2 Kronieken 25:14-16
1. Hier is Amázia's afval van de God Israëls tot de goden van de Edomieten. Onbegrijpelijke dwaasheid! Achaz aanbad de goden van hen, die over hem gezegevierd hadden, daar was nog enige schijn van reden voor, Hoofdstuk 28:23.
Maar de goden te aanbidden van hen, die hij overwonnen had, die hun eigen aanbidders niet konden beschermen dat was wel de grootste ongerijmdheid, die men zich denken kan.
Wat zag hij toch in de goden van de kinderen van Seïr, dat hem kon verleiden om die zich tot zijn goden te stellen' en zich voor hen neer te buigen? vers 14.
Indien hij de afgoden van de top van de rots had nedergeworpen en ze had vergruizeld inplaats van de gevangenen, hij zou meer van de Godsvrucht zowel als van het mededogen van een Israëliet aan de dag gelegd hebben, maar misschien is hij om die onmenselijke wreedheid aldus aan deze bespottelijke afgoderij overgegeven.
2. De bestraffing, die God hem voor deze zonde door een profeet heeft gezonden. De toorn des HEEREN was tegen hem ontstoken en wel zeer rechtvaardiglijk, maar eer Hij hem aan het verderf overgaf zond Hij een profeet tot hem om hem van zonde te overtuigen, tot bekering te brengen, en aldus zijn verderf te voorkomen. De profeet heeft zeer eerlijk en zeer zacht met hem geredeneerd: Waarom hebt gij de gunst gezocht van de goden, die hun volk niet uit uw hand hebben kunnen redden? vers 15.
Indien de mensen slechts wilden bedenken hoe onmachtig om hen te helpen al die dingen zijn, tot welke zij de toevlucht nemen, als zij God verlaten, zij zouden zulke vijanden niet zijn van zichzelf.
3. De bestraffing, die hij de bestraffer gaf vers 16. Hij kon niets te berde brengen tot verontschuldiging van zijn eigen dwaasheid, de bestraffing was al te rechtmatig om er iets tegen in te brengen, maar hij maakte zich driftig tegen de bestraffer.
a. Hij hoonde hem als een onbeschaamder indringer, die zich bemoeide met wat hem niet aanging. Heeft men u tot des konings raadgever gesteld? Kon dan niemand een verstandig woord met hem spreken, zonder dat hem het schamper verwijt toegeduwd werd, dat hij zich de plaats van een geheimraad wilde aanmatigen? Maar als profeet was hij door de Koning van de koningen tot des konings raadgever gesteld, die de koning niet alleen verplicht was te horen, maar om raad te vragen en naar zijn raad te handelen.
b. Hij legde hem het zwijgen op, gebood hem op te houden, geen woord meer tot hem te zeggen. "Hij zei tot de ziener: zie niet", Jesaja 30:10. De mensen zouden wel gaarne hun profeten "er onder houden", zoals wij zeggen, zodat zij spreken wanneer en wat zij wensen zullen en niet anders.
c. Hij dreigde hem. Waarom zouden zij u slaan? Het is op uw gevaar, zo gij nog een enkel woords zegt aangaande deze zaak." Hij schijnt hem te herinneren aan het lot van Zacharia onder de vorige regering, die ter dood gebracht werd om zijn vrijpostigheid jegens de koning, en hij zegt hem zich aan diens lot te spiegelen. Aldus rechtvaardigt hij het doden van die profeet door deze te bedreigen, en zo maakt hij zich dan ook schuldig aan het bloed van beide. Hoewel de profeet, die hem had bevolen de hulptroepen van Israël terug te zenden, zich tegen zijn staatkunde had verzet en hem honderd talenten zilvers had doen verliezen vond hij toch gehoor bij hem, naar zijn raad werd geluisterd en gehandeld, vers 10.
Maar tegen deze profeet, die hem afried de goden van de Edomieten te aanbidden, ging hij met onverklaarbare woede tekeer, die aan de betovering van de afgoderij toegeschreven moet worden. Hij liet zich gemakkelijk bewegen om van zijn talenten zilvers afstand te doen, maar volstrekt niet om van zijn zilveren goden te scheiden.
4. Het oordeel dat de profeet dieswege over hem uitsprak. Hij had meer tot hem te zeggen voor onderricht en raad, maar hem hardnekkig bevindende in zijn ongerechtigheid, liet hij het na. Hij is "vergezeld met de afgoden, laat hem varen," Hosea 4:17.
Rampzalig is de toestand van de mens, met wie de gezegende Geest door leraren en door hun geweten niet langer wil twisten, Genesis 6:3 ,
en als zij, die bestraffen in de poort, evenals de bestraffer in het eigen binnenste na leng teruggewezen en teleurgesteld te zijn, ten laatste zwijgen, dies heb Ik hen overgegeven in het goeddunken huns harten.
De geruste zondaar laat er zich misschien op voorstaan, dat hij zijn bestraffers en vermaners tot zwijgen heeft gebracht en zich van hen heeft ontslagen, maar wat komt ervan? Ik merk dat God besloten heeft u te verderven, het is een duidelijk teken, dat gij ten verderve zijt aangeschreven, dewijl gij dit gedaan en naar mijn raad niet gehoord hebt.
Zij, die doof zijn voor bestraffing, rijpen snel voor het verderf, Spreuken 29:1.