Jesaja 41:1-9
Het bijzondere voorbeeld van Gods zorg over Israël in Zijn verwekken van Cyrus om hun bevrijder te zijn, wordt hier met nadruk genoemd als een bewijs beide van Zijn soevereiniteit boven alle afgoden en van Zijn macht om Zijn volk te beschermen. Hier is:
I. Een algemene uitdaging aan alle aanbidders en bewonderaars van afgoden om hun pretenties waar te maken in hun mededingen met en hun tegenstaan van God, vers 1. Zij is vernieuwd, vers 21. Brengt ulieder twistzaak voor. Het hof heeft zitting genomen, er zijn dagvaardingen gezonden aan de verst afgelegen eilanden, maar die toch niet buiten Gods rechtsgebied liggen, want Hij is de Schepper en bezitter van de einden van de aarde, om te verschijnen en aandachtig te luisteren. Als gewoonlijk wordt stilte geroepen, terwijl de rechtzaak onderzocht en behandeld wordt, die aanhangig is tussen het koninkrijk van God en het rijk van Satan, het betaamt alle mensen om zwijgend de uitspraak af te wachten, geen tegenwerpingen te maken tegen Gods handelingen, maar te vertrouwen dat Hij de overwinning zal behalen. De verdedigers van de afgoderij worden opgeroepen om te zeggen wat zij kunnen ter verdediging ervan. Laat hen de kracht vernieuwen in tegenstand tegen God, en laat hen zien of zij gelijk is aan de kracht welke diegenen vernieuwen, die God verwachten, Hoofdstuk 40:31, laat hen hun uiterste pogingen aanwenden, en zien of zij door kracht van wapenen, of door kracht van redenen de overwinning zullen wegdragen. Laat hen toetreden, zij zullen niet klagen dat "Gods verschrikking hen verbaasd maakt", Job 13, 21, zodat zij niet kunnen zeggen wat zij te zeggen hebben ter rechtvaardiging en tot eer van hun afgoden, neen, laat hen vrijelijk spreken, laat ons tezamen ten gerichte naderen. De zaak van God en van Zijn koninkrijk is niet bevreesd voor een onpartijdig onderzoek, indien, zij slechts juist en nauwkeurig wordt voorgesteld, dan zal de beslissing, de uitspraak, ongetwijfeld ten voordele van de Godsdienst zijn. De vijanden van Gods kerk en van Zijn heilige Godsdienst kunnen veilig getart worden om hun ergst te zeggen en te doen voor hun onrechtvaardige zaak. Hij, die in de hemel zit, belacht hen, en de dochter van Zion veracht hen want groot is de waarheid, en zij zal zegevieren.
II. Hij tart inzonderheid de afgoden om voor hun aanbidders en tegen de Zijne te doen wat Hij voor zijn aanbidders en tegen de hunne gedaan heeft en doen zal. Er worden verschillende betekenissen gegeven aan vers 2 nopens de rechtvaardige, die hun verwekt is van de opgang, en daar wij niet kunnen beslissen wat de ware betekenis is, zullen wij van alle een goed gebruik maken. Wat bewezen moet worden is:
1. Dat de Heere alleen God is, de eerste en met de laatste dezelfde is, vers 4, dat Hij oneindig, eeuwig en onveranderlijk is, dat Hij de wereld geregeerd heeft van de beginne, en regeren zal tot aan het einde des tijde. Hij heeft vanouds geregeerd, en zal tot in eeuwigheid regeren, de raadsbesluiten Zijns koninkrijks waren van eeuwigheid, en de voortduur ervan zal tot in eeuwigheid zijn.
2. Dat Israël Zijn knecht is, vers 8, die Hij erkent en beschermt en gebruikt, en in wie Hij verheerlijkt zal worden. Gelijk er een God is in de hemel, zo is er een kerk op aarde waarvoor Hij bijzondere zorg draagt. Elia bidt 1 Koningen 18:36. "Dat het bekend worde dat Gij God in Israël zijt, en ik Uw knecht ben." Om dit nu te bewijzen, toont Hij aan:
A. Dat Hij het was, die Abraham geroepen heeft, de vader van dit verachte volk, hem geroepen heeft uit een afgodisch land, en door vele blijken van Zijn gunst heeft Hij zijn naam groot gemaakt, Genesis 12:2. Hij is de rechtvaardige, die God verwekte van de opgang (het oosten) van hem uitdrukkelijk verstaat liet de Chaldeeuwse paraphrase: wie heeft Abraham openlijk van het oosten gebracht. Om de eer van Israël te handhaven, was het zeer gepast om aan te tonen, welk een voornaam persoon deze hun grote voorvader in zijn tijd geweest is, en vers 8 schijnt er de verklaring van te zijn, waar God Israël het zaad noemt van Abraham, Mijn vriend, en vers 4 :Hij roept de geslachten, namelijk de geslachten Israëls, van de beginne. Ook om verachting uit te storten over afgoderij, inzonderheid over Chaldeeuwse afgoderij, was liet voegzaam om aan te tonen, hoe Abraham geroepen was toen hij andere goden diende, Jozua 24:2, 3 en verv, zodat reeds vroeg getuigd werd tegen die afgoderij, welke zozeer roemde op haar oudheid. Ook om de gevangenen in Babel aan te moedigen om te hopen, dat God een middel zou vinden om hen naar hun eigen land te doen terugkeren was het geschikt om hen er aan te herinneren, , hoe God voor het eerst hun vader Abraham uit ditzelfde land naar Kanaän heeft gebracht, om het hem tot een erfdeel te geven, Genesis 15:7.
Merk nu op wat hier nopens hem gezegd wordt:
a. Dat hij een rechtvaardige was, of gerechtigheid was, een man was van gerechtigheid, die God geloofde, en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend, en zo werd hij de vader van al degenen, die door geloof in Christus door Hem Gode tot gerechtigheid gemaakt zijn, Romeinen 4:3, 11, 2 Corinthiers 5:21. Hij was in zijn tijd een groot voorbeeld van rechtvaardigheid, en heeft "zijn huis geleerd gerechtigheid en gericht te doen," Genesis 18:19.
b. Dat God hem verwekt heeft van de opgang, d.i. van het oosten, eerst van Ur en daarna van Haran, die oostwaarts lagen van Kanaän. God wilde niet dat hij zich in een van deze plaatsen zou vestigen, maar heeft voor hem gedaan wat de arena doet voor zijn jongen, als hij zijn nest opwekt, hij wekte hem op uit ongerechtigheid en maakte hem Godvruchtig, uit onbekendheid en maakte hem vermaard.
c. Hij heeft hem geroepen op zijn voet, om Hem te volgen met een onbepaald geloof en vertrouwen, "want hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zou," Hebreeën 11:8. Zij, die krachtdadiglijk door God geroepen worden, worden geroepen op Zijn voet, om Hem onderworpen te zijn, Hem te dienen, het Lam te volgen waar het ook heengaat, en wij moeten allen of komen op Zijn voet, of tot Zijn voetbank worden gemaakt.
d. Hij heeft de heidenen voor Zijn aangezicht gegeven, de volken van Kanaän, Hij had beloofd hem meester van hen te zullen maken, en zo groot een invloed heeft Hij hem gegeven, dat de Hittieten erkenden dat hij een groot vorst onder hen was, Genesis 23:6. Hij deed hem heersen over de koningen, die hij versloeg om zijn broeder Lot uit hun handen te redden, Genesis 14. En toen God hen gaf als stof voor zijn zwaard, en als voortgedreven stoppelen voor zijn boog, dat is: hen tot een gemakkelijke prooi maakte voor zijn dienstknechten, toen vervolgde hij hen, en trok veilig of in vrede door, onder de bescherming Gods, hoewel het over een pad was, waarmee hij niet bekend was, hetwelk hij met zijn voeten niet gegaan had, en deze overwinning was zo groot en van zo groot belang, dat Melchizedek zelf verscheen om haar te vieren. Wie nu anders dan de grote Jahweh heeft dit gedaan? Kan één van de goden van de heidenen dit doen?
B. Dat Hij het is, die eerlang Cyrus zal verwekken van het oosten. Er wordt van gesproken in de taal van de profetie als van iets in het verleden, iets dat geschied is, omdat het zo zeker is dat het te bestemder tijd geschieden zal, alsof het reeds geschied was. God zal hem verwekken in gerechtigheid, aldus kan het gelezen worden, Hoofdstuk 45:13, zal hem roepen op zijn voet, zal het gebruik van hem maken, dat Hem behaagt, hem doen zegevieren over de volken, die zijn komst tot de troon tegenstaan, en, hem voorspoedig maken in al zijn oorlogen. en hij zal een type wezen van Christus, die de gerechtigheid zelf is, de Heere, onze gerechtigheid, die God in de volheid des tijds verwekken zal, en zal doen zegevieren over de machten van de duisternis, zodat Hij die zal beroven en openlijk tentoon zal stellen.
III. Hij toont de dwaasheid aan van afgodendienaars, die niettegenstaande de overtuigende bewijzen, welke de God Israëls ervan gegeven had dat Hij alleen God is, hardnekkig volhardden in hun afgoderij, ja er nog zoveel te meer in verhard waren geworden, vers 5. De eilanden van de heidenen zagen dit, zagen niet alleen wat God gedaan heeft voor Abraham zelf, maar wat Hij om zijnentwil deed voor zijn zaad, hoe Hij hen uitgevoerd heeft uit Egypte, en hen deed heersen over koningen, en zij vreesden. Exodus 15:14-16. Zij waren bevreesd, en overeenkomstig de oproep, vers 1, naderden zij en kwamen, zij konden het niet vermijden om kennis te nemen van hetgeen God voor Abraham en zijn zaad gedaan heeft, maar in plaats van te helpen om elkaar weg te redeneren uit hun domme afgoderij, hielpen zij om er elkaar in te bevestigen, vers 6,7.
1. Zij beschouwden het als een gevaarlijken aanslag op hun Godsdienst, voor de eer waarvan zij ijverden, en zij waren vast besloten om hem terecht of ten onrechte aan te kleven, en krachtig op te treden ter ondersteuning ervan zoals de Efeziërs voor hun Diana. Toen God door Zijn wonderbare verschijning ten behoeve van Zijn volk hun afgoden hun wilde ontrukken, hielden zij die zoveel steviger vast, en zeiden tot elkaar: "Wees sterk, laat ons eenstemmig besluiten om de eer van onze goden hoog te houden." Al valt Dagon ook voor de ark, zal hij toch weer op zijn plaats gesteld worden. De éne werkmeester moedigt de anderen aan om zich tot een vereniging te vormen, die de edele kunst van godenmakerij beschermt en bevordert. Aldus zullen van de mensen overtuigingen dikwijls hun bederf prikkelen, en worden zij slecht gemaakt beide door het woord en de werken van God, die hen beter moesten maken.
2. Zij beschouwden het als een gevaarlijke aanslag op henzelf. Zij achtten zich in gevaar vanwege de toenemende grootheid van Abraham, die van de afgoderij bekeerd was, en om het volk van Israël, dat er zich van afgescheiden had, en daarom namen zij, om bescherming te verkrijgen, niet alleen de toevlucht tot hun oude goden, maar maakten zij zich nieuwe, Deuteronomium 32:17. En zo moedigt de timmerman, zijn taak volbracht hebbende aan het houtwerk, de goudsmid aan om nu zijn werk te doen met het vergulden of overtrekken ervan, en als het in de handen van de goudsmid komt, dan versterkt hij, die met de hamer glad maakt, degene die op het aanbeeld slaat, en spoort hem aan tot spoed, zegt hem dat het nu gereed is voor het soldeersel, dat misschien het laatste werk was, dat er aan gedaan werd. Daarna wordt het vastgemaakt met nagelen, en nu is de god gereed. Moedigen zondaren elkaar aldus aan tot spoed op de weg van de zonde, en zullen dan de dienstknechten van de levenden God elkaar niet opwekken tot en versterken in Zijn dienst? Sommigen lezen dit alles in ironische zin, en bij wijze van permissie: Laat hen de een de ander helpen en tot zijn metgezel zeggen: wees sterk, laat de timmerman de goudsmid aanmoedigen, maar het is alles tevergeefs, met dat al zullen de afgoden toch vallen.
IV. Hij moedigt Zijn eigen volk aan om op Hem te vertrouwen, vers 8, 9. "Maar gij, Israël, zijt Mijn knecht. Zij kennen Mij niet maar gij kent Mij, en gij weet beter dan om u met zulke onwetende, verdwaasde lieden te vergezellen, zoals deze zijn," (want het is bedoeld als een waarschuwing aan het volk van God, om niet te wandelen in de weg van de heidenen) "zij stellen zich onder de bescherming van deze machteloze godheden, maar gij zijt onder Mijn bescherming, zij, die deze gemaakt hebben, zijn hun gelijk, en dat zijn ook allen, die op hen vertrouwen, maar gij, o Israël, zijt de knecht van een betere Meester." Let op hetgeen hier aangeduid wordt ter bemoediging van Gods volk, als zij gedreigd worden en er een beledigend gejuich over hen wordt aangeheven.
1. Zij zijn Gods knechten, en Hij wil hen niet mishandeld zien, inzonderheid niet voor hetgeen zij doen in Zijn dienst. Gij zijt Mijn knecht, vers 8, en "Ik heb tot u gezegd: gij zijt Mijn knecht, en van Mijn woord zal Ik niet afgaan."
2. Hij heeft u verkoren om Hem tot een bijzonder volk te zijn, zij waren Hem niet opgedrongen, maar uit eigen vrije beweging heeft Hij hen zich afgezonderd.
3 Zij waren het zaad van Abraham, Zijn vriend. Het was Abrahams eer, dat hij "de vriend van God" werd genoemd, Jakobus 2:23, met wie God in verbond was, en met wie Hij omging als met een vriend, en de man des raads, en "die eer hebben al de heiligen," Johannes 15:15 En het volk van Israël was bemind omdern vaderen wil. Het heeft Gode behaagd op hen te zien als op de nakomelingen van een oud vriend, en daarom vriendelijk voor hen te zijn, want het verbond van vriendschap was gemaakt met Abraham en zijn zaad.
4. Soms had Hij, als zij verstrooid weren onder de heidenen, hen van de einden van de aarde vergaderd en hen uit de handen genomen van de voornaamsten daarvan, en daarom zal Hij hen ook nu niet verlaten. Abraham, hun vader, was van een vergelegen plaats gehaald, en van hen, die zo van verre gehaald en zo duur gekocht zijn, kan Hij niet gemakkelijk scheiden.
5. Hij had hen nog niet verworpen, hoewel zij Hem dikwijls getergd hadden, en daarom zal Hij hen ook nu niet verwerpen. Wat God voor Zijn volk gedaan heeft, en wat Hij op zich genomen heeft om nog verder voor hen te doen, moet hen aanmoedigen om ten allen tijde op Hem te vertrouwen.