Jesaja 36:1-10
Wij zullen hier slechts letten op enige practische leringen, welke hieruit afgeleid kunnen worden.
1. Dat een volk zich op de weg van de plicht kan bevinden, en toch in grote moeilijkheden en benauwdheid kan komen. Hizkia was werkzaam aan een hervorming, en zijn volk was ook enigermate op de weg van hervorming en verbetering van hun leven, en toch werd juist toen hun land aangevallen en een groot deel ervan verwoest. Misschien waren zij verslapt in het werk van de hervorming, en was hun ijver ervoor verkoeld, misschien deden zij het slechts ten halve, en kwam het bij hen niet tot een grondige reformatie, en toen heeft God hen bezocht met dit oordeel om opnieuw leven in hen te brengen, in hen en in deze goede zaak. Het moet ons niet verwonderen dat God, als wij wel doen, ons beproevingen zendt ten einde ons op te wekken om beter te doen, ons best te doen en naar de volmaaktheid te streven.
2. Dat wij nooit zeker moeten zijn van de voortduur van onze vrede in deze wereld, niet moeten denken dat onze berg zo vaststaat, dat hij niet bewogen kan worden. Hiskia was niet slechts een vroom, Godvrezend koning maar hij was wijs in het bestuur van zijn rijk en in zijn verdragen met het buitenland. Zijn zaken waren in een goede toestand en hij scheen inzonderheid in goede verstandhouding te zijn met de koning van Assyrië, want hij had kort geleden vrede met hem gesloten, nadat hij hem een rijk geschenk had gezonden, 2 Kon 18:14. En toch zendt die trouweloze koning plotseling een talrijk leger in zijn land en verwoest het. Daarom is het goed voor ons om altijd moeilijkheden en beproeving te verwachten, opdat zij, als zij komen, ons niet overvallen als een onaangename verrassing, en dan zullen zij ook minder een verschrikking voor ons wezen.
3. Dat God het soms toelaat dat de vijanden van Zijn volk, zelfs die, welke het meest goddeloos en verraderlijk zijn, tegen hen overmogen. De koning van Assyrië nam alle of de meeste vaste steden van Juda en zo zal dus natuurlijkerwijs het gehele land een gemakkelijke prooi voor hem zijn. De goddeloosheid kan wel voor een tijdje voorspoedig zijn, maar zij kan het niet altijd wezen.
4. Hoogmoedige mensen houden van grootspraak, zij snoeven gaarne op wat zij zijn en hebben en gedaan hebben, ja en op hetgeen zij zullen doen, om over anderen te zegevieren, en het is hun lust om geheel het mensdom te trotseren, hoewel zij er zich in de ogen van alle verstandige lieden bespottelijk mee maken en zich blootstellen aan de toorn van die God, die de hovaardigen wederstaat. Maar zij wanen zich op die wijze gevreesd te maken, ofschoon "zij zich gehaat maken, en door opgeblazen dingen te spreken, hun doel te bereiken", Judas: 16.
5. De vijanden van Gods volk pogen hen ten onder te brengen door hen te verschrikken, inzonderheid door hen weg te schrikken van hun vertrouwen op God. Zo werpt hier Rabsake door spot en grootspraak Hizkia terneer als volkomen onmachtig om met zijn meester, de koning van Assyrië, te strijden, of om voor hem te bestaan, hem ook maar voor een enkel ogenblik het hoofd te bieden. Daarom is het zaak voor ons om, ten einde de vijanden van onze ziel te kunnen weerstaan, onze moed levendig te houden door vast te houden aan onze hoop op God.
6. Het wordt van alle zijden erkend dat zij, die de dienst van God verlaten Zijn bescherming verbeuren. Indien het waar geweest was wat Rabsake aanvoerde, namelijk dat Hizkia Gods altaren had neergeworpen, dan zou hij met recht hebben kunnen denken dat hij niet met enige zekerheid op hulp en ondersteuning van Hem kon rekenen, vers 7. Wij kunnen dit zeggen tot verwaten zondaars, die zeggen te vertrouwen op de Heere en op Zijn genade: Is Hij het niet, wiens geboden zij voortdurend geminacht hebben, wiens naam zij hebben onteerd, op wiens inzettingen zij geen acht geslagen hebben? Hoe kunnen zij dan verwachten gunst bij Hem te zullen vinden?
7. Het is voor hen, die de kerk en het volk van God vervolgen zeer gemakkelijk om te zeggen- en gewoonlijk zeggen zij dit dan ook-dat zij er een opdracht van God voor hebben. Rabsake kon zeggen: Ben ik zonder de Heere opgetogen tegen dit land? terwijl hij toch in werkelijkheid tegen de Heere was opgetogen, Hoofdst 37:28. Zij, die de dienstknechten des Heeren doden, denken Hem dienst te bewijzen, en zeggen: Dat de Heere heerlijk worde. Maar vroeg of laat zullen zij tot hun schade en beschaming hun dwaling moeten inzien.