Psalm 76:1-7
De kerk is hier overwinnend, zelfs temidden van haar strijdende toestand. In de naam van de kerk triomfeert de psalmist hier in God, het middelpunt van al onze triomfen.
I. In de openbaring, die God van zichzelf aan hen gedaan heeft, vers 2. Het is het voorrecht van Juda en Israël, dat God onder hen bekend is, en waar Hij bekend is, daar zal Zijn naam groot wezen. God is bekend, daar het Hem behaagt zich bekend te maken, en diegenen zijn gelukkig, aan wie Hij zich openbaart. Gelukkig volk, welks land vol is van de kennis van God, gelukkige mensen, wier hart vol is van deze kennis! God was bekend in Juda zoals Hij niet bekend was onder andere volken, hetgeen de gunst zoveel groter maakte, daar het een onderscheidende gunst was, Psalm 147:19,20.
II. In de tekenen van Gods bijzondere tegenwoordigheid onder hen in Zijn inzettingen, vers 3. In het gehele land van Juda en Israël was God bekend en was Zijn naam groot, maar in Salem, in Zion was Zijn hut, Zijn woonstede, daar hield Hij Zijn hof, daar ontving Hij de hulde van Zijn volk in hun offeranden, en onthaalde Hij hen op de offermaaltijden, daarheen kwamen zij om zich tot Hem te wenden, en vandaar vaardigde Hij door Zijn orakelen Zijn orders uit, daar stichtte Hij Zijns naams gedachtenis en van die plaats heeft Hij gezegd: "Hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.' Het is de heerlijkheid en het geluk van een volk, dat God in zijn midden is door Zijn inzettingen, maar Zijn woonstede is een tabernakel, een beweegbare woning, nog een kleine tijd is dit licht bij ons.
III. In de overwinningen, die zij over hun vijanden verkregen hebben: Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van de boog.
Merk op hoe dreigend het gevaar was, hoewel Juda en Israël aldus bevoorrecht waren, wordt toch krijg tegen hen gevoerd, en de krijgswapenen werden in gereedheid gebracht. Hier zijn boog en pijlen, schild en zwaard en alles voor de krijg, maar alle zijn verbroken en nutteloos gemaakt, en het is aldaar geschied:
1. In Juda en Israël, ten gunste van dat volk nabij God. Zolang de krijgswapenen gebruikt werden tegen andere volken, beantwoordden zij aan het doel, maar als zij tegen dat heilig volk gericht werden, dan werden zij terstond verbroken. De Chaldeer omschrijft het aldus: Toen het huis van Israël Zijn wil deed, heeft Hij Zijn majesteit onder hen gesteld, en daar verbrak Hij de pijlen van hun boog, terwijl zij zich dicht aan Zijn dienst hielden, waren zij groot en veilig, ging alles goed met hen. Of:
2. In de tabernakel, Zijn woonstede, verbrak Hij de pijlen van de boog, het geschiedde op het slagveld, en toch wordt het gezegd in het heiligdom geschied te zijn, omdat het geschiedde in verhoring van hun gebed, dat Gods volk daar tot Hem had opgezonden, en ter vervulling van de beloften, die Hij hun daar gedaan had, zie van beide het voorbeeld in 2 Kronieken 20:5, 14. Openbare voorspoed is evenzeer te danken aan hetgeen gedaan is in de kerk als aan hetgeen gedaan wordt in het leger.
Deze overwinning nu strekte grotelijks: A. Tot onvergankelijke eer van de God Israëls, vers 5. Gij zijt, en hebt U getoond te zijn, doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen,
a. dan de groten en machtigen van de aarde in het algemeen, die hoog zijn en zich vastgeworteld wanen als bergen, maar in werkelijkheid roofbergen zijn, verdrukkend voor allen, die rondom hen zijn. Het is hun roem en hun heerlijkheid om te verwoesten, het is Uwe heerlijkheid om te verlossen.
b. Dan onze aanvallers in het bijzonder. Toen zij de steden van Juda belegerden, wierpen zij hoogten er tegen op, richtten zij er geschut tegen, maar Gij zijt meer instaat om ons te beschermen dan zij om ons te kwellen. In de zaak, waarin de vijanden van de kerk trotselijk gehandeld hebben, zal God blijken boven hen te zijn.
B. Tot eeuwige schande van Israëls vijanden, vers 6, 7. Het waren stouthartigen, mannen van grote moed en van vastberadenheid, opgeblazen door hun vorige overwinningen, in woede ontstoken tegen Israël, zeker van voorspoed en welslagen, het waren dappere mannen, krachtig, geschikt voor de dienst, die wagenen en paarden hadden, welke toen van grote waarde werden geacht in de krijg, en op welke men vertrouwde, Psalm 20:8. Maar die gehele krijgsmacht was van generlei nut als zij tegen Jeruzalem gericht was.
a. De stouthartigen hebben zichzelf beroofd en ontwapend zo lezen het sommigen, als het Gode behaagt, kan Hij maken dat Zijn vijanden zichzelf verzwakken en verderven. Zij hebben geslapen, niet de slaap van de rechtvaardigen, die ontslapen in Jezus, maar hun slaap, de slaap van de zondaren, die ontwaken zullen tot eeuwige versmaadheid en schande.
b. De dappere mannen kunnen hun handen niet meer vinden dan de stouthartigen hun moed en geestkracht kunnen vinden. Gelijk de stoutmoedigen ontmoedigd worden, zo worden de sterken verlamd, en kunnen niet eens hun handen vinden, om hun eigen hoofd te redden en nog veel minder om hun vijanden te schaden.
c. Van de wagenen en paarden kan in waarheid gezegd worden dat zij in slaap zijn gezonken, als dit met de bestuurders dier wagenen en met de ruiters alzo was. God heeft slechts het woord gesproken als de God van Jakob, die verlossingen gebiedt voor Israël, en op Zijn schelden zijn tezamen wagen en paard in slaap gezonken, toen de mannen door de verderfengel dood op de grond werden gelegd, waren paard en wagen niet langer geducht. Zie de kracht van Gods schelden. Met welk een welbehagen kunnen wij, Christenen dit alles toepassen op de voorrechten en weldaden, die wij genieten door de Verlosser! Het is door Hem, dat God bekend is, het is in Hem, dat Zijn naam groot is, aan Hem hebben wij het te danken dat God een tabernakel, een woonstede heeft in Zijn kerk. Hij was het, die de sterk-gewapende overwonnen heeft, overheden en machten heeft uitgetogen en in het openbaar tentoongesteld.