Jesaja 3:9-15
Hier gaat God voort met de twist met Zijn volk.
Merk op:
I. De grond van Zijn twist: het was vanwege zonde, dat God tegen hen twistte. Als zij zich kwellen of ergeren, laat hen dan een weinig verder zien, dan zullen zij zien dat zij de kwelling aan zichzelf hebben te danken, wee hun ziel, want zij doen zichzelf kwaad. Ach, hun ziel! -zo kan het gelezen worden bij wijze van hen te beklagen. -De toestand van zondaren is zeer beklagenswaardig. Het is de ziel, die door de zonde geschaad en in gevaar wordt gebracht. Zondaren kunnen voorspoedig zijn in hun uitwendige omstandigheden, terwijl er toch op de zelfde tijd een wee is over hun ziel. Welk kwaad de zondaren ook overkomt, zij zelf hebben het teweeggebracht, Jeremia 2:19.
Wat hun hier ten laste wordt gelegd is:
A. Dat de schande, die hen van hun zonden moest terughouden, hen geheel onverschillig liet, zij hadden alle schaamtegevoel afgeworpen, vers 9. Dit verhardt de mensen tegen berouw en bekering, en maakt hen rijp voor het verderf, evenzeer als wat het ook zij. Het gelaat van hun aangezicht getuigt tegen hen, dat hun hart ijdel is en wulps en boosaardig, hun ogen spreken het duidelijk uit, dat zij niet kunnen aflaten van de zonde, 2 Petrus 2:14. Men zou hen in het gelaat kunnen zien en bemerken welk een ontzettende boosheid er in hun hart is. Hun zonden spreken zij vrij uit gelijk Sodom, zo gebiedend, zo onstuimig zijn hun lusten, en zo ongeduldig onder het minste bedwang, en zo volkomen zijn de nog overgebleven vonkjes van deugd in hen uitgeblust. De Sodomieten spraken hun zonden vrij uit, niet alleen door dat zij ontzettend groot waren, Genesis 13, zodat zij ten hemel riepen Genesis 18:20, meer door hun schaamteloos uitkomen voor hetgeen zo schandelijk was, Genesis 19:5, en dat deden ook Juda en Jeruzalem. Zover was het van hen om hun zonde te verbergen, dat zij er in roemden in de stoute aanval, die zij deden op de deugd, en de overwinning, die zij behaalden over hun eigen overtuiging, zij hadden een hoerenvoorhoofd, Jeremia 3:3, en konden niet schaamrood worden, Jeremia 6:15. Zij, die onbeschaamd zijn geworden in de zonde, zijn rijp voor het verderf, zij, die over de schande heen zijn, zich niet meer kunnen schamen, zijn niet meer vatbaar voor genade en voor hen is er dus ook geen hoop meer.
B. Dat hun leidslieden, die hen op de rechte weg moesten leiden, hen van de weg afbrachten, vers 12. "Zij, die u leiden-de vorsten, de priesters, de profeten-verleiden u, zij doen u dwalen." Zij hebben hun of gepredikt hetgeen leugen was of verdorven, of zo zij hun predikten wat goed en waar was dan hebben zij hun prediking weersproken door hun praktijken, en het volk zou eerder een slecht voorbeeld volgen, dan gehoor geven aan een goede vermaning, en zo hebben zij de weg van hun paden verdorven, neerdrukkende met de andere hand, wat zij met de ene hand hadden opgebouwd. Zij, die u gelukzalig noemen, doen u dwalen-zo wordt dit door sommigen gelezen. De priesters prezen hen alsof er niets verkeerds onder hen was, riepen vrede, vrede, alsof er geen gevaar dreigde en zo hebben zij hen in hun dwalingen doen voortgaan.
C. Dat hun rechters, die de verdrukten behoorden te beschermen, zelf de grootste verdrukkers waren, vers 14, 15. De oudsten van het volk en de vorsten, die kennis en geleerdheid bezaten en betere dingen wel moesten weten, die grote bezittingen hadden en niet door nood of armoede in verzoeking kwamen om inbreuk te maken op de bezittingen van hen, die hen omringden, die achtbare mannen waren en het beneden zich moesten achten om iets laags te doen hebben toch de wijngaard verteerd, Gods wijngaard, om die te bewerken en te bewaren zij waren aangesteld hebben zij verbrand, dat is de betekenis van het woord, zij deden er even veel kwaad aan als de ergste vijanden konden doen, Psalm 80:17. Of de wijngaarden van de armen, zij drongen hen uit het bezit ervan, zoals Isébel Naboth het bezit van zijn wijngaard heeft ontstolen, of zij verteerden er de vruchten van, voedden hun lusten met hetgeen het nodige voedsel moest wezen van nooddruftige gezinnen-de roof van de armen werd in hun huizen opgestapeld, als God kwam om naar gestolen goed een onderzoek in te stellen heeft Hij het daar gevonden, en het was een getuige tegen hen. Zij hadden het kunnen teruggeven, maar zij wilden niet. God redeneert met deze groten vers 15. Wat is er met u, dat gij Mijn volk verbrijzelt? Welke reden hebt gij er voor? Welk goed doet het u?" Of: "Welk kwaad hebben zij u gedaan? Denkt gij, dat u macht is gegeven om haar tot zulke doeleinden aan te wenden?" Er is niets waar minder rekenschap van te geven is, en toch ook niets waar meer rekenschap van gevorderd zal worden, dan van het kwaad, dat Gods volk wordt aangedaan door hun vervolgers en verdrukkers, "gij vermaalt het aangezicht van de ellendigen, gij doet hun evenveel pijn, jaagt hun evenveel schrik aan, alsof gij hen vermaalt in een molen, door de ene daad van verdrukking na de andere, vermaalt gij hen tot stof. Of, hun aangezicht is gekneusd van de slagen, die gij hun gegeven hebt, gij hebt niet alleen hun bezittingen te gronde gericht, maar hen ook lichamelijk mishandeld." Onze Heer Jezus werd met vuisten geslagen, Mattheus 26, 67.
II. De leiding in deze twistzaak:
1. God zelf is de eiser, vers 13. De Heer stelt zich om te pleiten, of Hij stelt zich om de zaak te bespreken, en Hij staat om de volkeren te richten, om recht te spreken voor de verdrukten en mishandelden, en Hij komt in het gericht tegen de oudsten van Zijn volk en tegen hun vorsten, vers 14. De grootsten en voornaamsten kunnen zich niet vrijstellen van en niet vrijwaren tegen het onderzoek en de uitspraak van Gods oordeel, noch moeilijkheden maken of bezwaren inbrengen tegen de rechtsmacht van het hof des hemels.
2. De aanklacht wordt bewezen door het klaarblijkelijke feit. "Zie de verdrukkers aan, het gelaat van hun aangezicht getuigt tegen hen, vers 9. Zie de verdrukten aan, en gij ziet hoe hun aangezicht gekneusd is door mishandeling, vers 15.
3. De twistzaak is reeds begonnen, de vervanging van de ambtenaren. Om hen te straffen, die hun macht misbruikt hadden tot slechte doeleinden, stelt God de zodanigen aan, die het besef niet hadden om haar tot een goed doeleinde te gebruiken. Kinderen zijn hun verdrukkers, en vrouwen heersen over hen vers 12, mannen, die een even zwak oordeel en even sterke hartstochten hebben als vrouwen en kinderen, het was hun zonde, dat hun vorsten aldus waren, en het werd een oordeel over hen.
III. Het onderscheid, dat gemaakt zal worden tussen particuliere personen bij deze vervolging van de twistzaak, vers 10,11. Zegt de rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal. Wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan. In vers 9 had hij gezegd: zij doen zichzelf kwaad, en om dit te bewijzen toont hij hier aan, dat God een ieder zal vergelden naar zijn werken. Indien zij rechtvaardig waren geweest, het zou wel met hen geweest zijn, maar zo het hun kwalijk gaat, is het omdat zij goddeloos zijn en het willen zijn. Aldus heeft God de zaak voorgesteld aan Kaïn, om hem ervan te overtuigen dat hij geen reden had om toornig te zijn, Genesis 4:7. Of het kan aldus genomen worden: God dreigt met nationale oordelen die het verderf zullen zijn van de openbare belangen. Nu
1. Zouden godvruchtige mensen kunnen vrezen, dat zij meegesleept zullen worden in dat verderf, en daarom beveelt God de profeet, hen te vertroosten tegen deze vrees: "wat er ook moge worden van het onrechtvaardige volk, zeg de rechtvaardige, dat hij niet zal opgaan in de menigte, de troep van zondaren, de rechter van de gehele aarde zal de rechtvaardigen niet doden met de goddelozen, Genesis 18:25, neen, verzeker hem in de naam van God, dat het wel met hem zal wezen. De eigenschap, de hoedanigheid van het leed zal veranderd worden voor hem, en hij zal verborgen worden in de dag van de toorn des Heeren. Hij zal goddelijke ondersteuning en vertroosting hebben, die overvloedig zullen zijn als de beproeving overvloedig is, en aldus zal het wel met hem wezen." Als de gehele stok des broods is weggenomen, zal hij in de dag van de honger toch verzadigd worden, zij zullen de vrucht van hun werken eten, zij zullen het getuigenis van hun geweten hebben, dat zij zich rein bewaard hebben van de heersende goddeloosheid, en daarom is de algemene ramp niet hetzelfde voor hen als voor anderen, zij brachten geen brandstof bij de vlam, en daarom zijn zij er zelf geen brandstof voor.
2. Zouden sommige goddelozen hopen dat zij aan het verderf zullen ontkomen, en daarom beveelt God de profeet, om die ijdele hoop te schudden. "Wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, vers 11, voor hem zullen de oordelen een angel hebben, en er zal gal en alsem zijn in de beproeving en ellende." Er is een wee voor goddeloze mensen, en hoewel zij denken zich te kunnen beschutten tegen de openbare oordelen, zal het toch kwalijk met hen gaan, als zij zich niet bekeren, dan zal het al slechter en slechter met hen gaan, en het ergste zal voor hen op het laatst komen, want de vergelding van zijn handen zal hem geschieden, in de dag wanneer een ieder zal ontvangen naar hetgeen in het lichaam is geschied.