Genesis 13:1-4
Hier is:
I. Abrams terugkeer uit Egypte, vers 1. Hij kwam zelf en bracht al het zijne met zich terug naar Kanaän. Hoewel het soms nodig is om naar plaatsen van verzoeking heen te gaan moeten wij er toch zo spoedig mogelijk weer uit weggaan. Zie Ruth 1:6.
II. Zijn rijkdom, vers 2. Hij was zeer rijk. Hij was zeer zwaar is de betekenis van het Hebreeuwse woord. Want rijkdommen zijn een last, en "die rijk willen zijn, laden dik slijk op zich," Habakuk 3:6. Er is een last van zorg om ze te verkrijgen, van vrees om ze te behouden, van verzoeking in het gebruik maken er van, van smart in het verlies er van, en ten laatste, een last van rekenschap, die er van afgelegd moet worden. Grote bezittingen maken de mensen slechts zwaar en log. Abram was niet slechts rijk in geloof en goede werken, en in de beloften, hij was ook rijk in vee, in zilver en in goud. In Zijn voorzienigheid maakt God Godvruchtige mensen soms rijk, en leert hen zowel overvloed te hebben als gebrek te lijden. De rijkdom van de Godvruchtigen is de vrucht van Gods zegen. God had tot Abram gezegd: Ik zal u zegenen, en die zegen maakte hem rijk zonder dat er smart aan toegevoegd werd, Spreuken 10:22. Ware Godsvrucht kan zeer wel samengaan met grote voorspoed. Hoewel het bezwaarlijk is voor een rijke om in de hemel te komen, is het toch niet onmogelijk, Markus 10:23, 24. Abram was zeer rijk, en toch ook zeer Godsdienstig. Ja meer, gelijk Godzaligheid nuttig is voor uitwendige voorspoed, 1 Timotheus 4:8,. zo is uitwendige voorspoed, als er een goed gebruik van wordt gemaakt, een sieraad voor Godzaligheid, en een gelegenheid om zoveel te meer goed te doen.
III. Zijn vertrek naar Bethel, vers 3, 4. Daar ging hij heen, niet omdat hij er tevoren zijn tent had opgeslagen, en gaarne weer onder zijn oude bekenden wilde wezen, maar omdat hij er tevoren zijn altaar had, en hoewel dit altaar er nu niet meer was, (waarschijnlijk heeft hij het zelf afgebroken, toen hij die plaats verliet, opdat het door de afgodische Kanaänieten niet ontwijd zou worden) kwam hij toch tot de plaats des altaars, hetzij om de herinnering te verlevendigen aan lieflijke gemeenschap met God in die plaats, of misschien om er de geloften te betalen, die hij gedaan had toen hij zijn reis naar Egypte ondernam. Lang daarna heeft God Jakob op die boodschap naar deze zelfde plaats heengezonden, Hoofdstuk 35:1. Trek op naar Beth-EL, en woon aldaar en maak daar een altaar die God, die u verschenen is. Het is ons nodig om herinnerd te worden, en wij behoren altijd onszelf te herinneren, aan de plechtige geloften, die wij gedaan hebben, en wellicht kan de plaats, waar wij ze gedaan hebben, er toe bijdragen om ze ons weer voor de geest te brengen, en kan zij ons daarom goed doen.
IV. Zijn Godsvrucht aldaar. Zijn altaar was weg, zodat hij er geen offer kon brengen maar hij riep de naam des Heeren aan, zoals hij vroeger gedaan had, Hoofdstuk 12:8. Het volk Gods is een biddend volk. Gij kunt even spoedig een levende mens vinden zonder adem, als een levend Christen zonder gebed. Zij, die zich oprecht willen betonen voor God moeten standvastig zijn in oefening van de Godsvrucht. Abram heeft zijn Godsdienst niet achtergelaten in Egypte, zoals velen doen, als zij op reis zijn. Als wij niet kunnen doen wat wij zouden wensen te doen, dan moeten wij er een gewetenszaak van maken om te doen wat wij kunnen, ten opzichte van onze daden van Godsvrucht. Als ons een altaar ontbreekt zo laat ons niet in gebreke blijven om te bidden, en waar wij ons ook bevinden, de naam des Heeren aanroepen.