Handelingen 28:1-10
In welk ene menigte van plaatsen en omstandigheden vinden wij Paulus! Hij was een planeet, gene vaste ster. Hier hebben wij hem op een eiland, waar hij waarschijnlijk nooit gekomen zou zijn, als hij er niet heen was gedreven door den storm, maar het schijnt, dat God daar werk voor hem te doen had. Zelfs stormwinden doen Zijn woord, vervullen den raad Gods, en het is voorzeker een boze wind, die niemand enig goeds aanbrengt. Deze boze wind bracht goeds naar het eiland Melite, want hij bracht er Paulus om er gedurende drie maanden te verblijven, Paulus, die een zegen was voor elke plaats, waar hij kwam. Dit eiland werd Melite genoemd, het ligt tussen Sicilië en Afrika, is twintig mijlen lang, en twaalf breed, het ligt verder verwijderd van een vast land, dan enig ander eiland in de Middellandse Zee, omstreeks zestig mijlen van Sicilië. Het is later vermaard geworden door de Maltezer ridders, die, toen de Turken dat deel van het Christendom vermeesterd hadden, een kloekmoedigen weerstand hebben geboden, en den voortgang hunner wapenen enigszins hebben gestuit. Nu hebben wij hier:
I. Het vriendelijke onthaal, dat de ongelukkige vreemdelingen, die aan hun kust schipbreuk hadden geleden, bij de bewoners van het eiland hebben genoten, vers 2. De barbaren bewezen ons gene gemene vriendelijkheid. God had beloofd, dat niemand het leven zou verliezen, en Gods weg is volmaakt. Indien zij aan de zee waren ontkomen, en, aan land gekomen, van koude of gebrek zouden omgekomen zijn, dan zou dit hetzelfde geweest zijn. Daarom blijft Gods voorzienigheid voor hen zorgen, en de weldaden, die wij van de hand der mensen ontvangen, moeten wij erkennen als van de hand Gods te komen, want alle schepsel is datgene voor ons, en niets meer, dan wat Hij het voor ons doet wezen, en, als het Hem behaagt, kan Hij, evenals Hij onze vijanden met ons bevredigen kan, ook vreemdelingen tot onze vrienden maken, vrienden in den nood, en dat zijn dan ware vrienden, vrienden in benauwdheid, en dat is de tijd waarin een broeder geboren wordt. Merk op:
1. Hoe in het algemeen nota wordt genomen van de vriendelijkheid, die de inwoners van Malta aan Paulus en zijne metgezellen hebben bewezen. Zij worden barbaren genoemd, omdat zij in taal en zeden noch met de Grieken, noch met de Romeinen overeenkwamen, die (tamelijk hoogmoedig) allen, behalve zich zelven, als barbaren beschouwden, al waren zij overigens ook nog zo beschaafd, ja, in sommige opzichten, beschaafder zelfs dan zij. Deze barbaren echter waren zeer menslievend, zij bewezen ons gene gemene vriendelijkheid. Zo ver was het van hen, om van deze schipbreuk ene begeerde prooi voor zich te maken, zoals vrees ik, velen, die zich Christenen noemen, gedaan zouden hebben, dat zij er gelegenheid in vonden om barmhartigheid te bewijzen. De Samaritaan was meer en beter een naaste voor den armen, gewonden man, dan de priester en de Leviet. En in waarheid, wij hebben onder Grieken of Romeinen of Christenen gene meerdere menslievendheid gevonden, dan onder deze barbaren, en het is geschreven ter onzer navolging, opdat wij er uit zouden leren meedogend te zijn jegens hen, die in benauwdheid en ellende verkeren, en hen zoveel wij slechts kunnen te helpen en bij te staan, als degenen, die weten, dat wij ook zelven in het lichaam zijn, en dus gelijke hulp kunnen behoeven. Wij moeten bereid zijn vreemdelingen te herbergen, want hierdoor hebben sommigen engelen geherbergd, Hebr. 13:2, maar inzonderheid vreemdelingen, die in nood zijn, zoals dezen waren.
Eert een iegelijk. Als God de bepaling onzer woning aldus verordend heeft, dat wij er gelegenheid door hebben, om dikwijls mensen, die zich in nood of verlegenheid bevinden, van dienst te zijn, dan moeten wij dit niet als een ongerief beschouwen van ons lot, maar als een der voordelen en voorrechten er van, want het is zaliger te geven dan te ontvangen. Wie weet of dezen barbaren niet juist daarom dit eiland ter woning was gegeven, opdat zij bij zulke rampen hulp zouden bieden!
2. Een bijzonder voorbeeld van hun vriendelijkheid. In de ene of andere ruime zaal ontstaken zij een groot vuur, en namen ons allen in, heetten ons welkom, zonder te vragen van welk land, of van welken Godsdienst wij waren. Daar zij zwemmende, of op stukken van het schip, aan land gekomen waren, kunnen wij onderstellen, dat zij doornat waren, geen drogen draad aan het lijf hadden. En alsof dat nog niet genoeg was om de overstroming voor hen volkomen te maken, hebben de wateren van boven zich verenigd met die van beneden, het regende zo hard, dat zij tot op de huid toe nat werden. Het was ook een koude regen, zodat zij nergens zo grote behoefte aan hadden, als aan een goed vuur (want zij hadden, eer zij het schip verlieten, een hartig maal gebruikt) en dat werd hun terstond bereid, ten einde zich te warmen en hun klederen te drogen. Het is soms ene even grote barmhartigheid jegens arme gezinnen, om hen van brandstof, als van voedsel of klederen te voorzien. Wordt warm is even nodig als wordt verzadigd. Als wij ons tegen de strengheid van ruw en ongunstig weer goed beschut bevinden in een warm huis, de geriefelijkheden hebben van bed, klederen en een goed vuur, dan moeten wij eens denken aan de velen, die blootgesteld zijn aan regen en koude, medelijden met hen hebben, voor hen bidden, en hun, zo wij kunnen, te hulp komen.
II. Hoe Paulus toen nog in gevaar kwam door dat ene adder zijne hand had gevat, en de onjuiste betekenis, die het volk daaraan gaf. Paulus bevindt zich onder vreemdelingen, en schijnt, naar zijn voorkomen te oordelen, de geringste van het gehele gezelschap. Daarom onderscheidt hem God, en maakt, dat er spoedig nota van hem genomen wordt.
1. Toen het vuur aangelegd zou worden, en groter gemaakt, ten einde aan zo groot een gezelschap genoegzame warmte te verschaffen, was Paulus even ijverig in de weer als iemand hunner, om rijzen bijeen te rapen. vers 3. Hoewel hij vrij was van allen, en van hoger aanzien was dan iemand hunner, heeft hij zich toch allen dienstbaar gemaakt. Paulus was een naarstig, werkzaam man, hij beminde het om te helpen in hetgeen er te doen was, en was er nooit op uit, om zijn gemak te nemen. Paulus was een nederig, zich zelven verloochenend man, en wilde ook het geringste werk doen, waarmee hij anderen van dienst kon zijn, zelfs tot het bijeenrapen toe van rijzen om een vuur te ontsteken. Wij moeten niets beneden ons achten dan de zonde, en tot de laagste of geringste werkzaamheden bereid zijn, als dit nodig is tot welzijn van onze broederen. Het volk was gewillig hen te helpen, maar Paulus, nat en koud, als hij was, wilde het hun toch niet alles overlaten, maar zelf mede helpen. Zij, die de weldaad, het voordeel van het vuur ontvangen, moeten helpen om er brandstof voor aan te dragen.
2. Die rijzen, oud en droog afval zijnde, was er ene adder in gekomen, die er als dood in lag, totdat de hitte van het vuur haar deed herleven, of, zij lag stil, totdat zij het vuur gevoelde, en toen, geprikkeld zijnde, greep zij hem aan, die haar onbewust in het vuur had geworpen, zij vatte zijne hand, vers 3. Slangen en andere zodanige giftige schepselen liggen gewoonlijk onder zulk droog afval, vandaar dat wij lezen, Amos 5:19, van hem, die leunde met zijne hand aan den wand, en hem beet ene slang. Dit was iets zo gewoons, of algemeens, dat de mensen bang waren, om ene heg door te breken, Prediker 10:8 1) Wie ene heg doorbreekt, ene slang zal hem bijten. Gelijk er ene adder is onder het groene gras, zo is er ook dikwijls ene onder droge bladeren. Zie aan hoe velerlei gevaren het menselijk leven is blootgesteld, welk gevaar de lagere schepselen voor ons opleveren, waarvan velen, sedert de mensen tegen God gerebelleerd hebben, hun vijanden geworden zijn, en hoe grote barmhartigheid het is, dat wij voor ze bewaard zijn, zoals wij zijn! Dikwijls ontmoeten wij hetgeen kwaad en nadelig is, waar wij hetgeen weldadig is dachten te vinden, en velen worden gekwetst of anderszins geschaad, als zij in den weg huns plichts zich met eerlijken arbeid bezig houden.
3. De barbaren dachten dat Paulus, een gevangene zijnde, voorzeker een moordenaar moest wezen, die zich op Rome had beroepen, ten einde aan het gerecht in zijn eigen land te ontkomen, en dat deze adder door de Goddelijke gerechtigheid was gezonden, om de bloedwreekster te zijn. Of, zo zij niet wisten, dat hij een gevangene was, onderstelden zij, dat hij op de vlucht was, en, toen zij het beest aan zijne hand zagen hangen, dat hij, naar het schijnt, niet terstond kon, of wilde, afschudden, maar het hangen liet, kwamen zij tot de gevolgtrekking: "Deze mens is gewis een doodslager. Hij heeft onschuldig bloed vergoten, en daarom, hoewel hij aan de zee ontkomen is, wordt hij door de Goddelijke wraak achtervolgd, en zij grijpt hem aan op het ogenblik, dat hij zich vleit met de gedachte van ontkomen te zijn, en wil hem niet laten leven". Hierin nu kunnen wij zien: Ten eerste. Enige ontdekkingen van het natuurlijke licht. Zij waren barbaren, bezaten misschien gene geleerde boeken, en toch wisten zij van nature:
a. Dat er een God is, die de wereld regeert, en dat alle gebeurtenissen door Zijne voorzienigheid worden geleid, dat de dingen niet bij geval plaats hebben, maar door Goddelijke aanwijzing.
b. Dat het kwaad de zondaars vervolgt, dat er goede werken zijn, die God zal belonen, en boze werken, die Hij zal straffen, dat er ene Goddelijke Nemesis -ene wrake, is, die vroeg of laat voor grote misdaden afrekening zal houden. Zij geloven niet slechts, dat er een God is, maar dat deze God gezegd heeft: Mijne is de wraak, Ik zal het vergelden, zelfs tot den dood toe.
c. Dat moord ene afschuwelijke misdaad is, die niet lang ongestraft zal blijven, dat wie des mensen bloed vergiet -indien zijn bloed niet door de mensen vergoten wordt, zoals het behoorde door den magistraat, het vergoten zal worden door den rechtvaardigen Rechter van hemel en aarde, die de Wreker is van onrecht. Zij, die denken in enigerlei bozen weg ongestraft te zullen blijven, zullen uit den mond dezer barbaren geoordeeld worden, die, zonder boek, in staat waren te zeggen: Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan want de vergelding zijner handen zal hem geschieden. Zij, die, omdat zij menigmaal aan het gerecht ontkwamen, gerust zijn, en zeggen: Wij zullen vrede hebben, al gaan wij ook voort in het kwade, zo dat zij hun hart gans verharden, omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, kunnen van deze ongeletterde lieden leren, dat er, hoewel de boosdoeners aan de wrake der zee zijn ontkomen, aan de Goddelijke gerechtigheid toch geen ontkomen is, de wraak laat hen niet leven. In Jobs tijd zoudt gij den voorbijgaanden op den weg hebben kunnen vragen, en zij zouden u gezegd hebben, dat de boze bewaard wordt voor den dag des verderfs, Job 21:30 1).
Ten tweede. Sommigen van de vergissingen, of dwalingen van het natuurlijke licht, die door de Goddelijke openbaring hersteld moesten worden. Hun kennis was gebrekkig in tweeërlei opzicht:
a. Zij dachten, dat alle slechte mensen reeds in dit leven gestraft worden, dat de Goddelijke wraak grote en openbare zondaren, zoals moordenaars, nooit lang laat leven, maar dat zij, als zij uit den kuil opkomen, in den strik gevangen zullen worden, Jeremia 48:43, 44, en, als zij voor het aangezicht eens leeuws vlieden, een beer hen zal ontmoeten, Amos 5:19. Als zij aan verdrinken ontkomen, zal een adder hen vatten. Maar zo is het niet.
De goddelozen, zelfs moordenaars, leven, worden oud, ja worden geweldig in vermogen, want de dag der wrake zal in de andere wereld komen, de grote dag des toorns, en hoewel van sommigen reeds in deze wereld een voorbeeld gemaakt wordt, om te tonen, dat er een God is, blijven toch velen ongestraft, om te tonen, dat er een toekomend oordeel is.
b. Zij dachten, dat allen, die in dit leven op zeer bijzondere wijze beproefd worden, of door ene zware ramp worden getroffen, goddeloze mensen zijn, dat een man, wiens hand door ene adder gevat wordt, deswege voor een doodslager gehouden kan worden, alsof zij, op wie de toren van Siloam gevallen is, grotere zondaren moeten wezen, dan allen, die in Jeruzalem zijn. In die dwaling verkeerden ook de vrienden van Job, toen zij over zijn toestand een oordeel velden, maar de Goddelijke openbaring plaatst die zaak in het ware licht, nl. -dat gewoonlijk alle ding allen gelijkelijk wedervaart, dat Godvruchtigen soms zwaar beproefd worden in dit leven, ten einde hun geloof te oefenen, en hun lijdzaamheid te doen toenemen.
4. Toen hij de adder afschudde van zijne hand, verwachtten zij toch, dat de Goddelijke wraak hun oordeel zou bevestigen, dat hij zou opzwellen, en door de kracht van het gif zou bersten, of dat hij terstond dood zou neervallen. Zie hoe geneigd de mensen zijn, om, als zij eens ene slechte mening van iemand hebben opgevat, al is zij ook nog zo ongegrond, er bij te blijven, en te denken, dat God hun ongunstig oordeel moet bevestigen en bekrachtigen! Het was nog gelukkig, dat zij zelven hem niet neervelden, toen zij zagen, dat hij niet opzwol en dood neerviel, maar neen, zij zijn bedachtzaam genoeg om de voorzienigheid te laten werken, en daar de uitkomst van gade te slaan.
III. Paulus' redding uit dit gevaar, en de onjuiste uitlegging, die het volk daaraan gaf. Dat de adder zijne hand had gevat, was ene beproeving van zijn geloof, en het werd bevonden tot lof, en eer, en heerlijkheid, want:
1. Het blijkt niet, dat hij er door verschrikt werd. Hij schreeuwde niet, sprong niet op, zoals wij gans natuurlijk gedaan zouden hebben, hij heeft haar niet met afgrijzen en haast afgeschud, want hij liet haar zo lang hangen, dat de mensen tijd hadden om het te zien, en er hun aanmerkingen op te maken. Hij had zulk ene verwonderlijke tegenwoordigheid van geest, zulk ene grote kalmte van gemoed, als bij zulk een plotseling ongeval niemand hebben kon, dan door de bijzondere hulp van Gods genade, en het wezenlijke, werkzame geloof in het woord van Christus aan Zijne discipelen, Markus 16:18, slangen zullen zij opnemen. Dit is: het hart vast te hebben, betrouwende op den Heere.
2. Onbekommerd schudde hij de adder af in het vuur, zonder enige moeite, zonder om hulp te roepen, of enigerlei middel te gebruiken om haar los te maken van zijne hand, en waarschijnlijk is zij in het vuur verteerd. Zo zullen de gelovigen in de kracht van Christus' genade, met ene heilige vastberadenheid de verzoekingen van Satan van zich afschudden, en, evenals Christus, zeggen: Ga weg achter mij, Satanas! De Heere bestraffe u! en aldus bewaren zij zich zelven en de boze vat hen niet, 1 Johannes 5:18. Als wij de bestraffende bedilling van mensen verachten, er met ene heilige minachting op neerzien, daar wij het getuigenis van ons geweten voor ons hebben, dan doen wij wat Paulus hier gedaan heeft: wij schudden de adder af in het vuur. Zij doet ons geen kwaad behalve wanneer wij ons er over verbitteren, of er ons door laten afhouden van onzen plicht, of er door geprikkeld worden, om schelden voor schelden te vergelden.
3. Het heeft hem niet gedeerd. Zij, die dachten, dat het hem den dood zou kosten, verwachtten lang, en zagen. dat geen ongemak over hem kwam. God bedoelde hiermede hem door deze barbaren te doen opmerken, en aldus voor hen den weg te bereiden om het Evangelie te ontvangen. Men zegt, dat daarna geen giftig dier in dat eiland kon leven, evenmin als in Ierland, maar ik bevind niet, dat dit bevestigd wordt, hoewel de Roomse schrijvers er met volle verzekerdheid van spreken.
4. Toen hebben zij hem even geprezen en verheerlijkt, als zij hem te voren gehoond hadden. Zij veranderden, en zeiden, dat hij een god was, een onsterfelijke god, want zij achtten het onmogelijk, dat ene adder zo lang aan de hand van een sterfelijken mens kon hangen, zonder hem te deren. Zie het onvaste van de volksmening, hoe zij verandert met den wind, en hoe gemakkelijk zij van het ene uiterste tot het andere komt, van het offeren aan Barnabas en Paulus tot aan het stenigen van hen, en hier, van hem te veroordelen als een moordenaar, tot hem te vereren als een god.
IV. De wonderdadige genezing door Paulus van een aanzienlijken ouden man, die ziek was door koorts, en van anderen, die door verschillende krankheden bevangen waren. En deze bevestiging van de leer van Christus ging ongetwijfeld gepaard aan de verkondiging er van. Merk op:
1. De vriendelijke gastvrijheid door Publius, den voornaamste van het eiland, aan deze in nood zijnde vreemdelingen verleend. Hij had grote landhoeven in het eiland, en sommigen denken, dat hij er de gouverneur van was, hij ontving hen en heeft hen drie dagen vriendelijk geherbergd, opdat zij tijd zouden hebben om naar andere geschikte verblijfplaatsen voor zich om te zien. Het is heerlijk als God aan hen, aan wie Hij ene ruime bezitting heeft geschonken, ook een ruim hart geeft. Het betaamde hem, die de voornaamste van het eiland was, het meest gastvrij en het edelmoedigst te wezen, rijk te zijn in goede werken.
2. De ziekte van den vader van Publius, hij was met koortsen en den roden loop bevangen, ziekten, die gewoonlijk samen gaan, en dan meestal een dodelijken afloop hebben. Gods voorzienigheid had het zo beschikt, dat hij juist toen ziek moest wezen, opdat zijne genezing ene dadelijke beloning zou wezen voor Publius' grootmoedigheid, en die genezing inzonderheid door een wonder ene beloning zou wezen voor zijne vriendelijkheid aan Paulus bewezen, dien hij ontving in den naam eens profeten, en dus dit loon eens profeten er voor kreeg.
3. Zijne genezing. Paulus nam kennis van zijn toestand, en hoewel wij niet bevinden, dat hij er toe gedrongen werd, want zij hebben aan zo iets niet eens gedacht, ging hij naar binnen, niet als arts om hem door medicijnen te genezen, maar als apostel om hem te genezen door een wonder, en hij heeft in den naam van Christus God gebeden om zijne genezing, en toen heeft hij hem de handen opgelegd, en in een ogenblik was hij volkomen wel. Hoewel hij oud moet geweest zijn, heeft hij toch zijne gezondheid herkregen, en de verlenging van zijn leven moet voor hem ene goedertierenheid Gods geweest zijn.
4. De genezing van vele anderen, die door deze genezing uitgelokt werden om zich ook tot Paulus te wenden. Indien hij zo gemakkelijk en zo volkomen krankheden kan genezen, dan zal hij weldra vele patiënten hebben, en hij heeft hen allen welkom geheten, en hen weggezonden met hetgeen, waarvoor zij gekomen waren. Hij heeft er zich niet op beroepen, dat hij hier een vreemdeling was, bij toeval onder hen gekomen, zich onder generlei verplichting jegens hen bevond, slechts wachtte om met de eerste gelegenheid weg te reizen, en er dus verschoond van wilde zijn, om dien arbeid onder hen te verrichten. Neen, een goed en Godvruchtig man zal trachten goed te doen aan alle plaatsen, waar Gods voorzienigheid hem heen heeft gevoerd. Paulus achtte zich een schuldenaar, niet alleen van de Grieken, maar ook van de barbaren, en dankte God voor de gelegenheid om nuttig voor hen te kunnen wezen. Ja, hij gevoelde zich zeer bijzonder verplicht aan deze inwoners van Malta, voor de tijdige schuilplaats en de levensbehoeften, die zij hem hadden verstrekt, en hiermede heeft hij zich ook werkelijk van zijne schuld voor zijn onthaal gekweten. Dit moet ons aanmoedigen vreemdelingen te herbergen, want aldus hebben sommigen onwetend engelen, en anderen apostelen geherbergd. God zal niet nalaten vriendelijkheid te vergelden, die aan Zijne in nood zijnde kinderen wordt bewezen. Wij hebben reden te geloven, dat Paulus bij deze genezingen ook het Evangelie gepredikt heeft, en daar het aldus aanbevolen en bevestigd tot hen kwam, werd het algemeen onder hen aangenomen. Indien dit zo is, dan is voorzeker nooit een volk zo verrijkt geworden door ene schipbreuk aan hun kust, als deze Maltezers het geweest zijn.
V. Hoe deze barbaren dankbaar Paulus' vriendelijkheid erkend hebben door dat hij hun Christus' Evangelie heeft gepredikt. Zij waren beleefd jegens hem en de andere predikers, die hem waarschijnlijk bij zijne prediking hebben geholpen, vers 10.
1. Zij eerden ons met veel eer, zij betoonden hun alle mogelijke achting en eerbied. Zij zagen, dat God hen eerde, en daarom achtten zij zich te recht verplicht hen te eren, en zij vonden niets te veel, waardoor zij hun achting en eerbied konden betuigen. Wellicht hebben zij hun het burgerrecht op hun eiland aangeboden, en namen zij hen aan als leden van hun gilden en broederschappen. De getrouwe predikers van het Evangelie zijn dubbele eer waardig, voornamelijk dan, als zij welslagen in hun' arbeid.
2. Als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen van node was, of zij brachten aan boord hetgeen wij nodig hadden. Paulus kon hier niet met zijne handen arbeiden, want hij had gene materialen, en daarom nam hij de vriendelijkheid aan van de goede lieden op Melite, niet als ene beloning voor zijne genezingen, (hij had die gave om niet ontvangen, en hij gaf haar om niet) maar als ene ondersteuning in zijne nooddruft en van degenen, die met hem waren. En daar zij geestelijke goederen van hen hadden ontvangen, was het niet meer dan recht, dat zij ze hun op die wijze vergolden, 1 Corinthiërs 9:11.