Deuteronomium 32:39-43
Dit besluit van het lied spreekt van drie dingen.
I. Eer aan God vers 39. "Zie nu ten opzichte van geheel de zaak, dat Ik, Ik DIE ben. Leer dit uit het verderf van de afgodendienaars, en van de onmacht hunner goden om hen te helpen". De grote God eist hier:
1. De eer van het bestaan in en uit zichzelf. Ik ben Die ik ben. Aldus besluit Mozes met die naam van God, bij welke Hij hem het eerst bekend was gemaakt, Exodus 3:14. "Ik ben Die Ik ben. Ik ben Die Ik geweest ben, Die zijn zal, Die Ik beloofd heb te zijn, Dien Ik gedreigd heb te zijn, allen zullen Mij getrouw bevinden aan Mijn woord". De Targum en de Uzziëlides geeft hier deze paraphrase van: Als het Woord des Heeren zich zal openbaren om Zijn volk te verlossen, dan zal Hij tot alle volken zeggen: Zie dat Ik nu ben wat Ik ben, en geweest ben, en zijn zal, hetgeen wij zeer goed weten toe te passen op Hem, die tot Johannes gezegd heeft: Ik ben Die is, en Die was, en Die komen zal, Openbaring 1:8. Deze woorden: Ik, Ik ben Die, ontmoeten wij dikwijls in die hoofdstukken van Jesaja, waarin God Zijn volk aanmoedigt om te hopen op hun verlossing uit Babylon, Jesaja 41:4, 43:11, 13, 25, 46:4.
2. Van de enige oppermacht. "Er is geen God met Mij. Geen om met Mij te helpen, geen om met Mij te wedijveren". Zie Jesaja 43:10, 11.
3. Van een volstrekte vrijmacht: Ik dood en maak levend, dat is: alle kwaad en alle goed komen van Zijn hand van voorzienigheid, Hij formeert beide het licht des levens en de duisternis des doods, Jesaja 45:7, Klaagliederen 3:37, 38. Of, Hij doodt en wondt Zijn vijanden, maar geneest en maakt levend Zijn volk, doodt en wondt met Zijn oordelen hen, die van Hem afvallen en tegen Hem rebelleren, maar als zij berouw hebben en zich bekeren, dan geneest Hij hen en maakt hen levend door Zijn goedertierenheid en genade. Of wel, het geeft Zijn onbetwistbaar gezag te kennen om te beschikken over al Zijn schepselen, en het aanzijn, dat Hij hun gegeven heeft, teneinde er Zijn eigen doeleinden door tot stand te brengen. Als Zijn oordelen zijn uitgegaan, verslaat Hij wie Hij wil, en behoudt bij het leven wie Hij wil. Of wel zo: Ofschoon Hij doodt, maakt Hij toch weer levend. als Hij bedroefd heeft zo zal Hij zich ontfermen, Klaagliederen 3:32. Hoewel Hij ons gescheurd heeft, zal Hij ons genezen, Hosea 6:1. De Targum van Jeruzalem leest hier: Ik dood hen, die levend zijn in deze wereld, en maak hen, die dood zijn levend in de andere wereld. En sommigen van de Joodse wetgeleerden zelf hebben opgemerkt, dat dood en een leven na de dood, dat is: eeuwig leven, in deze woorden te kennen worden gegeven.
4. Van een onweerstaanbare macht, die niet bedwongen kan worden. Daar is niemand die uit Mijn hand redt hen, die Ik ter verderfenis heb getekend. Gelijk er geen tegenwerping kan gemaakt worden tegen het vonnis van Gods gerechtigheid, zo is er ook geen ontkomen aan de tenuitvoerlegging van Zijn macht.
II. Verschrikking voor Zijn vijanden, vers 40-42. Verschrikking, voorwaar, voor hen, die Hem haten, gelijk allen doen, die andere goden dienen, volharden in moedwillige ongehoorzaamheid aan de Goddelijke wet, en Zijn getrouwe dienstknechten mishandelen en vervolgen. Dat zijn degenen, op wie God de wraak zal doen weerkeren, deze Zijn vijanden, die niet willen dat Hij over hen zal heersen. Teneinde de zodanigen bijtijds te verschrikken tot berouw en tot een wederkeren tot hun plicht jegens God, wordt hier de toorn Gods van de hemel tegen hen geopenbaard.
1. Het vonnis Gods wordt bekrachtigd met een eed, vers 40. Hij heft Zijn hand op tot de hemel, de woonplaats van Zijn heiligheid, dit was een aloud en veelzeggend teken, gebruikt bij het zweren, Genesis 14:22. En daar Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij zichzelf en bij Zijn eigen leven. Diegenen zijn onherstelbaar rampzalig, die het woord en de eed Gods tegen zich hebben. De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen, dat de zonde van de zondaren hun verderf zal wezen, indien zij er mee voortgaan.
2. Er worden toebereidselen gemaakt voor de voltrekking van het vonnis: het glinsterend zwaard is gewet. Zie Psalm 7:13. Het is een zwaard, dat dronken is geworden in de hemel, Jesaja 34:11. Terwijl het zwaard gewet wordt, wordt nog ruimte gelaten aan de zondaar om zich te bekeren en, zo hij dit dan veronachtzaamt, zal het zwaard hem zoveel dieper wonden. En gelijk het zwaard gewet is, zo grijpt de hand, die het moet gebruiken, het oordeel aan met het vaste voornemen om er mee door te gaan.
3. De uitvoering van het vonnis zal ontzettend wezen. Het zwaard zal vlees eten en de pijlen zullen dronken gemaakt worden van bloed, er zal zo ontzettend veel bloed worden vergoten, het bloed van de verslagenen in de oorlog, en van de gevangenen, aan wie geen lijfsgenade zal worden verleend, maar die onder de krijgswet allen ter dood zullen gebracht worden. Als Hij de wraak begint te oefenen, dan zal Hij haar voleinden. De uitleggers zijn in grote verlegenheid om de laatste zinsnede te verklaren: van het hoofd af (of naar de Engelse overzetting: van het begin af) zullen er wraken des vijands zijn. Bisschop Patrick, de uitnemende Schriftverklaarder, denkt dat hiervoor gelezen kan worden: Van de koning af tot de slaaf des vijands toe, Jeremia 50:35-37. Als het zwaard van Gods toorn getrokken is, dan zal er bloedig werk geschieden, er zal bloed zijn tot aan de tomen van de paarden, Openbaring 14:20.
III. Troost voor Zijn eigen volk, vers 43. Juicht, gij heidenen, met Zijn volk. Hij besluit het lied met woorden van blijdschap, want in Gods Israël is een overblijfsel, welks einde vrede zal wezen. Gods volk zal ten laatste juichen, zal juichen tot in eeuwigheid. Er worden hier drie dingen genoemd, als oorzaken van vreugde:
1. De uitbreiding van de grenzen van de kerk. De apostel past de eerste woorden van dit vers toe op de bekering van de heidenen, Romeinen 15:10. Weest vrolijk, gij heidenen, met Zijn volk. Zie wat de genade Gods doet in de bekering van zielen, zij brengt hen er toe om zich te verblijden met het volk van God, want de ware Godsdienst maakt ons bekend met ware vreugde zo groot is de vergissing van hen, die denken dat hij de strekking heeft om de mensen naargeestig te maken.
2. Het wreken van het twisten met de kerk op haar tegenstanders. Hij zal een onderzoek instellen naar het bloed van Zijn knechten, en het zal blijken hoe dierbaar en kostelijk het Hem is, want aan hen, die het vergoten hebben, zal bloed te drinken worden gegeven.
3. De genade, die God weggelegd heeft voor Zijn kerk en voor allen, die er toe behoren. Hij zal verzoenen Zijn land en Zijn volk, dat is: allen, die Hem overal vrezen en dienen. Welke oordelen er ook gebracht zullen worden over de zondaren, met het volk Gods zal het wèl wezen. Laat Joden en heidenen zich hierin tezamen verblijden.