de Joden er kennis van gegeven lang voor hun ballingschap evenals van de verwoesting van Jeruzalem, gelijk Hij hun nu kennis geeft van hun verlossing, vers 15 :Ik, Ik heb het gesproken, en Hij zou het niet gesproken hebben indien Hij het niet doen kon, en daar niemand het vooruitspreken kon, staat het vast dat ook niemand anders het doen kon.
4. De persoon wordt aangewezen, die voor deze dienst gebruikt zal worden, evenals de middelen, die in het goddelijk raadsbesluit genomen zijn, en dat alles is onveranderlijk. Cyrus is de man die het doen moet, en het dient zeer tot onze verzekering dat enig ding geschieden zal, indien ons in bijzonderheden gezegd wordt hoe en door wie het gedane zal worden. Het is niet onzeker gelaten wie het doen zal, maar de zaak is vastgesteld.
a. Het is iemand in wie God welgevallen heeft, omdat hij voor die dienst aangewezen is. Ik heb hem lief vers 14. De Heere heeft hem deze gunst bewezen en dit voorrecht verleend om hem tot het werktuig voor de verlossing van Zijn volk te maken, en daarin is hij een type van de groten Verlosser, Gods geliefde Zoon in wie Hij Zijn welbehagen heeft. Hen, voor wie God grote liefde gevoelt, en wie Hij liefde bewijst zal Hij dienstbaar maken tot heil van Zijn kerk.
b. Het is iemand, wie God daarvoor de macht en het bevel geven zal. Ik heb hem geroepen, heb hem voldoende volmacht gegeven, en derhalve zal Ik hem doen voorspoedig zijn.
c. Het is iemand, wie God door een reeks van leidingen van Zijn voorzienigheid tot deze dienst brengt. Ik zal hem doen komen, uit een vergelegen land, hem doen komen tegen Babel, hem stap voor stap verder brengen dan zijn eigen voornemen was. Wien God roept, die zal Hij brengen, Hij zal hem redenen geven om te komen, te komen op zijn roepstem. Het is iemand, die God zich zal toeëigenen en die Hij voorspoedig maken zal. Cyrus zal Gods welbehagen tegen Babel doen: het is Gods welbehagen, dat uitgevoerd worden zal, en Hij zal het uitvoeren door wie het Hem behaagt ofschoon Cyrus meent zijn eigen plannen te volvoeren, en niet weet van de wil van God of van de gunst die hem bewezen wordt. Zijn arm dat is het leger van Cyrus, en daarin Gods arm, zal komen en tegen de Chaldeeën zijn om hen tenonder te brengen, vers 14, want als God hem roept en doet komen, zal hij zeker voorspoedig zijn, vers 15. Wil mogen zeker zijn dat onze weg voorspoedig zijn zal, indien wij de goddelijke roepstem en leiding volgen.