Handelingen 28:30-31
Hier nemen wij afscheid van de geschiedenis van Paulus, en daar God het niet goed of gepast oordeelde, dat wij iets meer van hem zullen weten, behoren wij zeer zorgvuldig kennis te nemen van elke bijzonderheid in de omstandigheden, waarin wij hem hier moeten verlaten.
I. Het kan niet anders dan ene smart voor ons zijn, dat wij hem om Christus wil in banden moeten laten, en dat ons zelfs geen vooruitzicht gegeven is, dat hij zijne vrijheid zal herkrijgen. Twee volle jaren van het leven diens Godvruchtigen mans worden hier doorgebracht in gevangenschap, en, voor zoveel blijkt, werd er gedurende al dien tijd geen onderzoek naar hem gedaan door hen, wier gevangene hij was. Hij heeft zich op den keizer beroepen in de hoop van spoedig uit zijne gevangenschap ontslagen te worden, daar de stadhouders aan zijne keizerlijke majesteit omtrent den gevangene bericht hadden, dat hij niets gedaan heeft, des doods of der banden waardig, en toch blijft hij gevangen. Zo weinig reden hebben wij op mensen te vertrouwen, inzonderheid verachtte gevangenen op voorname mannen, getuige Jozef, dien de overste der schenkers niet gedacht, maar hem vergat, Genesis 40:23. Maar sommigen denken, dat het in het eerste van deze twee jaren was, en dat wel vroeg in dit jaar, dat hij voor het eerst voor Nero gebracht werd, en dat toen zijne banden in Christus openbaar geworden zijn in het hof des keizers, zoals hij zegt, Filippenzen 1:13. En het was in deze eerste verantwoording, dat niemand bij hem geweest is, 2 Timotheus 4:16. Maar het schijnt, dat hij in plaats van, gelijk hij verwachtte, op zijn beroep in vrijheid gesteld te worden, nauwelijks met zijn leven aan des keizers handen ontkomen is, hij noemt het een verlost zijn uit den muil des leeuws, 2 Timotheus 4:17. Zijn spreken aldaar van zijne eerste verantwoording, duidt aan, dat hij daarna ene tweede verantwoording gedaan heeft, die beter afliep, maar hij werd toch niet in vrijheid gesteld. In deze twee jaren van gevangenschap schreef hij zijn brief aan de Galaten, daarna zijn tweeden brief aan Timotheus, daarna die aan de Efeziërs, de Filippensen, de Colossenzen en aan Filemon, waarin hij spreekt van verscheidene dingen, die zijne gevangenschap betreffen, en eindelijk, zijn brief aan de Hebreeën, juist nadat hij in vrijheid was gesteld, evenals Timotheus, die, hem komende bezoeken, om de ene of andere reden tot zijn medegevangene werd gemaakt, met wie, zo hij haast komt, ik u zien zal, schrijft Paulus aan de Hebreeën, Hoofdstuk 13:23. Maar hoe, en door welk middel, hij zijne vrijheid herkreeg, wordt ons niet gezegd, alleen, dat hij twee jaren gevangen bleef. De overlevering zegt, dat hij, na ontslagen te zijn, van Italië naar Spanje ging, van dáár naar Kreta, en zo met Timotheus naar Judea gereisd is, en van dáár de gemeenten in Azië ging bezoeken, eindelijk voor de tweede maal te Rome kwam, en er in het laatste jaar der regering van Nero onthoofd werd. Maar Baronius zelf erkent, dat er tussen zijne bevrijding uit de gevangenschap en zijn marteldood, niets met zekerheid van hem bekend is. Maar sommigen zeggen, dat Nero, toen hij den tiran begon te spelen, zich tegen de Christenen heeft gesteld en hen heeft vervolgd. Hij was de eerste van de keizers, die ene wet tegen hen heeft uitgevaardigd, zoals Tertullianus zegt, Apolog. cap. 5. De gemeente te Rome werd door deze vervolging zeer verzwakt, dat bracht Paulus voor de tweede maal naar Rome, om de gemeente aldaar wederom te versterken en te bevestigen, de zielen te vertroosten van de discipelen, die nog overgebleven waren, en zo viel hij voor de tweede maal in de handen van Nero. En Chrysostomus verhaalt, dat ene jonge vrouw, ene van Nero's bijzitten, door de prediking van Paulus bekeerd was geworden, tot het Christelijk geloof, en aldus aan het ontuchtige leven, dat zij had geleid, ontrukt was. Nero was hierom zo in toorn ontstoken tegen Paulus, dat hij bevel gaf hem gevangen te nemen, en hem toen ter dood liet brengen. Maar om nu te blijven bij het kort bericht, dat hier van hem gegeven is. 1. Het doet smartelijk aan, dat zulk een nuttig man, als Paulus geweest is, zo lang in banden werd gehouden. Twee jaren is hij gevangen gehouden door Felix, Hoofdstuk 24:27, en behalve al den tijd, die verliep tussen deze gevangenschap en zijne komst te Rome, is hij nu wederom twee jaren gevangen onder Nero. Hoe vele gemeenten zou Paulus in deze vijf jaren (want zo lang heeft die gevangenschap minstens geduurd,) gesticht kunnen hebben, hoe vele steden en volken tot Christus hebben kunnen brengen, indien hij in vrijheid ware gebleven! Maar God is wijs, en wil tonen, dat Hij ook aan de nuttigste werktuigen, die Hij gebruikt, geen schuldenaar is. Hij kan en zal Zijne eigene belangen bevorderen, beide zonder hun diensten en door hun lijden. Zelfs Paulus' banden hebben tot bevordering van het Evangelie gestrekt, Filippenzen 1:12-14.
2. Maar zelfs Paulus' gevangenschap was, in sommige opzichten, ene vriendelijkheid voor hem, want in die twee jaren bleef hij in zijne eigene gehuurde woning, en dat was, voor zoveel ik weet, meer dan hij ooit te voren gedaan heeft. Hij was vroeger gewoon geweest in de huizen van anderen te verblijven, nu heeft hij zelf een huis, zijn eigen huis, zo lang hij er de huur van betaalt. Zulk ene gelegenheid om zich af te zonderen moet ene verkwikking geweest zijn voor iemand, die zijn leven lang een reizend prediker was geweest. Hij was gewoon geweest zich steeds te verplaatsen, zelden lang op ene plaats blijvende, maar nu woonde hij twee gehele jaren in hetzelfde huis, zodat deze gevangenschap voor hem was, wat het voor de discipelen was, toen Christus hen riep om in ene woeste plaats te komen en een weinig te rusten, Markus. 6:31. Toen hij zich in vrijheid bevond, was hij in voortdurende vrees vanwege de lagen der Joden, Hoofdstuk 20:19. Maar nu was zijne gevangenis zijn kasteel, en aldus ging spijze uit van den eter, en zoetigheid van den sterke.
II. Maar het is een genoegen voor ons, (want wij zijn er zeker van, dat het dit ook voor hem was,) dat, hoewel wij hem, om Christus wil in banden laten, wij hem toch ook aan het werk laten voor Christus, en dit was het, dat zijne banden licht maakte, dat hij er niet door belet werd God te dienen en goed te doen. Zijne gevangenis wordt een tempel, ene kerk, en dan is zij voor hem een paleis. Zijne handen zijn gebonden, maar Gode zij dank, zijn mond is niet gestopt. Een getrouw, ijverig leraar kan het beter verduren verdrukking te lijden, dan tot zwijgen te worden gebracht. Hier is Paulus een gevangene, en toch een prediker, hij is gebonden, maar het woord des Heeren is niet gebonden. Toen hij zijn brief aan de Romeinen schreef, zei hij, dat hij verlangde hen te zien, opdat hij hun enige geestelijke gave mocht mededelen, Romeinen 1:11. Hij was verblijd sommigen van hen te zien, vers 15, maar zijne blijdschap zou niet half zo groot zijn, als hij hun niet enige geestelijke gave kon mededelen, waartoe hij hier de gelegenheid heeft, en dus zal hij over de beperking zijner vrijheid niet klagen. Merk op:
1. Voor wie hij predikte, voor allen, die gezind waren hem te horen, hetzij Joden of Heidenen. Of hij ook vrijheid had, om in andere huizen te gaan prediken, blijkt niet. Waarschijnlijk heeft hij die vrijheid niet gehad, maar al wie wilde, had de vrijheid om naar zijn huis te komen en hem te horen, en zij waren hem welkom, hij ontving allen, die tot hem kwamen. De deur der leraren behoort open te zijn voor hen, die onderricht van hen wensen te ontvangen, en zij moeten blijde wezen met ene gelegenheid, om diegenen van raad te dienen, die in kommer zijn over hun zielen. Paulus kon niet prediken in ene synagoge, of in ene ruime, prachtig ingerichte plaats van samenkomst, maar hij predikte in zijne eigene armoedige woning. Als wij in den dienst van God niet kunnen doen wat wij wensen, dan moeten wij er in doen wat wij kunnen. De leraren, die slechts kleine gehuurde huizen hebben, moeten daar liever in prediken, indien hun dit toegestaan wordt, dan te zwijgen. Hij ontving allen, die tot hem kwamen, en hij was evenmin bevreesd voor den aanzienlijkste als hij zich den geringste heeft geschaamd. Hij was bereid om op den eersten dag der week te prediken voor de Christenen, en op den zevenden dag voor de Joden, en voor allen, die wilden komen, op iedere anderen dag der week. En hij kon hopen te beter te zullen slagen, omdat zij tot hem kwamen, hetgeen ene begeerte aanduidde om onderwezen te worden, en ene gewilligheid om te leren, en waar die aanwezig zijn, is het waarschijnlijk, dat enig goed gedaan kan worden.
2. Wat hij predikte. Hij vult hun het hoofd niet met vreemde bespiegelingen, of met politiek, maar hij blijft bij zijn tekst, geeft acht op zijn werk als apostel.
a. Hij is Gods gezant, en daarom predikt hij het koninkrijk Gods. Hij beijvert zich, om dat aan te prijzen, onderhandelt over de zaken er van, ten einde er al de ware belangen van te bevorderen. Hij bemoeit zich niet met de zaken van de koninkrijken der mensen, laten diegenen ze behandelen, wier werk dit is, hij predikt het koninkrijk Gods onder de mensen, en het woord van dat koninkrijk, hetzelfde, dat hij verdedigde in zijne openbare twistredenen, betuigende het koninkrijk Gods, vers 23, daarop drong hij aan in zijne openbare prediking, als hetgeen, zo het op de rechte wijze wordt ontvangen, ons wijs en goed zal maken, wijzer en beter, en dat is het doel der prediking.
b. Hij is een agent voor Christus, een vriend des Bruidegoms, en daarom leert hij van den Heere Jezus Christus' de ganse geschiedenis van Christus, Zijne menswording, Zijne leer, Zijn leven, Zijne wonderen, Zijn dood, Zijne opstanding en hemelvaart, alles wat betrekking heeft op de verborgenheid der Godzaligheid. Paulus hield zich aan zijn beginsel-niets te weten en te prediken dan Christus, en dien gekruisigd. Als leraren in hun prediking in verzoeking komen om af te wijken van hetgeen hun voornaamste arbeid en doel is, dan moeten zij zich terugbrengen tot hun plicht met deze vraag: In welk opzicht betreft dit den Heere Jezus Christus? Welke strekking heeft dit om ons tot Hem te brengen en ons met Hem te laten blijven wandelen? Want wij prediken niet ons zelven, maar Christus
3. Met welke vrijmoedigheid hij predikte.
a. Gods genade gaf hem vrijmoedigheid van geest, hij predikte met alle vrijmoedigheid, als iemand, die zelf wèl verzekerd was van de waarheid van hetgeen hij predikte, en dat het datgene was, waarbij hij durfde te blijven, en van de waardij er van, zodat hij er ook voor durfde te lijden. Hij schaamde zich het Evangelie van Christus niet.
b. Gods voorzienigheid bezorgde hem vrijheid tot spreken, onverhinderd. Niemand verhinderde hem om te spreken. Niemand hield hem er bij in bedwang. De Joden, die hem plachten te verbieden tot de Heidenen te spreken, hadden hier gene macht of gezag, en de Romeinse regering nam vooralsnog gene kennis van de belijdenis van het Christendom, als van ene misdaad. Hierin moeten wij de hand Gods zien. Ten eerste. Hij stelde ene perk aan de woede der vervolgers. Waar Hij het hart niet bekeert, kan Hij toch de hand binden en de tong breidelen. Nero was een bloeddorstig man, en er waren te Rome velen, Joden en Heidenen, die het Christendom haatten, en toch was het zo, al was het onverklaarbaar, dat aan Paulus, hoewel hij een gevangene was, toegelaten werd het Evangelie te prediken, en dat dit niet voor ene verstoring van den vrede werd gehouden. Aldus zal God de grimmigheid des mensen Hem loffelijk doen maken, en het overblijfsel der grimmigheden opbinden, Psalm 76:11. Hoewel er zo velen waren, die het in hun macht hadden Paulus' prediking te verbieden (zelfs de gemene soldaat, die hem bewaarde, zou dit hebben kunnen doen,) heeft God het toch zo beschikt, dat niemand het hem verbood. Ten tweede. Zie hier hoe God vertroosting bereid heeft tot verlichting van den vervolgde. Hoewel het ene zeer enge sfeer van werkzaamheid was, waarin Paulus zich hier bevond, vergeleken bij die, waarin hij vroeger geplaatst was, kon hij er toch ongestoord in arbeiden, daar niemand hem hinderde. Hoewel het gene grote en krachtige deur was, die hem daar geopend was, was het toch ene deur, die open gehouden werd, en aan niemand werd toegelaten haar te sluiten, en voor velen was het toch wel ene krachtige deur, zodat er zelfs heiligen in het huis des keizers waren, Filippenzen bijeenkomsten aldus te eniger tijd tot ene geruste woonplaats voor ons wordt gemaakt, en wij van dag tot dag gevoed worden met het brood des levens, onverhinderd, dan moeten wij God er voor danken, en ons voorbereiden op ene verandering, nog steeds verlangende naar dien heiligen berg, waarin geen smartende doorn, noch weedoende distel meer is.