Jesaja 10:1-4
Of het de oversten en rechters van Israël, of van Juda, of van beide, waren, over wie de profeet dit wee uitroept, is niet zeker, indien het die van Israël waren, dan moeten deze verzen samengevoegd worden met het slot van het vorige hoofdstuk, hetgeen wel waarschijnlijk is, omdat het refrein van deze profetie-om dit alles keert Zion toorn niet af- hier herhaald is in vers 4. Indien het die van Juda waren, dan tonen zij aan wat de speciale zonde was, om welke God het Assyrische leger over hen bracht-om hun magistraten te straffen voor hun slecht beheer en bestuur, waarvoor zij niet wettelijk ter verantwoording geroepen konden worden. Over hen roept hij een wee uit, eer hij van vertroosting spreekt tot Gods volk. Hier is:
1. De beschuldiging, die tegen de verdrukkers wordt uitgesproken, vers 1, 2. Hun wordt ten laste gelegd:
a. Dat zij goddeloze wetten maken en boze edicten uitvaardigen. Zij zetten ongerechtige inzettingen in die in tegenspraak zijn met de natuurlijke billijkheid en met de wet van God, en het boze, dat zij voorschrijven, wordt door hun ondergeschikte ambtenaren opgeschreven en in vorm van wet gebracht. Wee de hogere machten, die deze decreten ontwerpen en uitvaardigen. Zij zijn niet te hoog om onder de goddelijke bestraffing te zijn. En wee de lagere beambten, die deze decreten schrijven en registreren! Zij zijn niet te gering om door God opgemerkt te worden, de schrijvers, die moeite voorschrijven, de hoogsten en de minderen, vallen onder hetzelfde wee. Het is slecht om kwaad te doen, maar het is nog slechter om het met overleg te doen en met bedoeling, onrecht te doen aan velen, en velen te betrekken in de schuld van onrecht te doen.
b. van het recht te verkeren bij de ten uitvoerlegging van de wetten, die gemaakt waren. Geen volk had zulke rechtvaardige inzettingen en rechten als zij hadden, en toch vonden verdorven rechters middelen om de armen van het recht af te wenden, hen te verhinderen om tot hun recht te komen en hetgeen hun toekwam terug te krijgen, omdat zij arm en nooddruftig waren, mensen, van wie niets te halen was, geen steekpenningen verwacht konden worden.
c. Van zich te verrijken door diegenen te verdrukken, die in hun macht waren en die zij hadden moeten beschermen, zij maken de huizen en bezittingen van weduwen tot hun prooi, en zij beroven de wezen van het weinige, dat hun gelaten is, omdat zij geen vriend hebben om voor hen op te komen. Hen niet te helpen als zij in nood zijn of gebrek lijden, hun geen recht te verschaffen, als hun onrecht werd aangedaan, zou reeds misdadig genoeg zijn geweest in mensen, die rijkdom en macht hebben, maar hen te beroven, omdat er aan de zijde van de verdrukkers macht was en de verdrukten geen trooster hadden, Prediker 4:1, -dat is een wreedheid zo groot, dat men niemand in staat zou achten er zich schuldig aan te maken, die de naam van mens had, of de naam van Israëliet.
2. Een uitdaging tot hen gericht om het eens te beproeven, of zij met al hun hoogmoed en hun macht Gods oordelen van zich kunnen afwenden, vers 3. "Wat zult gijlieden doen, tot wie zult gij vlieden? Gij kunt de weduwen en wezen vertreden, maar wat zult gijlieden doen, als God opstaat"? Job 31:14. Hoge, aanzienlijke mannen, die de armen tiranniseren, denken dat zij er nooit ter verantwoording voor geroepen zullen worden, er nooit meer van zullen horen, of dat het er hun niet slechter om gaan zal, maar zal God over deze dingen geen bezoeking doen? Jeremia 5:29. Zal er geen verwoesting komen over hen, die anderen in verwoesting gestort hebben? Zij zal misschien van ver komen, waardoor het lang duurt eer zij komt, maar komen zal zij ten laatste, uitstel van straf is geen kwijtschelding van straf, van ver komende, uit een hoek vanwaar zij het minst verwacht werd, zal zij des te meer verbazing en schrik verwekken. En wat zal er dan van deze onrechtvaardige rechter worden? Nu zien zij hen hulp in de poort, Job 31:21. Maar tot wie zullen zij vlieden om hulp? Er komt een dag van bezoeking, een dag van onderzoek en navraag, een dag van doorzoeking, die een ieder en een iegelijks werk aan het licht, het ware licht zal brengen. De dag van de bezoeking zal een dag van verwoesting zijn voor alle goddelozen, wanneer al hun troost en al hun hoop weg zijn, en zij zelf in verwoesting gelaten zullen worden. In die dag van de bezoeking zullen onboetvaardige zondaren ten einde raad zijn en niet weten wat te doen. Zij kunnen niet vluchten, zich niet verbergen, zij kunnen het niet uitvechten, zich niet verdedigen, zij hebben geen toevlucht, waar zij zich kunnen beschutten tegen het kwaad, (tot wie zult gij vlieden om hulp?) of om zich hiernamaals van betere tijden te verzekeren. "Waar zult gij uw heerlijkheid laten, om haar weer te vinden als de storm voorbij is?" De rijkdom, die zij hadden verkregen, was hun heerlijkheid, en zij hadden geen veilige plaats, waar zij die konden bewaren, maar zij zullen gewis zien dat hij zich vleugelen maakt. Als onze ziel onze heerlijkheid is, zoals zij behoort te wezen, als wij haar tot onze voornaamste zorg maken, dan weten wij waar wij haar hebben, en in wiens handen wij haar kunnen aanbevelen, namelijk in die van een getrouwe Schepper. Het is ons allen zeer nodig ernstig na te denken over hetgeen wij zullen doen ten dage van de bezoeking, ten dage van dood en oordeel, en er voor te zorgen dat wij dan zullen doen wat het rechte is.
3. Het vonnis, uitgesproken over hen, waarmee zij veroordeeld worden, sommigen van hen tot gevangenschap. Zij zullen zich buigen onder de gevangenen, zij, die het hoogst verheven waren in de zonde, zullen het zwaarst beladen worden, en het diepst verzonken zijn onder ellende, anderen tot de dood, zij zullen het eerst vallen, en dus vallen onder de overige verslagenen, zij, die de weduwen en wezen hadden vertreden, zullen nu zelf met voeten worden getreden, vers 4. "Daartoe zal het komen," zegt God, "Zonder Mij, omdat gij Mij verlaten hebt, en Mij van u hebt weggedreven." Niets dan het uiterste verderf kan verwacht worden door hen, die zonder God in de wereld leven, Hem achter hun rug werpen, en zichzelf aldus buiten Zijn bescherming werpen.
En toch: Om dit alles keert Zijn toorn niet af, hetgeen te kennen geeft, niet alleen dat God zal voortgaan met Zijn twist met hen, maar dat zij er in voortdurende angst om zijn zullen, zij zullen tot hun onuitsprekelijke verschrikking zien dat Zijn hand nog tegen hen uitgestrekt is, en er zal niets overblijven dan een verschrikkelijke verwachting van het oordeel.