Jesaja 28:9-13
De profeet klaagt hier over de erbarmelijke domheid van het volk, dat zij onleerzaam waren, zich niet verbeterden door de middelen van de genade, die zij deelachtig waren, zij bleven nog zoals zij waren, hun vergissingen werden niet hersteld, hun hart werd niet vernieuwd hun levensgedrag niet verbeterd.
Merk op:
I. Wat het was, dat hun profeten en leraren bedoelden, het was hen kennis te leren, de kennis van God en van Zijn wil, en hen het gehoorde te doen verstaan, vers 9. Dit is Gods wijze van handelen met de mensen, eerst hun geest te verlichten met de kennis van Zijn waarheid, en aldus hun genegenheden te winnen, en hun wil in onderwerping te brengen aan Zijn wetten, aldus komt Hij in door de deur, terwijl de dief en moordenaar langs een andere weg naar binnen klimt.
II. Welke methoden zij aanwendden om dit doel te bereiken. Zij lieten geen middel onbeproefd om hun goed te doen, maar onderwezen hen, zoals kinderen onderwezen worden kleine kinderen, die pas beginnen te leren, die van de borst worden genomen om naar de boeken te gaan, vers 9, want onder de Joden was het gebruikelijk dat moeders haar kinderen zoogden totdat zij drie jaren oud waren, en dus bijna gereed waren om naar school te geen. En het is goed om bijtijds te beginnen met kinderen, naar hun vatbaarheid, de goede kennis des Heeren te leren, en hun onderricht te geven reeds zodra zij gespeend zijn van de moedermelk.
De profeten onderwezen hen, zoals kinderen onderwezen worden, want
1. Zij waren vlijtig en standvastig in hen te onderwijzen, zij gaven zich veel moeite met ben, en gebruikten veel wijsheid om hen te onderrichten naar hun behoefte, en naar dat zij in staat waren het onderwijs te dragen, vers 10. Gebod op gebod zo moet het zijn, of, zoals sommigen het lezen: zo is het geweest. Zij werden onderwezen, zoals aan kinderen lezen wordt geleerd, door gebod op gebod, en zoals hen schrijven wordt geleerd, door regel op regel, hier een weinig, daar een weinig van deze zaak, en een weinig van een andere zaak, opdat de afwisseling in het onderwijs aangenaam en uitlokkend zou zijn, een weinig van het ene, en een weinig van het andere, opdat hun geheugen niet overladen zou worden, een weinig van de ene profeet, en een weinig van een anderen opdat iedereen behagen kan hebben in zijn vriend en deze kan bewonderen. Voor ons onderricht in de dingen Gods is het nodig dat wij gebod op gebod hebben, en regel op regel, opdat aldus het een gebod, gevolgd en versterkt zou worden door een ander gebod en de ene regel door de anderen, het gebod van gerechtigheid moet volgen op dat van de Godsvrucht, en het gebod van de liefde op dat van de gerechtigheid. Ja het is nodig dat hetzelfde gebod en dezelfde regel dikwijls herhaald worden, ons worden ingeprent, opdat wij ze te beter zullen verstaan, en ze ons zoveel gemakkelijker voor de geest kunnen brengen als wij ze nodig hebben. Onderwijzers behoren zich te schikken naar de vatbaarheid van hun leerlingen, zij moeten hun geven hetgeen zij het meest van node hebben en het best kunnen dragen en zij moeten hun weinig tegelijk geven, Deuteronomium 6:6, 7.
2. Zij spraken hen vriendelijk aan, vers 12. Door Zijn profeten zei God tot hen: Deze weg, die wij u wijzen en op dewelken wij u leiden en besturen is de rust, de enige rust waarmee gij de vermoeide kunt doen rusten, en dit zal de verkwikking zijn voor uw eigen zielen, en zal rust aanbrengen voor uw land van de oorlog en de andere rampen, waardoor het zo lang geteisterd werd." Door Zijn Woord roept God ons tot niets anders dan tot hetgeen tot ons eigen voordeel en welzijn is, want de dienst van God is de enige ware rust voor hen, die de dienst van de zonde moede zijn, en er is geen verkwikking dan onder het zachte juk van de Heere Jezus.
III. Hoe weinig uitwerking dit alles gehad heeft op het volk, zij waren even ongeschikt om te leren als kinderen, die pas van de melk gespeend zijn, en het was even onmogelijk om hen iets te doen verstaan, vers 9, ja men zou liever een kind van twee jaar willen onderwijzen dan het op zich te nemen om hen te onderwijzen, want evenals zo'n kind hebben zij niet slechts het vermogen niet, om in zich op te nemen wat hen geleerd wordt, maar zij zijn er tegen bevooroordeeld. Evenals kinderen "hebben zij melk van node, en kunnen geen vaste spijze verdragen," Hebreeën 5:12.
1. Zij wilden niet horen, vers 12, neen, zelfs niet hetgeen hun tot rust en verkwikking zou zijn, zij hadden geen lust om het te horen, het woord van God eiste hun ernstige aandacht, maar kon haar niet verkrijgen, zij bevonden zich ter plaatse waar het gepredikt werd, maar zij neigden er hun oor niet naar of het ging bij hen het een oor in en het andere oor uit.
2. Zij wilden niet opmerken, het was voor hen gebod op gebod, en regel op regel, vers 13, zij gingen voort op een weg van uitwendige verrichtingen, zij hielden de oude gewoonten aan om de prediking bij te wonen van de profeten, en zij weerklonk voortdurend in hun oren, maar dat was alles, zij maakte geen indruk op hen, zij hadden de letter van het gebod, maar geen ervaring van de kracht en de geest ervan, het sloeg gedurig tegen hen aan, maar het sloeg niet in hen. Ja meer:
3. Zij schenen de spot te drijven met de prediking van de profeten, het woord des Heeren was hun tsau latsau, kau lakau (het oorspronkelijke is op rijm) zij maakten een deun van de woorden van de profeten, en zongen ze als zij vrolijk waren bij de wijn. David was het snarenspel van de dronkaards. Het is zeer goddeloos en een zware belediging voor God om een grapje te maken van heilige dingen, ijdellijk te spreken van hetgeen ons ernstig moest maken.
IV. Hoe streng God hiervoor met hen zal afrekenen:
1. Hij zal hen beroven van het voorrecht van een duidelijke prediking, en met stamelende lippen en een andere tong tot hen spreken, vers 11. Zij, die niet willen verstaan wat duidelijk is, maar dit geringachten als nietig en beuzelachtig, worden terecht in spanning gehouden door hetgeen boven hun bevatting is. Of, God zal vreemde legers onder hen zenden, wier taal zij niet verstaan, om hun land te verwoesten. Aan hen, die de troostrijke stem van Gods Woord niet willen horen, zal de verschrikkelijke stem te horen gegeven worden van Zijn roede. Of, deze woorden kunnen opgevat worden als aanduidende Gods nederbuigende goedheid, daar Hij zich nederbuigt tot hun bevatting in Zijn handelingen met hen, Hij lispelt voor hen in hun eigen spraak, zoals een voedster doet met een kindeke, met stamelende lippen om hun genoegen te doen. Hij veranderde Zijn stem, beproefde eerst de ene manier met hen en toen een andere. De apostel haalt het aan als een gunst, 1 Corinthiers 14:21, het toepassende op de gave van de talen, en klagende dat zij met dat al toch niet wilden horen.
2. Hij zal een algeheel verderf over hen brengen. door hun goddeloos verachten van God en Zijn Woord verhaasten zij slechts hun eigen verderf, maken zij er zich rijp voor, het is opdat zij henengaan en achterwaarts vallen, al erger en erger zullen worden al verder en verder van God zullen afwijken van de ene zonde tot de andere zullen gaan, totdat zij geheel verbroken zijn, verstrikt en gevangen zullen worden, en in het verderf gestort, vers 13. Zij hebben hier een weinig en daar een weinig van het woord van God, zij denken dat het te veel is, en zeggen tot de zieners: Ziet niet, maar het blijkt te weinig te zijn om hen tot bekering te brengen, en zal blijken genoeg te wezen om hen te veroordelen. Als het geen reuk des levens is ten leven dan zal het een reuk des doods zijn ten dode.