2 Timotheus 4:16-22
I. Paulus geeft hier Timotheus een verslag van zijn tegenwoordige omstandigheden.
1. Hij was kort geleden geroepen om te verschijnen voor den keizer, naar aanleiding van zijn beroep op den keizer, en toen was er niemand bij hem geweest, vers 16, om zijn zaak te bepleiten, om getuigenis voor hem af te leggen, of om hem enigszins te steunen, maar zij hadden hem allen verlaten. Het was vreemd dat zulk een goed man als Paulus was, niemand had die hem erkende, zelfs te Rome, waar zoveel Christenen waren, over wier geloof door de gehele wereld gesproken werd, Romeinen 1:8. Maar mensen zijn slechts mensen. De Christenen te Rome waren uitgegaan om hem te ontmoeten, Handelingen 28, maar toen het er op aankwam, en zij gevaar zouden lopen van met hem te lijden, hadden zij hem allen verlaten. Hij bidt dat God het hun niet moge toerekenen, en toont daardoor dat het een grote fout was, waardoor God rechtvaardig vertoornd zou zijn, maar hij bidt God het hun te vergeven. Ziehier welk onderscheid gemaakt wordt tussen zonden door moedwil en zonden uit zwakheid. Alexander de kopersmid weerstond Paulus kwaadaardig, en Paulus bidt tegen hem: De Heere vergelde hem naar zijne werken. Maar ten opzichte van deze Christenen, die door zwakheid in den tijd der verzoeking van Paulus terug beefden, zegt hij: Het worde hun niet toegerekend. Merk op:
A. Paulus had zijn beproevingen zowel door zijn vrienden, die hem in tijden van gevaar verlieten, als door zijn vijanden, die hem tegenstonden.
B. Het was hun zonde, dat zij niet voor den apostel opkwamen, vooral bij zijn eerste verantwoording, maar het was een zonde uit zwakheid, en daarom vergeeflijk.
C. God kon het hun toerekenen, maar Paulus tracht dat te voorkomen door zijn ernstig gebed: Het worde hun niet toegerekend.
2. Maar de Heere heeft mij bijgestaan, vers 17. Hij gaf mij buitengewone wijsheid en moed, en bekwaamde mij om des te beter zelf te spreken. Toen niemand hem bijstond, deed God Zijn aangezicht over hem lichten. Opdat men door mij ten volle verzekerd zou zijn van de prediking, dat is: God bracht mij uit de moeilijkheid, zodat ik het Evangelie mag verkondigen, zoals mijn werk is. Het schijnt dat het hem toen vergund werd het Evangelie te verkondigen, want Paulus kon prediken zowel voor den rechterstoel als van den kansel. En dat alle heidenen het zouden horen. De keizer zelf en al de aanzienlijken zouden Paulus nooit hebben horen prediken, indien hij niet voor hem gebracht was. En ik ben uit den muil des leeuws verlost, dat is van Nero, gelijk sommigen menen, of van enigen anderen rechter. Sommigen zien er alleen een overdrachtelijke wijze van spreken in om aan te tonen dat hij in zeer dringend gevaar geweest was.
En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk. Zie hoe Paulus zijne ondervindingen toepast. Hij, die mij verlost heeft, zal mij verlossen, en wij vertrouwen dat Hij ons verder verlossen zal. Van alle boos werk, van alle kwaad mij door anderen aangedaan. En zal mij bewaren tot Zijn hemels koninkrijk. En daarom geeft hij God de eer, zich verheugende in hope in de heerlijkheid Gods. Merk op: A. Indien de Heere ons bijstaat, zal Hij ons in tijden van moeite en gevaar versterken, en Zijn tegenwoordigheid zal meer uitwerken dan de afwezigheid van alle anderen.
B. Wanneer de Heere Zijn dienstknechten in grote en dringende gevaren bewaart, is dat voor uitnemend werk en grote diensten. Paulus werd bewaard opdat door hem de prediking ten volle bekend zou worden.
C. Vroegere uitreddingen moedigen de hoop aan voor de toekomst.
D. Er is een hemels koninkrijk, waarvoor de Heere Zijn getrouwe getuigende en lijdende dienstknechten bewaart.
E. Wij moeten God de eer geven voor alle vroegere, tegenwoordige en volgende uitreddingen. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid, Amen!
II. Hij zendt groeten aan Aquila en Priscilla en het huis van Onesiforus, vers 19. Hij zegt: Trofimus heb ik te Milete ziek gelaten, vers 20, waaruit blijkt, dat, ofschoon de apostelen alle soorten van ziekten wonderdadig genazen ter bevestiging van hun leer, zij die macht niet konden uitoefenen aan hun eigen vrienden, opdat het niet den schijn zou hebben van samenspanning.
III. Hij verzoekt Timotheus: Benaarstig u om voor den winter te komen, vers 21, omdat hij verlangde hem te zien, en omdat des winters de reis te gevaarlijk was.
IV. Hij zendt groeten aan Timotheus van Eubulus en Pudens, Linus, Claudia en al de broederen. Een van de heidense schrijvers uit dien tijd vermeldt een zekeren Pudens en zijne vrouw Claudia, en zegt dat Claudia een Britse was, sommigen houden dezen Pudens en deze Claudia voor dezelfden en maken er uit op, dat zij tot de voorname Christenen te Rome behoorden.
V. Hij besluit met een gebed. De Heere Jezus Christus zij met uwen geest. Wij behoeven niets meer om ons gelukkig te maken dan dat de Heere Jezus Christus met onzen geest is, want in Hem zijn alle geestelijke zegeningen begrepen. En het is het beste gebed, dat wij voor onze vrienden kunnen opzenden, dat de Heere Jezus Christus met hun geest zij, om hen te redden en te heiligen en ten laatste tot zich te nemen, gelijk de martelaar Stephanus bad: Heere Jezus, ontvang mijnen geest, Handelingen 7:59. Heere Jezus, ontvang den geest, met welken gij geweest zijt toen hij in dit lichaam woonde, verlaat hem niet in zijn afgescheiden staat. De genade zij met ulieden. Amen! Dit was het werk van den apostel in elke brief, zo schreef hij. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. 2 Thessalonicenzen 3:17, 18. En indien de genade hier met ons is om ons te bekeren en te veranderen, ons heilig te maken, ons nederig te houden, en ons te bekwamen om tot den einde te volharden, zal de kroon der heerlijkheid hiernamaals ons deel worden, want de Heere is een zon en schild, Hij zal genade en ere geven, Hij zal het goede niet onthouden degenen, die in oprechtheid wandelen. Welgelukzalig is de man, die op u vertrouwt, Psalm 84:11, 12. Den Koning der eeuwen, den onsterfelijke, onzienlijken, alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij eer en heerlijkheid van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.