Genesis 40:20-23
1. Hier is de bevestiging van Jozefs uitlegging van de dromen, en wel op de vooraf bepaalde dag. De overste der schenkers en de overste der bakkers werden beide verhoogd, de een tot zijn ambt, de ander tot de galg, en beide aan het einde van drie dagen. Zeer grote veranderingen, beide ten goede en ten kwade, hebben plaats in zeer weinig tijd, zo schielijk en snel zijn de omwentelingen van het rad der fortuin. De gelegenheid om hun zaak te berechten was de viering van Farao's geboortedag, wanneer het de gewoonte was dat al zijn knechten hem opwachtten, en toen werd onderzoek naar deze twee gedaan, en naar de reden van hun gevangenneming. De viering van de geboortedag van vorsten is vanouds een eerbiedsbetuiging aan hen geweest en als het niet misbruikt wordt, zoals bij die van Jerobeam, Hosea 7:5, en die van Herodes, Markus 6:21, dan is dit gebruik onschuldig genoeg, en wij kunnen allen met nut voor onze ziel onze jaardagen gedenken, met dankbaarheid voor de genade van onze geboorte, met droefheid over het zondige er van, en met de verwachting, dat de dag van onze dood beter is dan de dag van onze geboorte. Op Farao's geboortedag heeft hij het hoofd van deze twee gevangenen verheven, dat is: hen gerechtelijk verhoord, (toen Naboth verhoord werd, werd hij op de hoogste plaats des volks gesteld, 1 Koningen 21:9), en hij deed de overste der schenkers wederkeren tot zijn schenkambt, maar de overste der bakkers hing hij op. Indien de overste der schenkers onschuldig en de overste der bakkers schuldig was, dan moeten wij de rechtvaardigheid erkennen van Gods voorzienigheid door de onschuld van de onschuldige aan het licht te brengen, en de zonde van de schuldige te doen ontdekken. Indien beide even onschuldig of even schuldig waren, dan is dit een voorbeeld van de willekeurigheid van zulke machtige vorsten, die zich verhovaardigen op de macht, welke Nebukadnezar zich toe-eigende, "(wie hij wilde, doodde hij, en wie hij wilde, behield hij in het leven," Daniël 5:19), vergetende, dat er Een is, hoger dan zij, aan wie zij rekenschap verschuldigd zijn.
2. Hoe Jozef teleurgesteld werd in zijn verwachting van de overste der schenkers, hij gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem, vers 23.
a. Zie hier een voorbeeld van lage ondankbaarheid, Jozef had zich verdienstelijk jegens hem gemaakt, had hem gediend, medegevoel met hem betoond, hem geholpen aan een gunstige uitlegging van zijn droom, had zich aan hem in alle opzichten als een buitengewoon persoon doen kennen, en toch vergat hij hem. Wij moeten het niet vreemd achten, indien ons in deze wereld voor onze liefde haat wordt betoond, en voor onze vriendelijke belangstelling onachtzaamheid en onverschilligheid.
b. Zie hoe licht zij, die zelf gerust en gelukkig zijn anderen, die in moeite en benauwdheid verkeren, vergeten. Het is wellicht in toespeling op deze geschiedenis, dat de profeet spreekt van hen, die wijn uit schalen drinken, maar zich niet bekommeren over de verbreking Jozefs, Amos 6:6. Laat ons hieruit leren af te laten van de mens. Misschien heeft Jozef al te veel gerekend op zijn invloed op de schenker, zich te veel van hem voorgesteld, en door deze teleurstelling heeft hij geleerd alleen op God te vertrouwen. Nooit kunnen wij te weinig verwachten van de mens, en nooit te veel van God.
Sommigen wijzen op de overeenkomst tussen Jozef en Christus in deze geschiedenis. Jozefs medelijders waren als de twee moordenaars, die met Christus gekruisigd werden, de een werd behouden, de ander veroordeeld en was verloren. (Het is Dr. Lightfoot's opmerking ontleend aan Ds. Broughton.) Een van deze tot wie Jozef zei: "Gedenk mijner, wanneer het u wel gaan zal," vergat hem, maar een van de anderen, die tot Christus zei: "Gedenk mijner, als Gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn," werd niet vergeten. Terecht laken wij de ondankbaarheid van de schenker jegens Jozef, en toch gedragen wij ons nog veel trouwelozer tegenover de Heere Jezus. Jozef had de loslating van de overste der schenkers slechts voorzegd, maar Christus heeft onze verlossing gewerkt, is bij de Koning der koningen als Middelaar voor ons opgetreden, en toch vergeten wij Hem, hoewel wij dikwijls aan Hem herinnerd worden, en beloofd hebben Hem nooit te zullen vergeten, zó slecht vergelden wij Hem, als een dwaas en onwijs volk, dat wij zijn.