Jesaja 22:1-7
Het opschrift van deze profetie is zeer opmerkelijk, het is de last van het dal van het gezicht, van Juda en Jeruzalem, daarvoor wordt het algemeen gehouden. Jeruzalem wordt zeer juist een dal genoemd, want zij was omringd van bergen en het land van Juda was vol van vruchtbare valleien. En hoewel zij als een hoog verheven berg waren, zullen zij door de oordelen Gods naar beneden worden gebracht, diep neergedrukt, duister en vuil worden als een dal. Maar zeer nadrukkelijk wordt het een dal van het gezicht genoemd, omdat God daar bekend was en Zijn naam er groot was, daar werden de profeten door gezichten met Zijn wil bekend gemaakt, en daar zag het volk de gangen van hun God en Koning in Zijn heiligdom. Babel, een vreemdelinge zijnde voor God, werd, hoewel zij rijken groot was, de woestijn van de zee genoemd, maar Jeruzalem, aan welke Zijn orakelen waren toevertrouwd, is een dal van het gezicht, zalig zijn hun ogen want zij zien, en er zijn mannen onder hen, wier ambt het is zieners te wezen. Waar bijbels en leraren zijn, daar is een deel van het gezicht, waar in evenredigheid vrucht van verwacht wordt, maar hier is het een last van het dal van het gezicht, en het is een zware last. De voorrechten van de kerk zullen, als er geen gebruik van wordt gemaakt, de mensen niet vrijwaren tegen de oordelen Gods. Uit alle geslachten van aardbodem heb Ik ulieden alleen gekend, daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken. Het dal van het gezicht heeft een bijzonderen last. Gij Kapernaum, Mattheus 11:23. Hoe hoger de mensen opgeheven zijn door genademiddelen en zegeningen, hoe zwaarder hun oordeel zal zijn, als zij er misbruik van maken.
Nu is de last van het dal van het gezicht hier hetgeen niet geheel en al ten verderve zal brengen, maar het zal hen verschrikken, want hij verwijst niet naar de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar, maar naar de aanslag, die erop gedaan zal worden door Sanherib, waarvan wij de profetie gehad hebben in Hoofdstuk 10, en de geschiedenis zullen hebben in Hoofdstuk 36, hij wordt hier opnieuw geprofeteerd, wegens de verwoestingen van vele van de naburige landen, die in de vorige hoofdstukken voorzegd waren en door het Assyrische leger teweeggebracht zijn. Laat Jeruzalem nu weten dat, als de beker rondgaat, hij in haar handen gegeven zal worden, en hoewel hij voor haar geen noodlottige beker zal zijn, zal hij toch wel een drinkbeker van de zwijmeling zijn. Hier wordt voorzegd:
I. De ontsteltenis, waarin de stad zal zijn op de nadering van Sanheribs leger. Zij placht vol van gedruis te zijn, een woelige stad, waarin de mensen zich heen en weer spoedden om hun zaken te doen, een volkrijke, luidruchtige stad, waar veel handel, veel vertier is, daar is ook grote drukte en rumoer. Zij placht een vrolijke joelende stad te zijn, aldus gemaakt door het drukke en vrolijke deel van het mensdom, plaatsen van samenkomst zijn plaatsen van gedruis. "Maar wat is u nu dat de winkels verlaten zijn, dat er geen wandelaars meer zijn in de straten, maar dat gij allemaal op de daken, klimt, vers 1, om in stilte en eenzaamheid te treuren, of om u te beveiligen tegen de vijand, of om u heen te zien uit te zien, of er ook hulp voor u komt opdagen, of waarheen de bewegingen van de vijand zich richten?" Laat zowel mannen van zaken als mannen van vermaak zich verblijden als niet blij zijnde, want er kan spoedig iets gebeuren, waaraan zij weinig denken, maar dat hun vreugde zal bederven en hun zaken zal doen stilstaan, en hen zal heen zenden om "te waken als een eenzame mus op het dak," Psalm 102:8. Maar waarom is Jeruzalem in zo'n ontsteltenis? Haar verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, vers 2, maar
a. Verslagen door honger, aldus sommigen, want daar Sanheribs leger het land verwoest en de vruchten van de aarde vernield had, moeten de levensmiddelen noodzakelijkerwijs schaars en duur zijn in de stad, hetgeen voor velen uit de armere bevolking de dood ten gevolge zal hebben, daar zij zich genoodzaakt zien ongezond voedsel te nuttigen.
b. Verslagen door vrees, zij waren in die ontsteltenis gekomen, hoewel er geen enkel man van hen gedood was, maar zij waren zelf zo ontmoedigd, dat de vrees hen doodde even zeker alsof zij met een zwaard waren doorstoken.
II. De roemloze vlucht van de oversten van Juda, zij zijn van verre gevloden, uit alle delen van het land naar Jeruzalem, vers 3, samen gevlucht, als met aller instemming, met gemeen overleg, en werden in Jeruzalem gevonden, hun verschillende steden verlaten hebbende, waarvoor zij hadden behoren te zorgen, en ze ten prooi gelaten hebbende aan het Assyrische leger, dat, geen tegenstand ontmoetende, toen het optoog tegen alle vaste steden van Juda, ze gemakkelijk innam, Hoofdstuk 36:1. Deze oversten waren gebonden van de boog-aldus luidt het Hebreeuwse woord, zij hebben niet alleen als lafaards hun eigen steden verlaten, maar toen zij te Jeruzalem kwamen, waren zij daar van geen nut of dienst, het was alsof hun handen gebonden waren, zodat zij de boog niet konden gebruiken vanwege de verwarring en verbastering waarin zij zich bevonden. Zij beefden zo, dat zij de boog niet konden spannen. Zie hoe gemakkelijk God de mensen de moed kan benemen, en hoe stellig de vrees dit doen zal, als aan haar tirannie wordt toegegeven.
III. De grote smart, die dit aan alle ernstige, verstandige mensen zal veroorzaken, die voorgesteld wordt doordat de profeet zelf de zaak zozeer ter harte nam. Hij heeft dit beleefd, en hij was besloten om in de smart van de kinderen van zijn volk te delen, vers 4, 5. Hij wil zijn smart niet bekend maken, en daarom zegt hij aan hen, die bij hem zijn, dat zij hem niet moeten aanzien, hij wil zich overgeven aan zijn smart, hij wil in stilte wenen, maar bitterlijk wenen, en niemand moet beproeven hem te troosten, want zijn smart is hardnekkig, en zijn pijn behaagt hem. Maar wat is de reden van zijn smart? Een arme profeet had weinig te verliezen, en hij had zich gewend aan ontberingen toen hij naakt en barrevoets ging, maar het is over de verstoring van de dochter van zijn volk. Openbare grieven moeten onze persoonlijke grieven zijn. Het is een dag van beroering en vertreding en van verwarring, onze vijanden beroeren en vertreden ons, en onze vrienden zijn verbijsterd en weten niet wet voor maatregelen zij moeten nemen om ons goede diensten te bewijzen, de Heere van de heirscharen twist thans met het dal van het gezicht, de vijanden zijn bezig om met hun stormrammen de muren af te breken, tevergeefs roepen wij tot de bergen om de vijand af te weren, of op ons te vallen en ons te bedekken, tevergeefs zien wij uit naar hulp, die van over de bergen tot ons komen zal, of roepen wij, evenals God, de bergen om onze twist te horen, Micha 6:1, en te richten tussen ons en onze ons benadelende naburen
IV. Het grote aantal en de sterkte van de vijand, die in hun land zal vallen en hun stad zal belegeren, vers 6, 7, Elam, de Perzen, komen met hun pijlkoker vol van pijlen en met wagens van strijdende krijgslieden en met ruiters, Kir, de Meden monsteren hun heirscharen, zij trekken het zwaard uit de schede en ontbloten het schild, en maken alles gereed voor het gevecht, brengen alles in gereedheid voor het beleg van Jeruzalem-dan zullen de uitgelezen dalen, de dalen rondom Jeruzalem, die bekleed plachten te zijn met kudden, en bedekt met koren, vol zijn van krijgswagenen, en aan de poort van de stad zullen de ruiters zich in slagorde stellen, om te beletten dat levensmiddelen naar binnen gebracht worden, en om voor zichzelf een weg te banen om erbinnen te dringen. In welk een toestand moet een stad zich bevonden hebben, die aan alle zijden door zo'n leger omgeven was!