Handelingen 28:23-29
Wij hebben hier een kort bericht van ene langdurige conferentie van Paulus met de Joden over den Christelijken Godsdienst. Hoewel zij er zo tegen bevooroordeeld waren, omdat hij overal tegengesproken werd, dat zij hem ene sekte noemden, waren zij toch bereid om er de verdediging van aan te horen, hetgeen meer was dan de Joden te Jeruzalem wilden doen. Waarschijnlijk waren deze Joden te Rome, die meer wereldkennis hadden, vrijer in hun onderzoek, dan de bevooroordeelde Joden te Jeruzalem, en wilden zij dus over deze zaak niet oordelen voordat zij haar gehoord hadden.
I. Er wordt ons hier gezegd, hoe Paulus deze conferentie ter verdediging van den Christelijken Godsdienst gehouden heeft. De Joden bestemden een dag, om dit twistgesprek te houden, opdat beide partijen intijds bericht zouden hebben, vers 23. Deze Joden schenen wel gezind te zijn om overtuigd te worden, en toch bleek het, dat zij niet allen tot overtuiging kwamen. Toen nu de dag gekomen was:
1. Kwamen er velen in zijne woonplaats. Hij was een gevangene, en kon niet tot hen gaan, maar zij waren bereid tot hem te komen in zijne woning. En als zij goed nadachten over zijne tegenwoordige gevangenschap, dan moest zij, in stede van hen te bevooroordelen tegen zijne leer, haar juist voor hen bevestigen, want het was een teken, niet alleen, dat hij er in geloofde, maar dat hij haar waardig achtte, om er voor te lijden. Een man als Paulus moet men liever in de gevangenis bezoeken, dan geen onderricht van hem te krijgen. En hij maakte plaats voor hen in zijne woning, niet vrezende aanstoot te geven aan de regering, zo hij hun slechts goed kon doen.
2. Hij was zeer uitvoerig en volledig in zijn gesprek met hen, meer hun overtuiging op het oog hebbende dan zijne eigene rechtvaardiging.
a. Hij legde hun het koninkrijk Gods uit, toonde hun wat de aard was van dat koninkrijk, het heerlijke doel er van, dat het hemels en geestelijk is, in het hart der mensen zetelt, niet schittert in uitwendige pracht, maar in reinheid van hart en leven. Hetgeen de Joden in hun ongeloof hield was een misbegrip van het koninkrijk Gods, alsof het kwam met uiterlijk gelaat. Laat dit hun slechts verklaard en in het ware licht gesteld worden, en zij zullen tot deszelfs gehoorzaamheid worden gebracht.
b. Hij heeft hun het koninkrijk Gods niet slechts uitgelegd, maar ook betuigd. Hij heeft het hun eenvoudig verklaard, en door onweerlegbare bewijzen aangetoond, dat het koninkrijk Gods door de bedeling van den Messias was gekomen, en nu in de wereld werd opgericht. Hij getuigde van de buitengewone krachten en machten in het koninkrijk der genade, waardoor het opgericht werd, en de wonderen in het rijk der natuur, waardoor het werd bevestigd. Hij gaf dit getuigenis er van uit zijne eigene ervaring van deszelfs macht en invloed op hem, en de wijze, waarop hij er tot onderwerping aan gebracht was.
c. Hij verklaarde en betuigde hun niet alleen het koninkrijk Gods, maar hij bewoog hen, drong er bij hen op aan met allen ernst en vurigheid, dat zij het koninkrijk Gods zouden ontvangen, er zich aan zouden onderwerpen, niet zouden volharden in hun tegenstand er van. Op zijne leer (de verklaring en bevestiging er van) liet hij ene warme, levendige toepassing volgen voor zijne hoorders, hetgeen de meest gepaste en nuttige methode van prediken is.
d. Hij poogde hen te bewegen tot het geloof van Jezus. Doel en strekking van geheel zijne rede was hen tot Christus te brengen, hen er van te overtuigen, dat Hij de Messias is, hen aan te sporen om in Hem te geloven, zoals Hij in het Evangelie wordt aangeboden. Hij drong bij hen aan-ta peri tou Iêsou -op de dingen betreffende Jezus, de profetieën van Hem, die hij voor hen las uit de wet van Mozes, en uit de profeten, als wijzende op den Messias, en toonde hun, hoe die allen in dezen Jezus zijn vervuld. Daar zij Joden waren, handelde hij met hen uit de Schriften van het Oude Testament, en toonde hun, dat dezen, wel verre van ten nadele van het Christendom te zijn, er juist het grootste bewijs van zijn, zodat, indien wij de geschiedenis van het Nieuwe Testament vergelijken met de profetie van het Oude, tot de gevolgtrekking moeten komen, dat deze Jezus degene is, die komen zou en dat wij geen anderen moeten verwachten.
3. Hij was zeer uitvoerig, want hij strekte zijne rede uit, -en het schijnt ene onafgebrokene rede geweest te zijn-van `s morgens vroeg tot den avond toe. Zij heeft misschien wel acht of tien uren geduurd. Het onderwerp was zeldzaam, kostelijk. Hij was er geheel van vervuld. Het was van het uiterste belang en gewicht, hij was in ernst, zijn hart was er op gezet. Hij wist niet wanneer hem weer zulk ene gelegenheid zou worden geboden, en daarom heeft hij, zonder hun vergeving te vragen, omdat hij hun geduld zo op de proef stelde, hen den gehelen dag gehouden. Maar waarschijnlijk heeft hij ook enigen tijd doorgebracht in gebed voor hen en met hen.
II. Wat de uitwerking was van deze rede. Men zou gedacht hebben, dat het niet anders kon, of zo goed ene zaak als het Christendom, voorgestaan en bepleit door zo bekwaam een woordvoerder als Paulus, de overwinning weg moest dragen, en dat al de hoorders zich terstond gewonnen zouden geven. Maar zo was het niet, het Kindeke Jezus is gezet tot een' val voor sommigen, en tot ene opstanding van anderen, een Hoeksteen voor sommigen, een Steen des aanstoots voor anderen.
1. Zij waren oneens tegen elkaar vers 25. Sommigen van hen dachten, dat Paulus gelijk had, anderen wilden dat niet toegeven. Dat is die verdeeldheid, die Christus gekomen is om op de aarde te geven, het vuur, dat Hij is komen ontsteken, Lukas 12:49, 51. Paulus heeft met grote duidelijkheid en helderheid gepredikt, en toch konden zijne hoorders het niet met elkaar eens worden over den zin van hetgeen hij predikte en de bewijzen, die hij er voor aanvoerde.
2. Sommigen geloofden wel hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet. Daarin bestond de onenigheid. Zo is altijd het succes geweest van het Evangelie, voor sommigen was het ene reuke des levens ten leven, voor anderen ene reuke des doods, ten dode. Op sommigen heeft het woord uitwerking, anderen worden verhard, sommigen ontvangen het licht, anderen sluiten er hun ogen voor. Zo was het ook onder de hoorders van Christus en de aanschouwers Zijner wonderen: sommigen geloofden, anderen lasterden. Indien allen hadden geloofd, er zou gene onenigheid geweest zijn, zodat de schuld van die verdeeldheid lag bij hen, die niet niet wilden geloven.
III. Het ontdekkende woord, dat Paulus tot hen sprak bij het afscheid. Door hun mompelen onder elkaar bemerkte hij, dat velen onder hen, misschien wel het merendeel, hardnekkig bleven, zich niet wilden buigen onder het overtuigende van hetgeen hij gezegd had. Zij stonden op om heen te gaan, zij hadden er nu genoeg van. "Wacht," zegt Paulus, "neemt nog een woord met u eer gij heengaat, en denkt er over na als gij tehuis gekomen zijt, Wat meent gij, dat het gevolg wezen zal van uw hardnekkig ongeloof? Wat zult gij bij het einde er van doen? Waar zal het op uitlopen?"
1. "Door het rechtvaardig oordeel Gods zult gij onder de ongehoorzaamheid besloten worden. Gij verhardt uwe harten, en God zal ze verharden, zoals Hij Farao's hart verhard heeft, en dat is wat van u geprofeteerd is. Leest deze Schriftuurplaats, Jesaja 6:9, 10, leest haar met ernst, en siddert, vreest er voor, dat de toestand, die dáár beschreven is, uw toestand is." Gelijk er in het Oude- Testament Evangeliebeloften zijn, die vervuld zullen worden in allen, die geloven, zo zijn er ook Evangelie-bedreigingen van geestelijke oordelen, die vervuld zullen worden in hen, die niet geloven, en dit is er een van. Het is een deel van den last, gegeven aan Jesaja, den profeet: hij is gezonden om diegenen erger te maken, die niet beter gemaakt wilden worden. Wèl heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen. Wat gesproken is door JEHOVA wordt hier gezegd gesproken te zijn door den Heiligen Geest, waaruit blijkt, dat de Heilige Geest God is. En wat gesproken werd tot Jesaja, wordt hier gezegd door hem gesproken te zijn tot onze vaderen, want hem was bevolen aan het volk te zeggen, wat God tot hem gezegd heeft. En hoewel in hetgeen daar gezegd werd, veel was, dat ene verschrikking was voor het volk, en ene smart voor den profeet, wordt het hier aangeduid als wèl gezegd. Van ene boodschap des toorns zei Hizkia: Het woord des Heeren, dat gij gesproken hebt, is goed, Jesaja 39:8. En, die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden, is Evangelie, even goed als: Die geloofd zal hebben, zal zalig worden, Markus 16:16. Of, dit kan verklaard worden door het woord van onzen Heiland, Mattheus 15:7, "Wèl heeft Jesaja van u geprofeteerd. De Heilige Geest zei tot uwe vaderen, hetgeen in u vervuld zal worden: Met het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan."
a. "Hetgeen hun grote zonde was tegen God, is ook de uwe, en zij is deze: Gij wilt niet zien. Gij sluit uwe ogen voor het klaarste, het overtuigendste bewijs. Gij wilt de gevolgtrekking niet toelaten, hoewel gij de voorafgaande stelling niet kunt ontkennen. Uwe ogen hebt gij toegedaan," vers 27. Hiermede wordt een hardnekkig ongeloof aangeduid, ene gewillige slavernij onder het vooroordeel, "Gelijk uwe vaderen Gods hand niet wilden zien opgeheven tegen hen in zijne oordelen, Jesaja 26:11, zo wilt gij Gods hand niet zien, naar u uitgestrekt in Evangelie-genade." Het was van deze ongelovige Joden waar, dat zij bevooroordeeld waren tegen het Evangelie, zij zagen niet, omdat zij vast besloten waren niet te willen zien, en niemand is zo blind als zij, die niet willen zien. Zij wilden niet handelen naar hun overtuiging, en daarom wilden zij haar niet erkennen. Zij hebben voorbedachtelijk hun ogen gesloten, opdat zij met hun ogen de grote dingen niet zouden zien, die tot hun eeuwigen vrede dienen, de heerlijkheid Gods niet zouden zien, het liefelijke van Christus, het afschuwelijke der zonde, de schoonheid der heiligheid, de ijdelheid dezer wereld, en de werkelijkheid van ene andere wereld. Zij willen niet veranderd en geregeerd worden door die waarheden, en daarom willen zij er het bewijs niet van toelaten, opdat zij niet met de oren zouden horen, hetgeen zij ongaarne horen, den toorn Gods, geopenbaard van den hemel aan hen. Zij stoppen hun oren toe, als ene dove adder, die hare oren toestopt, opdat zij niet hore naar de stem, der belezers, al zijn die ook nog zo ervaren. Zo hebben hun vaderen gedaan. Zij verzwaarden hun oren, opdat zij niet hoorden, Zacheria 7:11, 12. Zij sloten hun ogen en oren, barricadeerden, als het ware de zintuigen, die hun gegeven waren om te kunnen leren, tegen Hem, die beide het horende oor, en het ziende oog gemaakt heeft, omdat zij bevreesd waren, dat zij met het hart zouden verstaan, zich zouden bekeren, en Ik hen zou genezen. Zij hielden hun verstand in het duister, of ten minste in gestadige onrust en verwarring, opdat zij niet, indien zij ene verstandige, sobere gedachte plaats zouden geven, met het hart zouden verstaan, dat het zowel hun plicht als hun belang is, om Godsdienstig te zijn, en de waarheid hun langzamerhand te sterk zou worden, en zij zich zouden bekeren van hun bozen weg, waarin zij zulk een behagen hebben, tot den weg, die hun thans nog zo veel afkeer inboezemt. Het is Gods methode, om de mensen eerst er toe te brengen, om te zien en te horen, en aldus te verstaan met hun hart, en dan hen te bekeren en hun wil te buigen, ten einde hen aldus te genezen, hetgeen de regelmatige manier is om met ene redelijke ziel te handelen. Daarom voorkomt Satan de bekering der zielen tot God, door hun zinnen te verblinden en hun verstand te verduisteren, 2 Corinthiërs 4:4. En de toestand is zeer treurig, als de zondaar zich hierin met hem verenigt en zich zelven de ogen uitsteekt. -Ut liberius peccent, libenter ignorant -Zij dompelen zich in onwetendheid, om des te vrijer te zondigen. Zij beminnen hun ziekte, en zijn bevreesd, dat God hen zal genezen, evenals Babel van ouds. Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen, Jeremia 51:9. Dat was de zonde.
b. "Hetgeen het grote oordeel Gods over hen is vanwege deze zonde: Zijn oordeel over u: Gij zult blind zijn. God zal u overgeven aan ene gerechtelijke bedwelming van zinnen, horende zult gij horen, het woord Gods zal u gepredikt worden, telkens en nogmaals, maar gij zult het niet verstaan, omdat gij uw hart er niet toe wilt zetten om het te verstaan, God zal u gene kracht en genade geven om het te verstaan. Ziende zult gij zien. Er zullen zeer vele tekenen en wonderen voor uwe ogen geschieden, maar gij zult er het overtuigend bewijs niet van bemerken. Wacht u, dat van u niet waar wordt wat Mozes tot uwe vaderen gezegd heeft: De Heere heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen tot op dezen dag. Deuteronomium 29:4, en wat Jesaja zei tot de mensen van zijn tijd, Jesaja 29:10-12. De Heere heeft over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps, en Hij heeft uwe ogen toegesloten." Door hun weerstaan van Gods genade en hun rebelleren tegen het licht, zodat God hun Zijne genade moest ontnemen, en Zijn licht van hen terughouden, door hun niet aannemen van de liefde der waarheid, zodat God hun deswege ene kracht der dwaling gezonden heeft, dat zij de leugen zouden geloven, door hun moedwillige verharding van hun hart, zodat zij met ene gerechtelijke verharding van hart bezocht zijn, is het hart dezes volks dik geworden, en hebben zij met de oren zwaarlijk gehoord. Zij zijn dom en verstandeloos, er wordt door al wat men tot hen zeggen kan gene werking op hen uitgeoefend, generlei geneesmiddel werkt iets bij hen uit, kan hen bereiken, en daarom moet hun ziekte ongeneeslijk verklaard worden, en hun toestand hopeloos. Hoe kunnen mensen gelukkig zijn, die niet genezen willen worden van ene ziekte die hen ongelukkig maakt? En hoe zullen diegenen genezen worden, die van de methode der genezing niets willen weten, er zich niet aan willen onderwerpen? En hoe zullen zij er zich aan onderwerpen, als zij noch aan hun ziekte willen geloven, noch van de heilzame uitwerking van het geneesmiddel overtuigd willen worden? En hoe zullen diegenen overtuigd worden, die hun ogen sluiten, en hun oren toestoppen? Laten allen, die het Evangelie horen, en er geen acht op slaan, sidderen bij dit oordeel, want als zij eenmaal aldus overgelaten zijn aan hardheid van hart, dan zijn zij reeds in het voorportaal der hel. Immers, wie zal hen genezen, als God het niet doet?"
2. "Uw ongeloof zal God er in rechtvaardigen, dat Hij het Evangelie naar de Heidenwereld zendt, hetgeen u met zoveel nijd en afgunst vervult, vers 28. Daarom, aangezien gij de genade Gods afwijst, en u niet wilt onderwerpen aan de macht der Goddelijke waarheid en liefde, aangezien gij niet bekeerd en genezen wilt worden, op de wijze, die de Goddelijke wijsheid heeft verordineerd, zo zij het u bekend, dat de zaligheid Gods den Heidenen gezonden is, die zaligheid, welke alleen uit de Joden was, Johannes 4:22. De aanbieding er van is hun gedaan, de middelen er voor zijn hun verstrekt, en zij hebben er meer uitzicht op dan gij. Zij is hun gezonden, en zij zullen haar horen, en aannemen, en er gelukkig in zijn." Hiermede nu bedoelt Paulus:
a. Hun misnoegen te verminderen wegens de prediking van het Evangelie aan de Heidenen, door er hun het ongerijmde van aan te tonen. Hun toorn was opgewekt, omdat de zaligheid Gods den Heidenen was gezonden. Zij dachten, dat dit ene te grote gunst was, die hun werd betoond, maar indien zij deze zaligheid van zo gering ene waardij achtten, dat zij niet waard was om door hen zelven aangenomen te worden, dan voorzeker konden zij haar toch niet aan de Heidenen misgunnen, als voor hen te kostelijk, of haar hun benijden. De zaligheid Gods is in de wereld gezonden, den Joden werd zij het eerst aangeboden, zij was hun naar behoren voorgesteld, zij werden ernstig gedrongen haar aan te nemen, maar zij weigerden haar. Zij wilden de uitnodiging niet aannemen tot de bruiloft, die hun het eerst gezonden was, en daarom hebben zij het zich zelven te wijten, dat andere gasten genodigd zijn. Indien zij den koop niet willen sluiten, er de voorwaarden niet van willen aannemen, dan moeten zij niet boos zijn op hen, die het wèl willen. Zij konden niet klagen, dat de Heidenen haar hun ontnomen hadden, want zij hadden er geen lust in betoond, ja meer, zij hadden de verzenen er tegen opgeheven, en daarom is het hun eigene schuld, want het is door hun val, dat de zaligheid den Heidenen geworden is, Romeinen 11:11.
b. Om hun ongenoegen over de gunst, den Heidenen betoond, ten hunnen voordele te gebruiken, en alzo uit dat kwaad goed te doen voortkomen. Want, als hij over deze zelfde zaak spreekt in zijn' brief aan de Romeinen, nl. van het voordeel, dat de Heidenen door het ongeloof en de verwerping der Joden hadden verkregen, zegt hij dit voorbedachtelijk te hebben gezegd, of hij daardoor ook enigszins zijne geliefde stamgenoten, de Joden, tot jaloersheid zou verwekken, en enigen uit hen behouden mocht, Romeinen 11:14. De Joden hebben het Evangelie van Christus verworpen, het weggeschoven naar de Heidenen, maar het is nog niet te laat om berouw te hebben van hun weigering, en de zaligheid aan te nemen, die zij zo gering hebben geschat. Zij kunnen "Neen" zeggen, maar haar toch aannemen, zoals de oudste broeder in de gelijkenis, die, toen hem bevolen was heen te gaan om in den wijngaard te werken, eerst zei: ik wil niet, maar daarna, berouw hebbende, heenging. Mattheus 21:29. Is het Evangelie den Heidenen gezonden? Laat ons het dan volgen, veeleer dan het te moeten missen. En zullen zij het horen, van wie men gedacht heeft dat zij geen gehoor meer hadden, die zo lang geweest waren als de afgoden, die zij aanbaden, die oren hebben en niet horen? En zullen wij het niet horen, die het voorrecht hebben van den Heere nabij ons te hebben voor alles, waarvoor wij Hem aanroepen? Aldus wilde hij, dat zij bij zich zelven zouden redeneren, totdat zij zich schamen en het Evangelie gaan geloven, door het welkom, dat het bij de Heidenen vond. En zo het die uitwerking niet op hen had, dan zou hun oordeel er om verzwaard worden, zoals dit met de schriftgeleerden en Farizeeën het geval was, die toen zij zagen, dat hoeren en tollenaren zich aan den doop van Johannes onderwierpen, geen berouw hebben gehad van hun dwaasheid, om hem te geloven," Mattheus 21:32.
IV. Hoe de vergadering daarop met enige wanorde uiteengegaan is.
1. Zij keerden Paulus den rug toe. Diegenen onder hen, die niet geloofden, waren ten uiterste verbitterd over het woord, dat hij gesproken had, nl. dat er ene gerechtelijke verblinding over hen komen zou, en dat het licht des Evangelies zou schijnen over hen, die in duisternis zijn gezeten. Als Paulus dit gezegd had, was het hun genoeg, en gingen zij weg, misschien niet zo verwoed als anderen van hun volk bij ene dergelijke gelegenheid geweest waren, maar dom en onbekommerd, zonder door de schrikkelijke woorden, die hij aan het einde zijner rede, of de troostrijke woorden, die hij te voren had gesproken, meer ontroerd of aangedaan te zijn, dan de stoelen, waarop zij zaten. Zij gingen weg, velen van hen met het besluit om Paulus nooit meer te gaan horen prediken, of zich verder omtrent deze zaak enigerlei bemoeienis te geven.
2. Zij zetten hun aangezicht tegen elkaar, want er was grote twisting onder hen. Er was niet slechts twisting tussen hen, die geloofden, en hen, die niet geloofden, maar zelfs onder hen, die niet geloofden. Zij, die overeenkwamen om van Paulus weg te gaan, kwamen toch niet overeen in de redenen waarom zij weggingen, zij hadden veel twisting onder elkaar, vele redeneringen. Velen hebben grote redeneringen, die toch niet op de rechte wijze redeneren, zij vinden elkanders meningen verkeerd, maar onderwerpen zich toch niet aan de waarheid. Ook zullen der mensen redeneringen onder elkaar hen niet tot overtuiging brengen, als de genade Gods hun verstand niet opent.