Jesaja 43:22-28
Deze beschuldiging (en het is een zeer zware beschuldiging, die hier ingebracht wordt tegen Jakob en Israël, Gods belijdend volk) komt hier voor:
1. Om Gods gerechtigheid in het licht te stellen, waarmee Hij hen in gevangenschap heeft gezonden, en er Hem in te rechtvaardigen. Waren zij niet in verbond met Hem? Hadden zij Zijn heiligdom niet in hun midden? "Waarom heeft de Heere zo met dit land gedaan?" Deuteronomium 29:24. Hier wordt er een goede reden voor gegeven: zij hadden God veronachtzaamd en Hem verworpen, daarom heeft Hij hen rechtvaardig verworpen en hen ten ban overgegeven, vers 28, en zij moeten er toe gebracht worden om dit te erkennen, eer zij bereid zijn voor verlossing, en dat hebben zij gedaan, Daniël 9:5, Nehemia 9:33.
2. Om Gods genade te verhogen in hun verlossing, en deze nog heerlijker te doen uitkomen. Vele dingen zijn tevoren opgemerkt om Gods macht er in te verheerlijken maar dit verheerlijkt Zijn goedheid, dat Hij zulke grote en vriendelijke dingen doen zou voor een volk, dat zo tergend voor Hem geweest is, en nu de rechtvaardige straf leed voor hun ongerechtigheid. De vergeving van hun zonde was een even groot blijk van Gods macht, (want aldus beschouwt Mozes het, Numeri 14:17, als het verbreken van het juk hunner gevangenschap. Merk hier nu op:
I. Wat de zonden waren, die hun hier ten laste worden gelegd.
1. Nalating van het goede, dat God hun geboden had, en op dat deel van de beschuldiging wordt hier zeer de nadruk gelegd, en let er op, hoe dit hier voorkomt met een "doch" of "maar", vergelijk vers 21, waar God hun voorhoudt welke gunsten Hij hun had geschonken, en welke rechtmatige verwachtingen Hij van hen koesterde: Hij had hen geformeerd voor Hemzelf, bedoelende dat zij Zijn lof zouden vertellen. Maar zij hadden het niet gedaan, zij hadden Gods verwachtingen van hen teleurgesteld en Zijn gunsten hebben zij zeer slecht vergolden. Want:
A. Zij hadden het gebed nagelaten, gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob. Jakob was een man, die vermaard was voor zijn bidden, Hosea 12:4, zijn zaad droeg zijn naam, maar trad niet in zijn voetstappen, en dat wordt hun zeer terecht verweten. God is er zeer misnoegd over als kinderen ontaarden van de deugd en de Godsvrucht van hun vrome voorouders. Te roemen in de naam van Jakob terwijl wij leven zonder gebed, dat is te spotten met God en onszelf te bedriegen. Indien Jakob God niet aanroept, wie zal het dan wel doen?
B. Zij waren hun Godsdienst moede geworden. "Gij zijt Israël, het zaad, niet slechts van een biddend, maar van een overmogend vader, in het gebed, die een vorst was bij God, en toch evenmin zijn ervaring waarderende, als zijn voorbeeld volgende zijt gij Mij moe geworden." Zij stonden in betrekking tot God, werden gebruikt in Zijn dienst, zij waren in gemeenschap met Hem, maar het begon hun te vervelen en zij zeiden: Zie welk een vermoeienis. Zij, die het nalaten om God aan te roepen, geven Hem hiermede te kennen dat zij Hem moe zijn en geneigd zijn om van meester te veranderen.
C. Zij morden over de onkosten van hun Godsdienst en waren er vrekkig in, zij waren voor een goedkoper eredienst, en van de verrichtingen van de Godsdienst, die enigszins kostbaar waren, wensten zij voor verontschuldigd gehouden te worden, zij hadden niet eens hun kleinvee, hun lammeren, geiten, die God eiste, ten brandoffer gebracht, vers 23, en nog veel minder brachten zij hun groot vee, voorgevende dat zij het niet konden missen het nodig hadden om hun gezin te onderhouden, zo weinig besef hadden zij van de grootheid van God en van hun verplichtingen jegens Hem, dat zij het niet van zich konden verkrijgen om tot zijn eer een lam van hun kudde af te staan, hoewel Hij er om vroeg en het genadiglijk zou aannemen. Kalmus werd gebruikt voor de heilige olie, voor reukwerk, maar zij wilden daar de onkosten niet van dragen, vers 24, wat ze er nog van hadden moet maar gebruikt worden, al was het ook oudbakken en verschaald, nieuwe wilden zij niet kopen. Misschien was het gebruikelijk dat vrome mensen reukwerk brachten als een vrijwillige offerande, zoals zij andere zaken als vrijwillige offeranden brachten, maar zij waren niet zo vrijgevig, ook hebben zij Gods altaar niet gevuld, of het zo overvloedig bevochtigd met het vet van hun slachtoffers als zij hadden behoren te doen, de offers die zij brachten waren van het magere en minderwaardige van hun kudde, waaraan geen vet was om er het altaar op te onthalen.
D. Met de offers, die zij brachten, hebben zij God niet geëerd, en zo waren het dan in werkelijkheid geen offeranden, vers 23. Met uw slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd. Sommigen van hen brachten hun offers aan valse goden, anderen, die ze aan de ware God brachten, waren of onverschillig en koud in de wijze waarop zij ze brachten, of huichelachtig in hun bedoeling er mede, zodat er in waarheid van hen gezegd kon worden dat zij er God niet mee eerden, veeleer hebben zij er Hem mee onteerd.
En hetgeen hun verzuim in het brengen van offers nog verzwaarde was dat, zoals God ze verordineerd had, zij niet bezwaarlijk waren, het was geen dienst waarover zij te klagen hadden. Ik heb u Mij niet doen dienen met offeranden, Ik heb het niet tot een harde moeilijke of vervelende taak voor u gemaakt, wat gij er door de verdorvenheid van uw natuur voor uzelf van gemaakt moogt hebben. Ik heb u niet vermoeid met wierook. Geen van Gods geboden zijn zwaar, neen ook die niet betreffende spijsoffer en wierook. Zij waren niet kostbaarder dan zij konden bijbrengen, die in zo'n rijk, vruchtbaar land woonden, en hun waarnemen er van kostte hun ook niet meer tijd dan ze goed konden missen. Maar hetgeen inzonderheid hun verbood om het een vermoeiende dienst te noemen of een vervelende dienst, was, dat hun geboden was blijmoedig te zijn, en zich in God te verblijden in hun dienen van Hem en hun naderen tot Hem, Deuter. 12:12. Z4 hadden vele feesten, maar slechts één dag in het jaar, waarop zij hun zielen moesten verootmoedigen. Hoewel de inzettingen van de ceremonieële wet in vergelijking met het rechte juk van Christus zwaar genoemd worden, Handelingen 15:10, zijn zij toch in vergelijking met de dienst, die afgodendienaars deden voor hun valse goden, licht, en konden zij noch hard noch vervelend genoemd worden. God heeft niet zoals de Moloch, van hen geëist Hem hun kinderen te offeren.
2. Het doen van het kwaad, dat God hun had verboden, en nalaten baant gewoonlijk de weg voor doen, gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden. Als wij Gods gaven tot voedsel en brandstof maken van onze lusten en Zijn voorzienigheid tot de beschermster van onze boze plannen, inzonderheid als wij onszelf aanmoedigen om in de zonde te volharden omdat de genade overvloedig is geweest, dan maken wij God arbeid met onze zonden. Of het kan aanduiden welk een last en een smart de zonde is voor God, zij vermoeit niet slechts de mensen en doet het gehele schepsel zuchten, maar zij maakt ook mijn God moe, Hoofdstuk 7:13, en doet de Schepper klagen dat Hij verdriet heeft, Psalm 95:10, dat Hij verbroken is, Ezechiël 6:9, dat Hij gedrukt is onder ons als een wagen, die vol is van garven, Amos 2:13, en uitroepen: "o wee! Ik zal Mij troosten over Mijn wederpartijders," Hoofdstuk 1:24. De anthithesis is opmerkelijk: God had hen niet doen dienen met hun spijsoffers, maar zij hebben hem doen dienen met hun zonden, vers 24. De meester had de dienstknechten niet vermoeid met Zijn bevelen, maar zij hebben Hem vermoeid met hun ongehoorzaamheid. Het zijn wel waarlijk boze dienstknechten, die zich jegens zo'n goede meester zo slecht gedragen. God draagt tedere zorg voor ons welzijn, maar wij zijn geheel onverschillig voor zijn eer. Laat dit ons doen besluiten om ons dicht aan onze plicht te houden daar die plicht gemakkelijk en redelijk is, geen verkleining voor ons is, en ook niet te moeilijk of te hard voor ons.
II. Wat de verzwaringen waren van hun zonde, vers 27.
1. Dat zij kinderen van de ongehoorzaamheid waren, want hun eerste vader, en hun voorvaderen hadden gezondigd, en zei hadden niet slechts in hun lenden gezondigd, maar evenals zij gezondigd. Ezra belijdt dit: "Van de dagen onzer vaderen aan zijn wij in grote schuld" Ezra 9:7. Maar hun voorvaderen worden hun eerste vader genoemd, om ons te herinneren aan de afval en de rebellie van onze eersten vader Adam, tot wiens verdorven bron wij al de stromen van onze overtredingen terug moeten leiden.
2. Dat zij ook leerlingen van de ongehoorzaamheid waren, want hun uitleggers-hun leraren- hebben tegen God overtreden, waren schuldig aan grove, ergerlijke zonden, en zo heeft het volk ongetwijfeld geleerd om te doen zoals zij deden. Het staat slecht met een volk als hun leidslieden hen doen dwalen, en hun leraren, die hen meesten verbeteren, hen verderven.
III. Wat de tekenen waren van Gods misnoegen tegen hen vanwege hun zonden, vers 28. Hij bracht verderf beide over de kerk en de staat.
1. De eer hunner kerk werd in het stof gelegd en vertreden, de oversten des heiligdoms heb Ik ontheiligd, de priesters en Levieten, die met grote waardigheid en macht de tempeldienst leidden. Zij hebben zichzelf ontheiligd en maakten zich onwaardig door de gruwelen, die zij bedreven, en toen heeft God hen ontheiligd en onwaard, gemaakt door de rampen, die hen troffen, en de smaad, die over hen werd uitgestort, Maleachi 2:9.
2. Ook de eer van hun staat was vernietigd. "Jakob heb Ik ten ban overgegeven om gevloekt, gehaat en mishandeld te worden door al hun naburen, en Israël tot beschimpingen, om beledigd, bespot en vertreden te worden door hun vijanden. Zij hebben hen misschien gesmaad om hetgeen goed in hen was, "zij spotten met hun rustdagen," Klaagliederen 1:7, maar God gaf hen over tot beschimping om hen te tuchtigen voor hetgeen verkeerd in hen was. De oneer, die de mensen ons te eniger tijd aandoen, moet ons verootmoedigen wegens de oneer, die wij God hebben aangedaan, en wij moeten het dragen met geduld, omdat wij rechtvaardig lijden, en wij moeten erkennen dat van onze de beschaamdheid des aangezichts is.
IV. Wat desniettemin de rijkdom was van Gods genade over hen, vers 25. Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg Deze genadige verklaring van Gods bereidwilligheid is hier zeer verrassend. De beschuldigingen waren zeer zwaar: gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheid, vers 24. Nu zou men denken dat hierop moet volgen: Ik, Ik ben het, die u zal verdelgen, en Mij niet langer zal belasten met de zorg voor u." Neen, Ik Ik ben het, die u zal vergeven, alsof de grote God ons wilde leren dat beledigingen te vergeven het beste middel is om zelf rustig en vredig te zijn, en er ons voor te behoeden om er vermoeid door te worden, dit komt hier voor om hen aan te moedigen tot berouw en bekering, omdat er bij God vergeving is, en om het vrijwillige van de Goddelijke genade in het licht te stellen, als de zonde bovenmate zondig is geweest, dan zien wij hoe groot en overvloedig de genade is. Pas dit toe: 1. Op de vergeving van de zonden van Israël als een volk in hun nationale hoedanigheid, toen God de loop van de dreigende oordelen heeft gestuit en hen voor een algehele ondergang heeft behoed, zelfs toen Hij hen onder strenge bestraffing had, kon Hij nog gezegd worden hun overtredingen uit te delgen, hoewel Hij hen tuchtigde, was Hij toch weer met hen verzoend, en heeft Hij hen niet afgesneden om een volk te zijn. Zo heeft Hij menigmaal gedaan, totdat zij Christus en Zijn Evangelie hebben verworpen, hetgeen een zonde was tegen het geneesmiddel, en toen wilde Hij hun als volk niet meer vergeven, maar heeft Hij hen ten enenmale verdaan.
2. Op de vergeving van de zonden van iederen gelovigen boetvaardige, overtredingen en zonden, zwakheden en tekortkomingen, hoe talrijk ook, afkerigheden, hoe snood ook.
Merk hier op:
A. Hoe de vergeving is uitgedrukt, Hij zal hun zonden en overtredingen uitdelgen, zoals een wolk teniet wordt gedaan door de stralen van de zon, Hoofdstuk 44:22, zoals een schuld uitgedelgd wordt om niet meer tegen de schuldenaar te verschijnen, de schuldig doorgehaald alsof zij betaald was, omdat ze vergeven werd na de betaling door de borg, of zoals een vonnis uitgedelgd of uitgewist wordt, als het herroepen is, zoals de vloek uitgewist werd door het water van de ijveringen, waardoor hij krachteloos werd tegen de onschuldige, Numeri 5:23. Hij zal de zonde niet gedenken, hetgeen te kennen geeft, niet alleen dat Hij de straf kwijtscheldt van het verledene, maar dat in de toekomst Zijn liefde er niet door zal afnemen. Als God vergeeft, dan vergeet Hij.
B. Wat de grond en oorzaak is van de vergeving. Het is niet vanwege iets in ons, maar om Zijnentwil, om de wille van Zijn goedertierenheid om ter wille van Zijn belofte, en inzonderheid om ter wille van Zijn Zoon, en opdat Hij zelf er in verheerlijkt zal worden.
C. Hoe God er in roemt. Ik, Ik ben het, Hij roemt er in als in Zijn kroonrecht, niemand kan de zonde vergeven dan God alleen, en Hij zal het doen, het is Zijn vast voornemen, Hij zal het gaarne doen en met verlustiging, het is Zijn genot, zijn eer, het behaagt Hem het aldus te beschouwen.
De woorden in vers 26, maakt Mij indachtig, kunnen verstaan worden, hetzij:
a. Als een bestraffing aan een hoogmoedige Farizeeër, die op zijn eigen rechtvaardigmaking voor God staat en om zich eigen verdiensten gunst van Hem verwacht, en niets aan vrije genade verschuldigd denkt te zijn. "Indien gij iets tot uw eigen rechtvaardigheid meent te kunnen zeggen, iets kunt noemen om de wille waarvan gij vergiffenis behoort te ontvangen en niet om Mijnentwil, zo maak mij er aan indachtig, ik sta u toe om uw eigen zaak bij mij te bepleiten, zag waarin uw verdiensten bestaan, opdat gij erdoor gerechtvaardigd wordt." Maar zij, die daartoe opgeroepen worden, zullen verstommen. Of,
b. Als een aanwijzing en aanmoediging voor een boetvaardige tollenaar. Is God aldus bereid om zonde te vergeven, en zal Hij als Hij haar vergeeft niet meer gedenken? Laat ons Hem dan doen gedenken, die zonden voor Hem noemen, want zij moeten steeds voor ons zijn om ons te verootmoedigen, al zijn zij ook vergeven Psalm 51:5. Maak Hem indachtig aan de belofte, die Hij gedaan heeft aan de boetvaardigen, en aan de voldoening van Zijn Zoon voor hen. Pleit hierop in uw worstelen met Hem om vergeving, en spreek van deze dingen, opdat gij door Zijn genade om niet gerechtvaardigd kunt worden. Dit is het enige middel-en het is een onfeilbaar middel om tot vrede te komen: alleen erken uw overtredingen.