31. Zo leefde hij hier in de hoofdstad van het toenmalige wereldrijk en predikte het Koninkrijk van God, dat bestaat in gerechtigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest (
Romeinen 14:17) en leerde op de plaats waar de Romeinse keizer zich liet noemen met de titel van heer, alsof hij goddelijke verering voor zich wilde (
hoofdstuk 25:26), van de Heere Jezus, als degene in wiens naam alle knie zich moet buigen (Fil: 2:10). Hij deed dit met alle vrijmoedigheid, onverhinderd voor de heidenen (
Vers 28), zonder dat de Romeinse overheid dit prediken en leren in enig opzicht in de weg stond, terwijl hij zo tevens tegen de vervolgingen van de Joden te Jeruzalem en de vijandschap van degenen die te Rome waren, beschermd werd (
2 Timotheus 2:9). Na verloop van de twee jaar veranderde echter de hele toestand van de apostel (zie Aanm. II. c. Nr. 1, 2).
Van deze vrijmoedigheid of blijmoedigheid te Rome getuigen ook zijn brieven, die hij daar schreef, die allemaal geuren van de vreugdeolie waarmee de Heere Jezus hem zalfde.
Paulus' twee jaren te Rome, de kroon van zijn apostolische ambtsbediening: 1) in het middelpunt van de heidenwereld plant hij het kruis van Christus, waarvoor alle tempels van de heidenen in het stof moeten vallen; 2) gebonden naar het lichaam zorgt hij in trouwe herderlijke liefde ook voor zijn verwijderde gemeenten; 3) wachtend op de roepstem van zijn Heere, maakt hij zich gereed om de arbeid van zijn leven met zijn bloed te bezegelen.
Paulus, een gevangene te Rome, heden evengoed als 1800 jaar geleden. Is het ook heden onder de geestelijke bewindvoerder te Rome een zacht en aangenaam verblijf, zoals eens onder de Romeinse keizer gebonden? 1), Paulus, de heraut van evangelische vrijheid is gebonden aan de keten van menselijke instellingen; 2) Paulus, de prediker van gerechtigheid door geloof is gebonden onder het genot van uiterlijke werkheiligheid; 3) Paulus, de man van apostolische armoede en ootmoed is gebonden naast de glans en de pronk van pauselijke wereldheerschappij.
Met de levendigste en meest verschillende trekken heeft het boek "de Handelingen van de apostelen" door zijn verhaal voor ogen gesteld hoe de werkzaamheid en persoonlijkheid in haar aantrekkelijkste en innemendste vorm door de openbare macht te Jeruzalem, de stad van God, bitter gebaat en dodelijk vervolgd werd. Daarentegen zien wij nu hier dat, hoe omvattend de verkondiging en het onderwijs van de apostel in de hoofdstad van het wereldrijk ook was en met hoeveel vastheid en blijmoedigheid die ook plaats had, haar toch geen hindernis in de weg werd gesteld. De oorspronkelijke verhouding van Jeruzalem en Rome tegenover het rijk van God is dus geheel omgekeerd, de kerk van Christus heeft Jeruzalem verlaten om zich naar Rome te verplaatsen; de "Handelingen van de apostelen" is dus werkelijk gekomen bij het doel in hoofdstuk 1:8 aangegeven en kan nu worden afgesloten.
Eenvoudig maar statig besluit de schrijver zijn tweede boek ongeveer in de toon en op de wijze waarop hij ook zijn eerste boek, het evangelie, met een zuiver afgeronde en sierlijk aflopende volzin ten einde brengt. Verplaatste het slot van het evangelie ons naar Jeruzalem, waar de apostelen lovend en dankend verbleven in afwachting van de beloofde Parakleet (Lukas 24:53), hier aan het slot van de Handelingen (Vers 30, 31) bevinden wij ons met Paulus te Rome, waar hij twee hele jaren in zijn eigen gehuurde woning bleef en allen ontving die tot hem kwamen en hen het koninkrijk van God predikte en leerde van de Heer Jezus met vrijmoedigheid en zonder enige belemmering. Hier eindigt dan nu het boek van de Handelingen (het boek van het leven van Jezus in de hemel, het boek van de werken van de Heilige Geest op aarde), nadat het ons de eerste lijnen heeft voorgetrokken van een geschiedenis van de kinds- en jongelingsjaren van de gemeente op aarde, die wel nooit anders dan op gebrekkige wijze door schrijvers kon voortgezet worden, aan wie de leiding in alle waarheid bij al hetgeen zij voor de navolgende eeuwen zouden te boek stellen daartoe voortaan niet was toegezegd. Er is in deze gewijde oorkonden een bepaalde horizon waarbinnen de rechtstreekse openbaringen van de Geest zich beperken. Zoals de apostelen, de Heere nastarend bij Zijn opneming ten hemel, de wolk tussenbeide zagen komen, die Hem wegnam uit hun gezicht, zo is er ook in deze historische mededelingen, aan de gemeente door de Heilige Geest geschonken, een ogenblik van plotselinge terughouding, van plotselinge overgang als in de atmosfeer van een geheel andere, in dit opzicht zeker dalende bedeling. Zoals wij in dit boek van de Handelingen een engel uit de hemel door bovennatuurlijke wegen Petrus zagen verlossen en uitleiden uit de gevangenis tot in de straten van Jeruzalem, om hem dan verder aan zijn eigen menselijk verstand en het gebruik van de gewone middelen en wegen over te laten, zo laat de Heilige Schrift ons hier opeens als het ware alleen en staakt vanaf nu het rechtstreeks goddelijke van haar onderwijs. Immers moest er, zou de wereld de beschreven boeken van dit gehalte kunnen bevatten, zo'n punt, zo'n ogenblik van overgang zijn. En nu mag na een geschiedverhaal van rechtstreeks goddelijke besturing en ingeving, die nieuwe wereld van enkel menselijke schriften over de verdere geschiedenis van de kerk van Christus op aarde, nu reeds sedert bijna achttien eeuwen gevolgd, nu mogen de legenden van Rome of de gissingen op de uitkomsten van de wetenschap, tot overstelpens toe het eenvoudig maar kristal zuiver woord van Lukas vervangen, wij hebben hier in deze door God gegeven oorkonden een vaste grond voor onze voeten, die wel voor een tijd overdekt, maar nooit of nimmer weggespoeld kan worden. Wij hebben daarbij in die latere boeken van menselijke oorsprong, de onbedriegelijke bewijzen van het hemelsbreed onderscheid tussen de uitkomsten ook van de vlijtigste nasporingen en de gave van een goddelijke mededeling. Wij bezitten juist in die tot in het oneindige en in het ongerijmde vermenigvuldigde legenden van menselijke dichting of bijgeloof, de tastbare kentekenen van het onderscheid tussen de ongezonde vrucht van weelderige dichting en de eeuwig frisse soberheid van de zuivere en onvermengde waarheid van boven. Nee, menselijke wetenschap zou evenmin als menselijk bijgeloof zich tevreden hebben kunnen stellen met dat vrije fragmentarische, dat overal het werk van de Heilige Geest karakteriseert. Niet alles wat onze menselijke nieuwsgierigheid of belangstelling zich meegedeeld zou wensen, heeft ons hier, evenmin als elders, hogere wijsheid gegeven. Geen eenvoudig menselijk schrijver zou de verleiding hebben kunnen weerstaan om in dat boek van de apostelgeschiedenis ons ook nog al de verdere lotgevallen, de geloofsdaden, de laatste woorden, het sterven, op z'n minst van de moeder van de Heere, van heel het twaalftal van de apostelen, van de broeders van de Heere te beschrijven. Of zou aan Lukas niets meer bekend geweest zijn van dat alles, behalve het zeer belangrijke, maar weinige, dat hij ons daarvan geeft in zijn tweede boek aan Theophilus? Latere oningewijde schrijvers hebben het, als zij het niet wisten, (de geschiedenis van de eerste tijden getuigt er reeds van!) uit hun vrome gissing of verbeelding aangevuld. Maar juist hun soberheid, hun terughouding kenmerkt in onze Heilige Schriften, de mannen geleid en gewijd door die God zelf, die ook in het werk van zijn schepping zijn rijkdom tegelijk openbaart en verbergt in wijze spaarzaamheid.
De apostolische kerk bij al haar heerlijkheid staat tot de volkomen geworden kerk van God toch slechts als de bloei tot de vrucht, als de gedaante van de vernedering van onze Heere tot Zijn verhoging, als het leven van het geloof tot het leven in aanschouwen. Ja, als het schone paradijs in het begin (Genesis 2) tot de nieuwe aarde aan het einde (Openbaring 1, 22 De tijd van de apostelen is het kind in Christus, maar is niet de man in Christus (Efeze 4:13) heel iets anders? Tussen de tijd van het kind en de man ligt de tijd van de jongeling; zijn eer is het de boze te overwinnen (1 Johannes 2:13vv.) en tot deze overwinning voert slechts hete, moeilijke, gevaarlijke strijd. Paulus voorzegt die in zijn afscheidsrede te Milete (hoofdstuk 20:29vv.). Die strijd is gekomen en nog niet volstreden; een nauwkeurige geschiedenis van die strijd bevat het laatste boek van de Bijbel, maar in profetische aankondigingen, die ons pas aan het einde geheel duidelijk zullen zijn en de volle troost zullen geven dat de hele kerkgeschiedenis onder de nauwkeurigste hoede van haar opperste Herder heeft gestaan. Dan zullen wij zeker vele delen van die geschiedenis anders kunnen waarderen dan nu; dan zal ons duidelijk zijn wat voor het rijk van God daaruit werkelijk het gewichtigste is geweest; maar dan is ook de tijd gekomen om met de griffel van de Heilige Geest het tweede deel van de kerkgeschiedenis te schrijven, een waardige tegenhanger voor het eerste deel daarvan, dat wij in de Handelingen van de apostelen hebben. Voor dat werk zullen de duizend jaren in Openbaring 20:4-6 wel stof genoeg geven.
Wij hebben nu nog verschillende zaken te behandelen. Ten eerste moeten wij over de twee jaren van Paulus' gevangenschap te Rome spreken en in het bijzonder over de brieven die volgens de omstandigheden van hun vervaardiging daar zullen geschreven zijn. Vervolgens zullen wij moeten nagaan of op deze gevangenschap een vrijspreken en loslaten van de apostel, of diens marteldood gevolgd is en van Rome weer een blik moeten werpen op Jeruzalem om de verdere ontwikkeling van de christelijke gemeente daar, waarop wij reeds in de aanmerkingen bij hoofdstuk 25:5 onze aandacht vestigden, verder na te gaan en ons in het bijzonder het lot van het Joodse volk tot aan de eindcatastrofe, de verwoesting van de tempel en de Heilige stad, voor te stellen. Dit is echter een zo rijke stof dat wij er de voorkeur aan moeten geven die in een bijzonder aanhangsel te behandelen, waarheen wij reeds meermalen hebben verwezen en dat aan het einde van de Synopsis achter dit boek zal worden geplaatst.
Wij moeten ons hier ertoe beperken in enkele stellingen, als in een toevoegsel aan de uiteenzettingen in dat aanhangsel de bovengenoemde punten aan te roeren. De brieven, die in de gevangenschap geschreven zijn, zijn de volgende vijf: 2 brieven aan Timotheus, aan de Efeziërs, aan Filemon, aan de Kolossensen en aan de Filippensen. Daarvan zijn de eerste en tweede brief en desgelijks later de derde en vierde uit dezelfde tijd; alle vier vallen nog in het jaar 61; de beide eerste in de zomer, de beide anderen in de herfst van het genoemde jaar; de brief aan de Filippensen daarentegen behoort reeds tot het einde van het jaar 62, aangezien de apostel daarin van de grote gevolgen van zijn prediking te Rome spreekt. Waarom wij de tweede brief aan Timotheus niet, zoals andere schriftverklaarders doen, na de tijd van de twee jaren in Vers 30v. vermeld plaatsen, zodat zij pas zou zijn vervaardigd toen het proces van Paulus reeds voor de Romeinse keizer was begonnen, hebben wij in de aanmerkingen bij hoofdstuk 25:8, 11 reeds aangeduid. De uitleg van de brief zal aantonen hoe nauw die met de brief aan de Efeziërs samenhangt. Wat verder het einde van de gevangenschap te Rome aangaat, in hoofdstuk 20:27 werd aangewezen waarom het aannemen van een bevrijding uit deze gevangenschap en die van een tweede, waarin de apostel dan de marteldood zou hebben geleden, als geheel onaannemelijk voorkomt. Het aannemen van een tweede gevangenschap, schrijft Schaff, berust op zeer zwakke gronden en is niet zozeer uit betrouwbare, historische traditie, als uit het streven voortgekomen, aan de ene zijde om de werkkring van de apostel zo ver mogelijk uit te breiden, aan de andere zijde om zekere moeilijkheden weg te nemen, die de verklaring van de pastoraalbrieven en in het bijzonder van de tweede brief aan Timotheus veroorzaakt. Dit zijn echter moeilijkheden die op bevredigende wijze zonder deze hypothese en de daarmee verbonden ongewettigde combinaties kunnen worden opgelost. Wat de omstandigheden te Jeruzalem aangaat, moesten wij bij hoofdstuk 25:8 onze bevreemding uitspreken waarom de leden van de christelijke gemeente daar, die Paulus bij het verhoor voor Festus hadden moeten terzijde staan en zijn onschuld door hun getuigenis hadden moeten bevestigen, zich in het geheel om zijn lot niet bekommerden. Zoals nu daardoor duidelijk wordt dat de Judaïstische geest bij de gemeente is doorgedrongen en daaraan schuld heeft, zo hebben wij ook bij hoofdstuk 25:5 ("Ac 25:5 er ons reeds op voorbereid dat het met de gemeente een zeer bedenkelijke wending zou nemen. Het was zeer gevaarlijk voor de christenen als de ongelovige Joden en Farizeeërs zich met hen zouden proberen te verbroederen, nog sterker bij hen begonnen aan te dringen en hen in verzoeking zouden brengen om voor heel het Jodendom te kiezen en het geloof in Christus te verloochenen, hetgeen dan ook werkelijk na het ombrengen van Jakobus II met Pasen 62 heeft plaatsgehad. Thans moeten wij ook spreken over de brief aan de Hebreeën, die, naar wij menen, na de marteldood van Paulus ongeveer in de zomer van het jaar 63 uit Beneden Italië door Lukas is geschreven. Vooral blijkt uit de voorafschaduwende geschiedenissen, waarop de christenen in hoofdstuk 11 worden gewezen, in welke toestand zij zich toen bevonden, want dat zijn geen voorbeelden van geloof in het algemeen, maar zij zijn zo gekozen en in zulke bewoordingen meegedeeld dat zich in elk van die de bijzondere toestand van de Hebreeën afspiegelt en een daad van geloof in een beproeving van geheel gelijke aard voorkomt. Als dan in Vers 4 de vervaardiger schrijft: "door het geloof heeft Abel een meerdere offerande aan God geofferd, " dan geeft hij daarmee te kennen dat Israël op Kaïns wijze tegen de ware kerk handelt, de godsdienst van de gemeente wordt echter door God aangezien, terwijl Hij op de Joodse cultus evenmin als op Kaïns offer met welgevallen kan neerzien. Als hij daarop in Vers 5 op Henoch wijst, die de zondvloed voorzegd heeft, maar voordat die kwam, werd weggenomen, dan heeft dit betrekking op het feit dat ook de gemeente van Christus uit het geslacht van de Joden zal worden uitgeleid en niet met hen in hetzelfde oordeel zal vallen. Nog meer bepaald blijkt dit uit hetgeen in Vers 7 van de redding van Noach en zijn huis door de ark wordt gezegd. De gelovigen uit de Joden moeten nu ook volgens Vers 8-10 gelijk worden aan hun stamvader Abraham, die niet weigerde uit het huis van zijn vader weg te gaan en het hem nog onbekende land tot het verblijf van zijn vreemdelingschap te kiezen en zich aan de toekomst vast te houden. Is dan de christelijke gemeente in vergelijking met het volk van de Joden zeer klein in getal en lijkt zij in haar hele toestand kinderloos en zonder toekomst, dan hoeft zij slechts volgens Vers 11v. aan Sara te denken om zich te troosten met een latere overvloedige groei. Wacht haar ook volgens Vers 13v. het verlies van het vroegere vaderland en de vreemdelingschap op aarde, dan toont zij, juist door die overeenstemming met de heilige aartsvaders, het echte volk van God te zijn. Nu, zo wil de briefschrijver de gemeente in vers 17v. leren dat God van u het gemis eist van het dierbaarste dat gij had; uw volk, de heilige tempel en de godsdienst, die een goddelijke instelling en belofte hebben, moet gij opgeven. Maar doe het alleen door het geloof waardoor Abraham ook bereid was zijn zoon Izaak op te offeren, dan zult gij alles, als opgewekt uit de dood, weer in verheerlijkte gedaante ontvangen. Gij zijt inderdaad de gezegenden van de Heere, die de zegen van Abraham tot de volgende geslachten moeten overbrengen, net als Izaak tot zijn beide zonen en Jakob tot de twee zonen van Jozef (Vers 20v.). Hebben noch Jozef noch Mozes door de aardse heerlijkheid, die zij in Egypte konden hebben, zich laten verblinden, maar het beloofde land, de verkiezing van hun volk en de beloning van God vast in het oog gehouden, doet dan in uw positie evenzo. Hebben de ouders van Mozes het door de Heere geschonken, zo mooie knaapje niet overgegeven, maar het in het verborgene bewaard tegen het gebod van de koning, dan verraadt ook gij niet wat u als een heerlijk geschenk, rijk in beloften is gegeven en vreest voor het gebod van de tegenwoordige machten niet zo zeer dat gij daarnaar zoudt handelen (vers 22-26). Op die wijze past de schrijver in Vers 27vv. ook de verdere geschiedenis van Israël van de uitvoering van het volk uit Egypte, van de viering van het pascha, van het doorgaan door de Rode zee, van de inneming van Jericho, van het geloof van Rachab, waarmee zij de verspieders opnam en van de helden uit de tijd van de richters, koningen, profeten en Makkabeeën toe met het oog op de uittocht die hen wachtte, op de christelijke cultus, of hun redding uit de stad die het verder tegemoet ging en die tot een nieuw Egypte is geworden (Openbaring 1:8). Zij wonen te midden van een volk, dat voor de straf rijp geworden is, daarom moeten zij daarvan, al bestaat het ook uit broeders naar het vlees, eerst met hun hart van hen scheiden en zich plaatsen aan de zijde van de boden van God, die tot hen komen, om het naderend onweer van het oordeel te verkondigen. Met hen moeten zij gemene zaak maken als nu Jericho's muren zullen vallen door de kracht van de roeping, die aan de gemeente van het Nieuwe Testament is gegeven (Mattheus 21:21). Dit moeten zij doen, opdat zij niet met de ongelovigen worden verdorven. Hun strijd is dezelfde, die al die helden hebben gestreden. Ja, in hen moet alles wat de ouden slechts als in een voorbeeld met alle krachten hebben nagejaagd en met opoffering van zichzelf, tot zijn eigenlijk doel en tot volmaking komen. Het is opmerkelijk dat van de drie eerste evangelisten juist Lukas degene is die aan de voorzegging van Christus omtrent de ondergang van Jeruzalem op de ondubbelzinnigste en meest bepaalde wijze de vorm geeft voor de aanwijzing voor de christelijke gemeente daar, wat zij dadelijk bij het begin van de belegering van de stad moest doen, terwijl hij de apocalyptische vorm waarin die voorzegging bij Mattheus 24:15vv. optreedt en daarmee tevens op de gebeurtenissen van de laatste tijd slaat, geheel van haar wegneemt en uitsluitend het oog vestigt op het gericht over Israël (Lukas 21:20vv.). Hij had, verlicht door de Heilige Geest, begrepen welke verhouding het woord van de Heere moest hebben tot de tijd waarin hij zijn evangelie schreef, om hen voor wie het in de eerste plaats en reeds toen voor de onmiddellijk nabij zijnde toekomst gold, Gods wil duidelijk en helder te doen zien. Van de overige brieven waarover wij hier nog niet spraken, dateert de brief van Petrus ongeveer uit dezelfde tijd als de tweede brief van Paulus aan Timotheus en de brief aan de Efeziërs. De brief van Judas, ongeveer in dezelfde tijd als die aan de Filippensen geschreven, geeft dan voor de tweede brief van Petrus, die een jaar later geschreven is, de grondstellingen, zoals dat uit de nauwe verwantschap van de beide brieven blijkt. De Openbaring an Johannes plaatsen wij, wat haar vervaardiging betreft, in het jaar waarmee werkelijk het oordeel over Jeruzalem en het Joodse volk begon en wel in het bijzonder op 19 oktober van het jaar 66 n. Chr., toen ook de vlucht van de christelijke gemeente naar Pella plaats vond. De bijbelse grond daarvoor hebben wij deels in Ezechiel 24:1vv., deels in het woord van Christus (Mattheus 24:20) gevonden, zonder dat wij de zaak hier nog eens nader zouden behoeven aan te wijzen. De drie brieven van Johannes zijn enige tijd later, nog gedurende de tijd van de verbanning van de apostel op Patmos en gedurende het voeren van de Joodse oorlog door Vespasianus geschreven. (Zie Aanm. II. p. 3).
SLOTWOORD OP DE HANDELINGEN VAN DE APOSTELEN
Met ons slotwoord op het evangelie van Lukas waren wij gekomen tot het punt dat tegen het einde van Paulus' tweejarige gevangenschap de schrijver van het evangelie zich niet meer bevond bij de apostel te Rome, maar ergens anders. Wij hadden voor het Slotwoord op de Handelingen van de Apostelen als eerste vraag ter beantwoording bespaard, waar Lukas in die tijd zich ophield en wat hij daar had verricht. Intussen hebben wij dit echter ook besproken in het tweede aanhangsel onder b. Nr. 3 en c. Nr. 4. Volgens de uiteenzettingen, daar gegeven, begaf Lukas zich omstreeks de herfst van het jaar 62 eerst naar de broeders te Puteoli en dan verder naar Regium in Beneden Italië (Hoofdstuk 28:13v.), omdat de apostel niet wilde dat hij mede zou worden gewikkeld in het proces dat hen wachtte, maar men hen voor een dubbel werk in het belang van de kerk meer nodig had. Dat werk is de verzorging van de christelijke gemeente te Jeruzalem, die van haar apostel Jakobus II beroofd is en nu in grote verzoeking is. Deze moet geestelijke zorg hebben en nadrukkelijk onderricht door een apostolisch man, die met haar bekend is en haar vertrouwen geniet. Aan de andere zijde moet hij de apostel Johannes, die te Antiochië in Syrië gestationeerd is, tot een verhuizen naar Efeze proberen te bewegen, omdat dit het middelpunt is van de Oosterse en Westerse, van de Aziatische en Europese christenen en waarvoor Timotheus, zelfs als hij daar had kunnen zijn, toch niet voldoende zou zijn geweest. Wij hebben er reeds eerder op gewezen hoe Lukas te Puteoli en Regium de brief aan de Hebreeën in 6:1 schreef. Op de laatste plaats bevond hij zich zeker als gast bij Theofilus Lu 1:4; opnieuw bevonden zich bij hem de "broeders uit Italië, " van wie hij de groeten overbrengt (Hebreeën 13:24), waaronder wij zeker wel de christenen moeten verstaan die uit Rome en Puteoli zijn gekomen en die hem bericht gaven van de uitslag van het proces van Paulus en van de wedervrijlating van Timotheus (Hebreeën 13:23). Samen met deze laatste kwam hij later te Jeruzalem en reisde hij vandaar verder naar Antiochië tot Johannes, die hij vervolgens enige later tijd naar Efeze vergezelde, vanwaar hij omstreeks de eerste helft van het jaar 64 zijn evangelie liet uitgaan. Spoedig keerde hij echter, zo hebben wij op de bovengenoemde plaats onze combinatie gemaakt, met achterlaten van Timotheus bij Johannes te Efeze, naar Antiochië terug en schreef hij de Handelingen van de Apostelen tot aan het einde van het jaar 65. Men zou om de klank van de woorden, zoals in Lukas 21:20 de eschatologische rede van Christus is weergegeven: "Wanneer gij zien zult dat Jeruzalem door legerkampen omsingeld wordt, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is, " terwijl daarentegen in Mattheus 24:15 en Markus 13:14 staat: "wanneer gij dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, " ertoe kunnen komen om de vervaardiging van het Lukas-evangelie pas na de tijd van de belegering van de stad door Cestius Gallus, d. i. na oktober van het jaar 66 n. Chr. (Aanm. II. d. Nr. 4) te verplaatsen, alsof de schrijver vanuit het standpunt van de geschiedkundige vervulling de uitspraak van Christus die vorm gegeven had in plaats van de oorspronkelijke profetische of apocalyptische. Dit is echter zo geheel ten onrechte, dat wij integendeel moeten beweren dat voor Lukas die opvatting reeds vast stond en daarom was hij nu ook in staat, toen de geschiedkundige vervulling daarvan plaats had, de christelijke gemeente te Jeruzalem tot vluchten te bewegen en haar bij haar redding behulpzaam te zijn (Aanm. II. d. Nr. 5, 6). De Geest van God hield hem uitsluitend vast bij die betekenis, die de rede van de Heere voor de ramp van Jeruzalem heeft en gaf hem nu ook op grond van nadere uitspraken van Christus een vorm van woorden aan de hand die daarmee overeenstemde. Dit geschiedde om de eigenaardige roeping die Lukas voor de gemeente, die de leiding van een apostolisch man zozeer nodig had, ontvangen had. Na het volbrengen van deze roeping heeft hij zeker korte tijd daarna de wereld verlaten en zal de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 wel nauwelijks hebben beleefd (Aanm. II. f. 2).
Wij gingen aan de hand van Lukas in dit boek van de Handelingen binnen het korte bestek van weinig bladzijden een lange en rijkbebouwde weg. Van Jeruzalem naar Rome! Een wereld van denkbeelden, van openbaring, wenken, leringen, leidingen van God ligt in, ligt tussen deze twee namen. Jeruzalem! Wij zagen bij het naderen van de ondergang van de veroordeelde tempelstad, de moedergemeente van het Nieuwe Verbond aldaar gevestigd door de Heilige Geest, uitgebreid naar al de streken van de hemel door de prediking, besproeid en vruchtbaar gemaakt door het bloed van de martelaren, getuige van de strijd en het lijden van de apostel van de volken voor de vrijheid van het evangelie tot op haar eigen bodem. Rome! Wij zagen het evangelie nu ook eindelijk door en met de persoon zelf van Paulus over Syrië, Cilicië, Klein-Azië, Macedonië, Griekenland, Malta, Sicilië, in de hoofdstad van de toenmalige wereldmonarchie gebracht. En ook die zal lange tijd een moedergemeente zijn. Maar ook het nieuwe christelijke Rome, net als eertijds het oude Jeruzalem, of het heidense Rome, moest eenmaal ook zelf enkel boeien, martelingen, doodvonnissen voor de prediking van het evangelie van Petrus en Paulus over hebben! Daarom zal ook dat Rome, als eertijds Jeruzalem, vallen. En zoals het woord van de historie uit het boek van de Handelingen ons toeroept: "Van Jeruzalem naar Rome! " zo roept ons nu het woord van de profetie voor de einden van de eeuwen, omgekeerd toe: "Van Rome naar Jeruzalem! " (Openbaring 1:10-27)
Het is zo'n eenvoudig boek, dat boek van de Handelingen van de Apostelen, zo dacht ik eens. Een andere keer dacht ik, toen ik over dat boek moest prediken, ik zou niet weten wat er zou kunnen worden toegevoegd, als de tekst gelezen was. En toen ik eens hoorde zeggen: als men zo predikte als Petrus op Pinksteren, dan zou met zo'n prediking niemand tevreden zijn en strenge beoordelaars zouden hun afkeurend oordeel eronder plaatsen, toen ik zo hoorde spreken, zei ik dat na en ik heb het dikwijls gedaan. Maar grote God, vergeef mij mijn zonde! Mijn ogen werden toegehouden, zodat ik niet kon zien wat een paradijs dit boek bevat en welke mensen onder die bomen wandelen, welke woorden in dat bos klinken. Ja, het is eenvoudig, maar wat een wonderbare eenvoud is het, als de Geest van de Heere Heere voor onze ogen en oren de apostelen in alle waarheid, in alle kracht, in alle geduld en tot eeuwige heerlijkheid leidt! Ik zie, ik zie, ik sta verwonderd over de lente van de kerk en ik beweer dat geen boek van de Schrift buiten de Psalmen zo van Pinksterdauw en zegen van God drupt, als de Handelingen van de Apostelen. Ik kan het begrijpen dat de woorden van de apostelen ontzetting, verwondering, twijfelmoedigheid, spot konden opwekken, maar dit begreep ik niet meer, dat het Pinksterboek, de Handelingen van de Apostelen, iemand koud en onbewogen kan laten.
31. Als het echter zo is dat onze zaligheid en toekomstige heerlijkheid zo goed verzekerd en vast gegrond is in het onomstotelijk raadsbesluit van de liefde van God in onze Heere Jezus Christus, wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen, welk eindbesluit zullen wij daaruit trekken? a) Als God, zoals ik zo-even in Vers 29, 30 heb aangewezen, voor ons is, wie zal tegen ons zijn, wiens macht en vijandschap tegen ons zou zo groot zijn dat zij God zou kunnen overwinnen en ons in onze zaligheid zou kunnen hinderen, die Hij toch vast bepaald heeft?
a) Numeri 14:8.
Welke aanmerkingen behoren wij hierop te maken en welke uitwerkingen behoren zij op onze harten te hebben? Zeker om ons standvastig en onbeweeglijk te maken, altijd overvloedig zijnde in het werk van de Heere, niettegenstaande al de verdrukkingen en vervolgingen, die ons mogen overkomen. Want als de eeuwige en almachtige God zulke grote dingen aangaande ons voorgenomen heeft en Hij de oogmerken van Zijn wijsheid en goedheid zeker zal volvoeren, wat zal onze zaligheid kunnen verhinderen, of ons verderf veroorzaken?
31. Als het echter zo is dat onze zaligheid en toekomstige heerlijkheid zo goed verzekerd en vast gegrond is in het onomstotelijk raadsbesluit van de liefde van God in onze Heere Jezus Christus, wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen, welk eindbesluit zullen wij daaruit trekken? a) Als God, zoals ik zo-even in Vers 29, 30 heb aangewezen, voor ons is, wie zal tegen ons zijn, wiens macht en vijandschap tegen ons zou zo groot zijn dat zij God zou kunnen overwinnen en ons in onze zaligheid zou kunnen hinderen, die Hij toch vast bepaald heeft?
a) Numeri 14:8. Welke aanmerkingen behoren wij hierop te maken en welke uitwerkingen behoren zij op onze harten te hebben? Zeker om ons standvastig en onbeweeglijk te maken, altijd overvloedig zijnde in het werk van de Heere, niettegenstaande al de verdrukkingen en vervolgingen, die ons mogen overkomen. Want als de eeuwige en almachtige God zulke grote dingen aangaande ons voorgenomen heeft en Hij de oogmerken van Zijn wijsheid en goedheid zeker zal volvoeren, wat zal onze zaligheid kunnen verhinderen, of ons verderf veroorzaken?