Jesaja 13:6-18
Wij hebben hier een sierlijke en levendige beschrijving van de ontzettende verwoesting, die in Babel aangericht zal worden door de aanval, die de Meden en Perzen erop doen zullen. Hun, die thans veilig en gerust zijn, wordt gezegd te huilen en te weeklagen. Want,
I. God is op het punt om tegen hen te verschijnen in toorn, en vreeslijk is het om in Zijn handen te vallen. De dag van de Heer is nabij, vers 6, een kleine dag des oordeels, wanneer God zal handelen als wreker van Zijn eigen en de zaak van Zijn volk, waaraan onrecht is geschied. En er zijn de zodanigen, die reden hebben om te beven als die dag nabij is. De dag van de Heer komt, vers 9. De mensen hebben thans hun dag, en zij denken de overwinning te zullen behalen, maar God lacht hen uit, want, Hij ziet dat Zijn dag komt, Psalm 37:13. Er is geen woede bij God, en toch wordt Zijn dag van afrekening met de Babyloniërs gezegd te komen gruwelijk met verbolgenheid en hittige toorn. God zal in strengheid handelen wegens de strengheid, waarmee zij Gods volk behandeld hebben. Bij de verkeerde, de wrede, houdt Hij zich verdraaid, zal Hij zich wreed betonen, en de bloeddorstige zal Hij bloed te drinken geven.
II. Hun hart zal versmelten, er zal hun noch moed noch vertroosting gelaten zijn, zij zullen het komende oordeel noch kunnen weerstaan noch er staande onder kunnen blijven, hetzij om zich tegen hun vijand te verzetten, of om zichzelf te steunen, vers 7, 8. Zij, die ten dage van hun vrede hoogmoedig waren, trots en verschrikkelijk, vers 11, zijn, als benauwdheid komt, geheel ontmoedigd en ten einde raad, alle handen zullen slap zijn, niet in staat om een wapen vast te houden, en ieders hart zal smelten, zodat zij op het punt zullen zijn van te sterven van vrees. Smarten en weeën zullen hen aangrijpen, als die van een vrouw in barensnood, en zij zullen over elkaar verbaasd zijn, door zelf verschrikt te zijn, zullen zij elkaar verschrikken en beangstigen, zij zullen zich verwonderen diegenen te zien sidderen, die moedig en ondernemend plachten te zijn, of ze zullen verbaasd zijn, elkaar aanzien, als mensen, die in verlegenheid zijn en niet weten wat te doen, Genesis 42:1. Hun aangezichten zullen als vlammen zijn, bleek als vlammen, van angst, zo verstaan het sommigen, of rood, zoals vlammen soms zijn blozende over hun eigen lafhartigheid, of hun aangezichten zullen wezen als aangezichten, die verschroeid zijn door de vlammen, of als het aangezicht van hen, die in het vuur werken, hun gelaat, zwarter dan een kool, of als een lederen zak in de rook, Psalm 119 83.
III. Alle vertroosting en hoop zal hun falen vers 10. De sterren aan de hemel zullen haar licht niet laten lichten, maar zullen bewolkt, omfloerst zijn, de zon zal verduisterd wezen wanneer zij zal opgaan, schitterend opgaande, maar terstond weer verloren of verscholen-een stellig teken van slecht weer. Zij zullen wezen als mensen, die in nood zijn op de zee, als noch zon noch gesternte verschijnen, Handelingen 27:20. Het zal een even ontzettende tijd voor hen zijn als het voor de aarde zou wezen, indien al de lichten des hemels in duisternis waren veranderd, een overeenkomst met de dag des oordeels, als de zon in duisternis veranderd zal zijn. Als de hemel aldus dreigend is, dan is dit een aanduiding van het misnoegen van de God des hemels, als de dingen een duister aanzien hebben op aarde, dan is het toch nog wel als van boven alles helder is, maar als wij vandaar geen troost hebben, waarmee zullen wij dan vertroost worden?
IV. God zal hun ongerechtigheid over hen bezoeken, en dit alles is bedoeld tot straf van zonde, inzonderheid de zonde van hoogmoed, vers 11. Dit mengt gal en alsem in de beproeving en ellende. 1. Die zonde moet thans gestraft worden. Hoewel Babel een kleine wereld is, zal zij, daar zij een goddeloze wereld is, niet ongestraft blijven. Zonde brengt verwoesting over de wereld van de goddelozen, en als de koninkrijken van de aarde met elkaar twisten, dan is dit de vrucht van Gods twist met hen allen.
2. Die hoogmoed moet thans vallen, de hovaardij van de tirannen moet thans vernederd worden, inzonderheid van Nebukadnezar en van zijn kleinzoon Belsazar, die in hun hoogmoed het volk van God vertreden hebben en zeer verschrikkelijk voor hen waren. De hoogmoed des mensen zal hem vernederen.
V. Er zal zo'n grote slachting aangericht worden, dat het een schaarsheid van mannen tengevolge zal hebben, vers 12. Ik zal maken dat een man dierbaarder zal zijn dan zuiver goud. Gij zult geen man kunnen hebben om in staatszaken te worden gebruikt, geen man om ingelijfd te worden bij het leger, geen man om een dochter aan uit te huwelijken ter opbouwing van het gezin, al zoudt gij ook geld voor één willen geven. De troepen van de naburige volken zullen niet gehuurd kunnen worden voor de dienst van de koning van Babel, omdat zij zien dat alles hem tegen loopt dicht bevolkte landen worden spoedig ontvolkt door oorlog. En God kan spoedig maken dat een koninkrijk, hetwelk gezocht en bewonderd werd, door allen wordt gevreesd en geschuwd, zoals een invallend huis of een zinkend schip.
Vl. Er zal een algemene verwarring en ontsteltenis heersen, zulk een verwarring in hun zaken, dat het zal zijn alsof de hemel beroerd werd door ontzettende donderslagen, en de aarde van haar plaats bewogen werd door een niet minder verschrikkelijke aardbeving. Alles zal volkomen te gronde gaan ten dage van de verbolgenheid van de Heer der heirscharen, vers 13. En door zo'n ontsteltenis zullen zij aangegrepen worden in hun gemoed, dat Babel, hetwelk als een brullende leeuw placht te wezen en een heen en weer gaande beer voor allen, die er rondom waren, als een verjaagde ree zal zijn, en als een schaap, dat niemand bijeen brengt, vers 14. Het leger, dat zij te velde zullen brengen, bestaande uit troepen van verschilende volken- zoals grote legers gewoonlijk samengesteld zijn-zal zo verstrooid worden door het zwaard van hun vijanden dat een ieder naar zijn eigen volk zal omzien, iedereen zal op zijn eigen veiligheid bedacht zijn, geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden, Psalm 76:6, maar slaan op de vlucht.
VII. Er zal een algemeen toneel zijn van bloed en afgrijzen, zoals dit gewoonlijk gezien wordt als het zwaard verteert. Geen wonder dat iedereen dan een goed heenkomen zoekt, daar de overwinnaar geen lijfsgenade verleende, maar allen over de kling joeg, en niet alleen degenen, die met de wapens in de hand werden aangetroffen, zoals dit onder ons, zelfs in de bloedigste oorlogen gebruikelijk is, vers 15. Al wie gevonden wordt, die zal doorstoken worden zodra het blijkt dat hij een Babyloniër is, ja omdat het zwaard de één verteert zowel als de ander, zal ook al wie daarbij gevoegd is, door het zwaard vallen. zij, die van andere volken hun te hulp komen, zullen met de anderen gedood worden. Het is gevaarlijk om in slecht gezelschap te zijn en hen te helpen, die door God vernield staan te worden, inzonderheid moeten zij, die zich bij Babel voegen, verwachten van haar plagen te zullen ontvangen, Openbaring 18:4, en daar de heiligste wetten van de natuur en van de menselijkheid door de woede van de strijd op zij worden gezet (hoewel zij niet opgeheven kunnen worden) zal de overwinnaar op de wreedste) beestachtigste wijze hun kinderen verpletteren en hun vrouwen schenden. "Jusque datum sceleri" -De goddeloosheid zal een vrije loop hebben, vers 16. Zo hebben zij Gods volk behandeld, Klaagliederen 5:11, en nu zullen zij in hun eigen munt betaald krijgen. Openbaring 13:10. Het was nauwkeurig voorzegd dat de kinderen van Babel tegen de steenrots verpletterd zullen worden, Psalm 137:9. Hoe wreed en onrechtvaardig zij ook waren, die het gedaan hebben, God was rechtvaardig die toegelaten heeft dat het gedaan werd gedaan werd voor hun ogen, tot hun grotere verschrikking en kwelling. Ook was het rechtvaardig dat de huizen, die zij gevuld hadden met de buit van Israël, beroofd en geplunderd werden. Wat door roof verkregen werd, wordt dikwijls op dezelfde wijze verloren.
VIII. De vijand, die God tegen hen zal zenden, zal onverbiddelijk zijn, waarschijnlijk door de een of andere terging of belediging meer dan gewoonlijk verbitterd zijnde tegen hen, of, hoe dit ook zij, God zelf zal de Meden opwekken m aldus streng te zijn tegenover de Babyloniërs. Hij zal door hun neiging, hun geaardheid en hun plannen niet slechts Zijn eigen doeleinden dienen, maar het in hun hart geven om deze aanval op Babel te doen, en toelaten dat zij hem met al deze woede en wreedheid volbrengen. God is niet de werker van zonde, maar Hij zou haar niet toelaten, indien Hij niet wist hoe er voor zichzelf eer en heerlijkheid uit te doen voortkomen Deze Meden zullen in vereniging met de Perzen dit werk grondig verrichten. Want,
1. Zij zullen zich niet laten omkopen, vers 17. Alles wat de mensen hebben, zouden zij geven voor hun leven, maar de Meden zullen het zilver niet achten, zij dorsten slechts naar bloed, niet naar goud, niemands rijkdom zal door hen als rantsoen voor zijn leven worden aangenomen.
2. Zij zullen geen medelijden betonen, vers 18, niet aan de jongelingen, die in de bloei van hun jaren zijn, ze zullen hen met hun bogen verpletteren-niet aan de leeftijd van de onschuld, zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht van de buik, noch de kinderen verschonen, wier angstkreten, naar men zou denken, zelfs marmeren ogen tranen zouden doen storten en stenen harten zouden vermurwen. Sta hier een weinig stil, en verwonder u.
a. Dat mensen aldus wreed en onmenselijk kunnen zijn, zo volkomen ontbloot van alle mededogen en zie er in hoe verdorven en ontaard de menselijke natuur is geworden.
b. Dat de God van oneindige barmhartigheid het toelaat, ja meer, dat Hij het tot de uitvoering maakt van Zijn gerechtigheid, waaruit blijkt dat Hij, hoewel Hij genadig is, toch ook de God is, wie de wraak toekomt.
c. Dat kleine kinderen die nooit schuldig waren aan werkelijke zonde, aldus mishandeld worden, waaruit blijkt dat er een erfschuld is, waardoor het leven verbeurd is reeds van dat het bestond.