Leviticus 11:9-19
1. Hier is een algemene regel betreffende de vissen, die rein zijn. Allen die vinnen en schubben hebben mochten zij eten, en alleen die soorten van waterdieren, welke geen vinnen of schubben hebben, waren hun verboden, vers 9, 10. De ouden achtten vis als de keurigste spijze (zo ver was het van hen om haar op vastendagen toe te staan of het eten van vis als een blijk van doding van het vlees te beschouwen) daarom heeft God in dit opzicht niet veel dwang op Zijn volk gelegd, want Hij is een Meester, die Zijn dienstknechten niet slechts het nodige toestaat, maar ook hetgeen tot veraangenaming van het leven kan strekken. Van de verboden vis wordt gezegd: het zal u een verfoeisel zijn, vers 10-12, dat is: "Gij zult ze onrein achten, er niet slechts niet van eten, maar er u op een afstand van houden." Al wat onrein is, moet ons een verfoeisel zijn: raakt niet aan hetgeen onrein is. Doch merk op: het moest alleen de Joden een verfoeisel zijn, de naburige volken waren niet onder deze verplichting, en ook voor de Christenen moet het geen verfoeisel zijn. De Joden waren geëerd met bijzondere voorrechten, opdat zij zich daarop niet zouden verhovaardigen: "Transeunt cum onere, waren hun ook beperkingen opgelegd." Zo is ook Gods geestelijk Israël boven anderen verwaardigd met het Evangelieverbond van aanneming, en moet daarom door de Evangeliegeboden van zelfverloochening en het dragen van het kruis meer dan anderen beproefd en verootmoedigd worden.
2. Betreffende het gevogelte is geen algemene regel gesteld, maar worden die vogels, waarvan zij zich als onrein moesten onthouden, allen genoemd, waarin ligt opgesloten, dat al de anderen, die niet genoemd zijn, hun toegestaan zijn te eten. De critici hebben heel veel werk om de ware betekenis te vinden van de Hebreeuwse woorden die gebruikt zijn, waarvan voor sommige de betekenis nog onzeker is, daar sommige soorten van vogels aan sommige landen bijzonder eigen zijn. Indien de wet nu nog van kracht was, dan zou het onze plicht en zorg moeten wezen, om met zekerheid te weten te komen welke er door verboden zijn, en als wij het wisten, en beter bekend waren met de aard van de vogels, welke hier genoemd worden, dan zouden wij misschien de kennis bewonderen van Adam, die bleek in de namen, die hij hun gaf, en die de uitdrukking zijn van hun aard, Genesis 2:20. Maar nu de wet opgeheven is, en die kennis grotendeels verloren, is het ons genoeg op te merken, dat van de vogels, die hier verboden zijn:
a. Sommigen roofvogels zijn, zoals de arend, de gier, enz., en God wilde dat Zijn volk een afschuw zou hebben van alles wat barbaars en wreed is, en niet van bloed en roof zou leven. Duiven, die dikwijl ten prooi vallen aan andere vogels, waren geschikt tot voedsel voor de mens en tot offeranden aan God, maar haviken en valken, die op roof uitgaan en de duif tot prooi kiezen, moeten beschouwd worden als een verfoeisel voor God en mensen, want de toestand van hen, die vervolgd worden om der gerechtigheid wil, schijnt voor het oog van het geloof in elk opzicht beter dan die van hun vervolgers.
b. Andere er van zijn eenzame vogels, die zich in duistere en woeste plaatsen ophouden, zoals de uil en de roerdomp, Psalm 102:7, en de schuifuil en de raaf, Jesaja 34:11, want Gods Israël moet geen treurig, kniezend volk zijn, niet altijd de eenzaamheid opzoeken.
c. Anderen er van voeden zich met wat onrein is, zoals de ooievaar die op slangen aast, nog andere op wormen, en wij moeten niet slechts zelf aflaten van alles wat onrein is, maar ook van gemeenschap met hen die er zich in verlustigen. Nog anderen ervan werden door de Egyptenaren en andere heidenen gebruikt voor waarzeggerij. Sommige vogels werden voor geluksvogels gehouden, anderen als onheilspellend beschouwd, en hun waarzeggers hadden veel op met de vlucht van deze vogels, en daarom moeten die alle een verfoeisel zijn voor Gods volk, die de weg van de heidenen niet moeten leren.