Jesaja 30:8-17
I. De inleiding is zeer indrukwekkend: de profeet moet dit niet alleen prediken, hij moet het ook schrijven, vers 8, het schrijven op een tafel om opgehangen te worden voor het publiek, hij moet het zorgvuldig optekenen, niet op los papier, dat verloren of gescheurd kan worden, maar in een boek, om bewaard te blijven voor het nageslacht, in perpetuam rei memoriam-tot een blijvend getuigenis tegen dit boze geslacht, laat het blijven, niet slechts tot de eerstvolgende eeuwen, maar voor altijd, zolang de wereld bestaan zal, en dat zal het want het boek van de Schrift zal ongetwijfeld tot aan het eind van de tijd bestaan blijven en gelezen worden. Laat het geschreven worden:
1. Om de mensen te beschamen van de tegenwoordige tijd, die het niet wilden horen en ter harte nemen, toen het werd gesproken, laat het geschreven worden, opdat het niet verloren ga, hun kinderen kunnen er hun voordeel mee doen, al willen zij zelf het niet.
2. Om God te rechtvaardigen in het oordeel dat Hij over hen ging brengen, de mensen zullen in verzoeking zijn om te denken dat Hij te hard voor hen is geweest en al te streng tenzij zij weten hoe zeer slecht zij waren, en hoe tergend, en welke zachte middelen God beproefd heeft, eer Hij het tot dit uiterste gebracht heeft.
3. Ter waarschuwing van anderen, om niet te doen zoals zij gedaan hebben, opdat het hun niet zal gaan zoals het met hen gegaan is. Het is bestemd tot vermaning van hen, die op de verst afgelegen plaatsen zijn en in de verste toekomst leven. "Voor hen, over wie het einde van de eeuwen gekomen is," I Corinthiers 10:11. Het moet van nut zijn voor Gods dienstknechten, niet alleen om te prediken, maar om te schrijven, want hetgeen geschreven is, blijft.
II. Het karakter, de hoedanigheid, die aan de slechte Joden wordt toegeschreven, is zeer treurig. Als hij hen in hun eigen kleuren wil schilderen, dan moet hij dit van hen schrijven (en wij zijn er zeker van, dat hij geen vals getuigenis tegen hen aflegt, noch hen slechter voorstelt dan zij waren, want het oordeel Gods is naar waarheid), dat het een weerspannig volk is, vers 9. De Joden waren- voor zover wij weten-het enig belijdend volk, dat God toen had in de wereld, en toch waren velen van hen weerspannig.
1. Zij waren weerspannig tegen hun eigen overtuiging en hun eigen verbond, want zij zijn leugenachtige kinderen, die wat zij zeggen niet gestand doen, die veel beloven, veel goeds en schoons beloven, maar het niet nakomen. Toen Hij hen in een verbond met zich opnam, zei Hij van hen: zij zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen, Hoofdstuk 63:8, maar zij zijn gebleken anders te zijn.
2. Zij waren weerspannig tegen het Goddelijk gezag, zij zijn kinderen, die des Heeren wet niet willen horen noch er acht op willen slaan, maar hun eigen zin willen doen, al is het ook dat hun zin lijnrecht staat tegenover Gods wil.
III. De beschuldiging, die tegen hen wordt ingebracht, is zeer zwaar, en het vonnis, dat over hen geveld wordt, verschrikkelijk.
Twee dingen worden hun hier ten laste gelegd, en wegens beide wordt hun oordeel uitgesproken, en het is een vreeslijk oordeel. 1. Zij verboden de profeten om in de naam Gods tot hen te spreken en getrouwelijk met hen te handelen. Deze hun zonde wordt beschreven in vers 10, 11. Zij hebben zich zo heftig gesteld tegen-de profeten, om hun het prediken te beletten, of ten minste om getrouw met hen te handelen in hun prediking, zij hebben hen zo bespot, hen zo uit het veld geslagen, dat zij feitelijk tot de zieners zeiden: ziet niet. Zij hadden het licht, maar hadden de duisternis liever. Het was hun voorrecht dat er zieners onder hen waren, maar zij deden wat zij konden om hun de ogen uit te steken, dat er profeten onder hen waren, maar zij deden wat zij konden om hun de mond te snoeren, want zij plaagden hen door hun boze wegen en handelingen, Openbaring 11:10. Zij, die aan Godvruchtige leraren het zwijgen opleggen en een goede prediking afkeuren en tegenwerken, worden terecht geacht wederspannigen te zijn tegen de Heere, en dus worden zij ook terecht aldus genoemd. Zie wat het was in de prediking van de profeten, waarmee zij zich bezwaard achtten:
A. De profeten wezen hen op hun fouten en gebreken, en waarschuwden hen voor ellende en gevaar door de zonde, en dat konden zij niet dragen of dulden. Zij moeten zachte dingen tot hen spreken, moeten hen vleien in hun zonden en zeggen dat zij wal handelden, en dat er geen kwaad, geen gevaar was in hun wijze van leven. Laat iets nog zo recht en waar zijn, als het niet zacht is, dan willen zij er niet van horen. Maar als het overeenkomt met de goede mening, die zij van zichzelf hebben, en hen daarin zal bevestigen al is zij ook nog zo onjuist, en al worden zij daardoor ook nog zo bedrogen en misleid, dan willen zij dat het hun geprofeteerd zal worden. Zij die begeren bedrogen te worden, verdienen bedrogen te worden.
B. De profeten hielden hen tegen op hun zondige wegen, en stelden zich op hun weg, zoals de engel zich op Bileams weg had gesteld, met het uitgetogen zwaard van Gods toorn in hun hand, zodat zij er niet zonder verschrikking op konden voortgaan. En dit namen zij hun hoogst kwalijk, als zij gemelijk voortgingen op de weg van hun eigen hart dan zeiden zij tot de profeten: "Wijkt af van de weg, maakt u van de baan! Wat doet gij op onze weg? Kunt gij ons niet met rust laten, niet laten doen wat wij willen?" Diegenen hebben er hun hart ten volle toe gezet om kwaad te doen, die aan hun getrouwe waarschuwers zeggen, dat zij hun uit de weg moeten blijven. "Houd gij op, waarom zouden zij u slaan?" 2 Kronieken 25:16.
C. De profeten spraken hun voortdurend van de Heilige Israëls, wezen hen er op welk een vijand Hij is van de zonde en hoe streng Hij zal afrekenen met de zondaren, en zij konden het niet dragen, om daarvan te horen. Beide de zaak zelf en de uitdrukking ervan waren te ernstig voor hen, en daarom: als de profeten tot hen willen spreken, dan is het hun beding dat zij God niet de Heilige Israëls zullen noemen want Gods heiligheid is de hoedanigheid, die goddelozen het meest vrezen Laat ons niet meer lastig gevallen worden met die statige inleiding tot uw vrijpostige toespraken. Diegenen hebben reden om te vrezen dat zij zullen omkomen in hun zonden, die het niet kunnen dragen om ervan weggeschrikt te worden.
Wat nu is het oordeel, dat hierom over hen wordt uitgesproken? Wij hebben het in vers 12, 13.
Merk op:
a. Wie het is, die uitspraak over hen doet. Zo zegt de Heilige Israëls. Van deze titel van God, waar zij inzonderheid bezwaar tegen hadden, maakt de profeet gebruik. Getrouwe leraren zullen er zich niet van laten weerhouden om zulke uitdrukkingen te gebruiken, die geschikt zijn om zondaars te doen ontwaken, al mishagen zij hen ook. Wij moeten de mensen zeggen dat God de Heilige Israëls is, en aldus zullen zij Hem bevinden te zijn, of zij het willen horen of niet willen horen.
b. Wat de grond is van het oordeel, omdat zij dit woord verwerpen, hetzij in het algemeen: ieder woord, dat de profeten tot hen spraken, of in het bijzonder: dit woord, dat van God spreekt als de Heilige Israëls, dit verwerpen zij, en willen het noch tot hun vreze maken, om er ontzag voor te hebben, noch tot hun hope, om er enigerlei vertrouwen in te hebben, maar veeleer dan iets verplicht te willen zijn aan de Heilige Israëls zullen vertrouwen op onderdrukking en verkeerdheid, op de rijkdom, die zij verkregen hebben, en de invloed, die zij verworven hebben doorliet en geweld, of op de zondige methoden, die zij aanwendden voor hun eigen veiligheid in tegenspraak met God en Zijn wil. Op deze steunen zij, en daarom zullen zij terecht vallen.
c. Wat het oordeel is, dat over hen wordt uitgesproken, deze misdaad zal ulieden zijn gelijk een vallende scheur. Dit uw vertrouwen zal zijn als een huis dat op het zand gebouwd is, dat vallen zal in de storm, en de bouwer onder het puin ervan zal begraven. Uw verwerpen van dit woord van God, waarop gij hadt kunnen bouwen, zal al het overige, waarop gij vertrouwt, als een uitwaarts gebogen muur maken, die, als er enig gewicht op wordt gelegd, naar beneden komt, ja, die dikwijls onder zijn eigen gewicht wegzinkt." Het verderf, dat zij hierdoor over zichzelf zullen brengen, zal zijn:
Ten eerste. Een plotseling verderf, de verbreking zal plotseling geschieden, in een ogenblik, en wanneer zij het niet verwachten, waardoor het nog zoveel te verschrikkelijker zal zijn, en wanneer zij er niet op voorbereid en niet op gewapend zijn en daardoor zal het nog te meer noodlottig zijn.
Ten tweede. Het zal een algeheel verderf zijn, algemeen en onherstelbaar. "Gij en al uw gebouwen zult niet alleen zwak zijn, als het leem van de pottenbakker, Hoofdstuk 29:16, maar verbrijzeld zoals het vat van de pottenbakker." Hij, die de ijzeren scepter heeft, zal het verbreken, Psalm 2:9, en Hij zal het niet sparen, niet in zorg zijn om er enig deel van heel te houden. Maar als het eens verbroken is, zodat het opgeschikt is geworden voor het gebruik, laat het dan maar geheel verbrijzeld worden, zodat er geen scherf van overblijft, groot genoeg om er een weinig vuur of water mee op te nemen, twee zaken, die wij dagelijks nodig hebben, en die arme lieden gewoonlijk in een stuk van een gebroken kruik halen. Zij zullen zijn niet slechts als "een ingebogen wand," Psalm 62:4, maar als een gebroken kan of glas, dat nergens toe deugt, en ook nooit meer heel gemaakt kan worden.
2. Zij sloegen geen acht op de vriendelijke aanwijzing, die God hun gaf, niet slechts hoe zij zich konden beveiligen, maar ook hoe zij tot kalmte en gerustheid konden komen. Zij wilden hun eigen weg gaan, vers 15-17.
Merk op:
A. De methode, die God hun aanwees om redding en sterkte te verkrijgen. De God, die hen kende en wist wat goed en geschikt voor hen was en die hun welzijn begeerde, gaf hun dit voorschrift, en het wordt ons allen aanbevolen.
a. Willen wij behoed worden voor het kwaad van elke ramp, behoed worden tegen de verzoeking ervan, en beveiligd worden tegen de vloek ervan, die er het enige kwaad van zijn? Het moet wezen in wederkering en rust, in wederkering tot God, en in Hem te rusten als onze rust. Laat ons wederkeren van onze boze wegen, waarop wij zijn afgeweken, en rusten, ons stellen op de weg van God en onze plicht, dat is het middel om gered te worden. Keert terug van dit plan om af te gaan naar Egypte, en berust in de wil van God, en dan kunt gij het gerust aan Hem overlaten om voor uw veiligheid te zorgen. In wederkering, in een grondige bekering van uw hart een grondige reformatie van uw leven en in rust, een volkomen onderworpenheid van uw ziel aan God, en een welgevallen aan Hem zult gij behouden worden.
b. Willen wij gesterkt worden om te kunnen doen wat van ons geëist wordt, en te dragen wat ons wordt opgelegd. Het moet wezen in stilheid en in vertrouwen, wij moeten ons hart, ons gemoed kalm en bedaard houden in een voortdurend steunen en bebouwen op God, op Zijn macht en Zijn goedheid, wij moeten tot onszelf inkeren met een heilige kalmte, alle heftige en onstuimige hartstochten bedwingende, en de vrede in ons binnenste bewaren. En wij moeten op God vertrouwen met een heilige overtuiging dat Hij kan doen wat Hij wil, en doen zal wat het beste is voor Zijn volk. En dit zal onze sterkte wezen. het zal ons bezielen met zo'n heilige kloekmoedigheid, dat het ons met kalmte en gerustheid zal heenhelpen door al de moeilijkheden, die wij ontmoeten.
B. De minachting, die zij betoonden voor dit voorschrift, zij wilden Gods raad niet aannemen, hoewel hij zo tot hun welzijn was. En rechtvaardiglijk zullen zij aan hun ziekte sterven, die God niet tot hun geneesmeester willen aannemen. Wij zijn gewis vijanden van onszelf, indien wij Hem niet onderworpen willen zijn. Zij wilden van de voorgeschreven methode niet eens de proef nemen, edoch gij hebt niet gewild. Gij zegt, vers 16, neen, wij zullen niet stilzitten, maar op paarden zullen we vlieden, op snelle paarden zullen Wij rijden, wij zullen ons hierheen spoeden en daarheen om buitenlandse hulp te halen. Zij denken wijzer te zijn dan God, en beter te weten wat goed voor hen is dan Hij. Toen Sanherib al de vaste steden van Juda innam, wilden deze weerspannige kinderen zich niet laten bewegen om stil te ziften en geduldig te wachten op Gods verschijnen voor hen, zoals Hij ten laatste zo wonderbaarlijk voor hen verschenen is, maar wilden liever zelf voor hun veiligheid zorgen, en hierdoor hebben zij zich nog aan zoveel te meer gevaar blootgesteld.
C. Het vonnis, hetwelk dieswege over hen wordt uitgesproken. Hun zonde zal hun straf wezen. "Gij wilt vlieden, en daarom zult gij vlieden, gij wilt spoed maken, en daarom zullen zij die u vervolgen spoed maken." De honden zullen het hardst hem al blaffende nalopen, die het snelste rijdt. De overwinnaars beschermden hen, die stilzaten, maar vervolgden hen, die zochten te ontkomen, en zo werd dat zelfde plan, door hetwelk zij dachten behoudenis te verkrijgen, rechtvaardiglijk hun verderf, en die het schuldigst waren, leden het meest. Er is voorzegd, vers 17,
a. Dat zij gemakkelijk afgesneden zullen worden, zij zullen door hun eigen angsten zo ontmoedigd zijn, nog vermeerderd door hun vlucht, dat een van de vijanden van hen zal verslaan, en vijf een geheel leger op de vlucht zal drijven, Deuteronomium 32:30.
b. Dat zij algemeen afgesneden zullen worden, en er slechts hier en daar een zal ontkomen, alleen in een eenzame plaats, overgelaten als een toonbeeld, als een mast, of een baken op een hoge berg, een waarschuwend voorbeeld voor anderen om zulke zondige maatregelen en zulk vleselijk vertrouwen te vermijden.