Jesaja 21:11-12
Deze profetie betreffende Duma is zeer kort, en daarbij duister en moeilijk te verstaan. Sommigen denken dat Duma een deel van Arabië is, en dat de inwoners afstammelingen waren van Duma, de zesde zoon van Ismaël, zoals die van Kedar, vers 16, 17 van Ismaëls tweeden zoon, Genesis 25:13, 14. Omdat Seïr hier echter genoemd wordt, wordt Duma door anderen voor Idumea gehouden, het land van de Edomieten. Zeker zijn sommigen van Israëls naburen bedoeld, wier nood en benauwdheid voorzegd worden, niet alleen om hen te waarschuwen en er hen op voor te bereiden, maar ook tot waarschuwing aan Israël, om niet op hen te steunen of op enigerlei ander volk, voor hulp maar alleen op God. Wij moeten zien dat alle vertrouwen op schepselen ons faalt, wij moeten gevoelen dat zij onder ons breken of wegzinken, opdat wij niet meer gewicht op hen leggen, dan zij kunnen dragen. Maar hoewel de verklaring van deze profetie moeilijk is omdat wij geen geschiedenis hebben, waarin wij de vervulling ervan vinden, zal de toepassing ervan toch gemakkelijk wezen. Wij hebben hier:
1. Een vraag van een Edomiet aan de wachter. Iemand roept uit Seïr, iemand aan wie het openbare welzijn meer ter harte ging dan aan anderen, die zorgeloos en gerust waren. Gelijk de Macedonische man in het visioen Paulus riep om over te komen en hen te helpen Handelingen 16:9, zo heeft deze man uit Seïr in een visioen van de profeet begeerd om hem in te lichten en te onderwijzen. Hij roept niet velen, het is gelukkig dat er nog enigen zijn, die niet even onbekommerd en onverschillig zijn voor hetgeen tot de openbare vrede en de openbare veiligheid dient. Sommigen uit Seïr vragen Gods profeten om raad, en willen onderricht worden, als velen uit Gods Israël nergens acht op slaan. De vraag is ernstig. Wat is er van de nacht? Zij wordt gedaan aan een geschikt persoon, aan de wachter, wiens ambt het is antwoord te geven op zulke vragen. Hij herhaalt de vraag als iemand, die in zorg is, wie het ernst is, en die een antwoord wenst te ontvangen. Gods profeten en leraren zijn gesteld als wachters, en wij moeten hen als zodanig beschouwen. Zij zijn als wachters in de stad in tijd van vrede, om toe te zien dat alles veilig is, door persoonlijk vragen aan ieders deur te kloppen. Is zij wel gesloten? Is het vuur veilig en in orde? Om hen te besturen, de weg te wijzen die in verlegenheid zijn, en hen te bedwingen, in toom te houden, die onordelijk zijn, Hooglied 3:3, 5:7. Zij zijn als wachters in het legerkamp in tijd van oorlog, Ezechiël 33:7, zij moeten acht geven op de bewegingen van de vijand, en kennis er van geven, ontdekkingen doen, en dan waarschuwen, en hierin moeten zij zichzelf verloochenen. Het is onze plicht om navraag te doen bij de wachters, inzonderheid om hun telkens en nogmaals te vragen: Wat is er van de nacht? Want wachters waken als anderen slapen.
a. Welk uur van de nacht is het? Is het na een langdurige slaap in zonde en vleselijke gerustheid niet tijd om op te staan? niet hoog tijd om uit de slaap te ontwaken? Romeinen 13:11. Wij hebben zeer veel werk te doen, een lange reis af te leggen, is het niet tijd om in beweging te komen? Wachter, hoe laat is het? Is er na een lange donkeren nacht hoop, dat de morgen aanbreekt?
b. Welke tijdingen zijn er van de nacht? Aldus sommigen. "Welk visioen heeft de profeet van nacht gehad? Wij zijn bereid om het te horen, te ontvangen." Of liever: "Wat valt er voor vannacht? Wat is het voor weer? Welke tijdingen zijn er?" Wij moeten een alarmsein verwachten, en nooit gerust zijn, ons aan geen vleselijke gerustheid overgeven, de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, wij moeten ons bereiden om het alarmsein te horen en besluiten stand te houden, en dan op de eerste wenk letten dat er gevaar is, en terstond te wapen te gaan en onze geestelijke wapenen te gebruiken. 2. Des wachters antwoord op deze vraag. De wachter was noch in slaap, noch stom, ofschoon het een man uit Seïr was, die hem riep, was hij toch bereid hem te antwoorden: De morgenstond komt. Hij antwoordt:
a. Bij wijze van voorzegging. "Er komt eerst een morgen van licht en vrede en goede gelegenheid, gij zult nog een dag van aangenaamheid hebben, maar daarna komt een nacht van benauwdheid en ramp." In de loop van Gods voorzienigheid wisselen nacht en morgen gewoonlijk elkaar af, volgen zij elkaar op. Is het nacht? De morgen komt toch, en de Opgang uit de hoogte kent zijn plaats. Psalm 30:6. Is het dag? Maar ook de nacht komt als er een morgen is van jeugd en gezondheid, er zal een nacht komen van ziekte en ouderdom, als het een morgen is van voorspoed, voor het gezin, voor het publiek, dan moeten wij ons toch bereiden op veranderingen. Maar gewoonlijk geeft God een morgen van goede gelegenheden, eer Hij een nacht zendt van tegenspoed en ramp, opdat Zijn eigen volk bereid zou zijn voor de storm, en anderen zonder verontschuldiging worden gelaten.
b. Bij wijze van opwekking: Wilt gijlieden vragen, vraagt. Het is onze wijsheid om van de tegenwoordige morgen gebruik te maken, om ons te bereiden voor de komende nacht, " vraagt, keert weer, komt!" Zijt weetgierig, zijt boetvaardig zijt gewillig en gehoorzaam. De wijze van uitdrukking is zeer opmerkelijk, want het wordt aan onze keus overgelaten wat wij zullen doen. "indien gij wilt vragen, vraagt, indien niet het is voor uw verantwoording, gij kunt niet anders zeggen dan dat u een oprecht aanbod is gedaan." Wij worden ook gedrongen om tot een beslissing te komen. Indien gij het wilt, zegt het, en aarzelt niet, wat gij doen wilt, doe het haastig, want er is geen tijd om te beuzelen. Zij, die weerkeren en tot God komen, zullen bevinden dat er zeer veel voor hen te doen is, en zeer weinig tijd om het in te doen, en daarom is het nodig dat zij ijverig bezig zijn.