Handelingen 28:17-22
Paulus is met grote onkosten en onder velerlei gevaar als gevangene naar Rome gebracht, en nu hij er is, verschijnt niemand om hem te vervolgen, of hem iets ten laste te leggen, en zo is hij dan genoodzaakt zelf zijne rechtszaak bij de Joden ter sprake te brengen, en hier legt hij haar bloot voor de voornaamsten der Joden te Rome. Niet lang te voren waren al de Joden door een edict van keizer Claudius uit Rome gebannen, en er, tot aan zijn dood, buiten gehouden, maar in de vijf jaren na dit tijdstip, waren vele Joden wegens handelsbelangen teruggekomen, hoewel het niet blijkt, dat het hun vergund was er ene synagoge te hebben, of ene plaats voor de openbare Godsverering. Deze voornaamsten der Joden waren degenen, die het meeste aanzien onder hen genoten, de meest gedistingeerde personen van dien Godsdienst, en die de meeste bezittingen en grootsten invloed hadden. Paulus heeft hen samengeroepen, daar hij wenste recht te staan in hun mening van hem, opdat er ene goede verstandhouding zou wezen tussen hen en hem. En hier wordt ons meegedeeld:
I. Wat hij tot hen zei, en welk bericht hij hun gaf van zijne zaak. Hij spreekt hen eerbiedig aan, noemt hen: mannen broeders, waarmee hij te kennen geeft, dat hij verwacht ook door hen als een man en broeder behandeld te worden, hij verbindt zich hen als zodanig te behandelen, hun niets dan de waarheid te zeggen, want wij zijn elkanders leden, wij zijn allen broeders. Nu:
1. Verklaart hij hun zijne onschuld, en dat hij den Joden gene rechtmatige oorzaak had gegeven, om zo kwaadwillig jegens hem te zijn, als zij over het algemeen waren. "Ik heb niets gedaan tegen het volk der Joden, heb niets gedaan ten nadele van hun Godsdienst, of hun burgerlijke vrijheid, aan hun tegenwoordige ellende gene verdrukking toegevoegd. Zij weten, dat ik dit niet gedaan heb. Ik heb ook niets gedaan tegen de vaderlijke gewoonten, hetzij door iets er van af te schaffen, of door nieuwigheden in te voeren in hun Godsdienst." Het is waar, Paulus heeft de vaderlijke gewoonten niet verplichtend gesteld voor de Heidenen, zij zijn nooit voor hen bestemd geweest, maar even waar is het, dat hij ze nooit is tegengegaan bij de Joden, integendeel, als hij zich onder hen bevond, heeft hij er zich naar gedragen. Hij heeft hen nooit verweten dat zij de gebruiken en gewoonten van hun Godsdienst onderhielden, hij verweet hun slechts hun vijandschap tegen de Heidenen, Galaten 2:12. Paulus had het getuigenis van zijn geweten, dat hij jegens de Joden zijn plicht gedaan heeft.
2. Met bescheidenheid klaagt hij over de harde behandeling, die hij ondervonden heeft, dat hij, hoewel hij hun niets misdaan had, gebonden uit Jeruzalem overgeleverd is in de handen der Romeinen. Als hij de gehele waarheid in die zaak gezegd had, dan zou het er erger dan nu voor de Joden hebben uitgezien, want zij zouden hem, zonder enigen schijn van wet of recht, ter dood hebben gebracht, indien de Romeinen hem niet hadden beschermd. Maar dat zij hem bij den stadhouder Felix beschuldigd hadden van een misdadiger te zijn, en recht tegen hem geëist hadden, dat was in werkelijkheid hem gebonden in de handen der Romeinen overgeleverd te hebben, toen hij niets anders verlangde, dan om billijk en onpartijdig volgens hun eigene wet geoordeeld te worden.
3. Hij deelt hun het oordeel der Romeinse stadhouders over hem mede, vers 18. Zij hebben hem onderzocht, een onderzoek ingesteld naar zijne zaak, en naar hetgeen hij ter zijner verdediging aanvoerde. De overste heeft hem onderzocht, evenzo ook Felix, en Festus, en Agrippa, en zij konden gene schuld des doods in hem vinden. Zij hebben niets anders in hem ontdekt, dan dat hij een eerlijk, rustig, nauwgezet, goed man was, en daarom wilden zij de Joden niet ter wille zijn door een doodvonnis over hem uit te spreken. Integendeel, zij wilden hem loslaten, wilden hem ook laten voortgaan met zijn arbeid, en dien niet hebben willen belemmeren, want zij allen hadden hem gehoord, en zij waren zelfs tamelijk ingenomen met zijne leer. Het was tot eer van Paulus, dat zij, die hem het striktst onderzocht hebben, hem onschuldig hebben verklaard, en dat niemand hem veroordeelde behalve degenen, die zijne verdediging niet wilden aanhoren, en die tegen hem bevooroordeeld waren.
4. Hij wijst op de noodzakelijkheid, waarin hij geweest was, om zijne zaak naar Rome over te brengen, dat hij dit slechts tot zelfverdediging gedaan had, en niet met het doel om ene tegenbeschuldiging in te brengen tegen de Joden, vers 19. Toen de Joden zulks tegenspraken, protest hebben aangetekend tegen zijne loslating, waarmee zij bedoelden, om, zo zij geen doodvonnis tegen hem konden verkrijgen, hem levenslang gevangen te laten blijven, was hij genoodzaakt zich op den keizer te beroepen, daar hij bevond, dat de stadhouders, de een na den ander, zo bevreesd waren voor de Joden, dat zij hem niet wilden vrij laten, uit vrees van hen tot hun vijanden te maken. Dit noodzaakte hem de hulp van hogere machten in te roepen. Dat was alles, wat hij met zijn beroep op het oog had, niet zijn volk te beschuldigen, alleen zich zelven te verdedigen. Iedereen heeft het recht zich zelven te verdedigen, zonder daarom zijne naasten te beschuldigen. Het is iets hatelijks te beschuldigen, inzonderheid ene natie te beschuldigen, en zulk ene natie. Paulus heeft wel voor hen gebeden, maar nooit tegen hen. De Romeinse regering had toen ene slechte mening van de Joden opgevat, daar zij hen voor een muitziek, onstuimig, ontevreden en gevaarlijk volk hielden, en aan zulk een welbespraakt man als Paulus was, zou het gemakkelijk zijn gevallen, om als Romeins burger, die in de hoogste mate beledigd en benadeeld was, den keizer tegen het Joodse volk te verbitteren, maar Paulus zou dit voor niets ter wereld hebben willen doen, hij wilde van ieder het beste geloven en doen uitkomen, en het slechte niet erger voorstellen dan het was.
5. Hij stelt zijn lijden in het ware licht, en geeft er hun zulke redenen van op, als waardoor zij zich gedrongen moeten gevoelen, niet slechts om zich niet bij zijne vervolgers te voegen, maar zich met belangstelling zijner aan te trekken, te doen wat zij kunnen ten zijnen behoeve, zo zij enigen invloed hebben om hem zijne vrijheid te bezorgen, vers 20.
"Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, niet om met u te twisten, want het is mijne bedoeling niet de regering tegen u op te zetten, maar om u te zien, en u aan te spreken als mijne landslieden, mannen, met wie ik gemeenschap wens te onderhouden, want vanwege de hope Israël's ben ik met deze keten omvangen." Hij droeg het teken zijner gevangenschap bij zich, en was waarschijnlijk met ene keten aan den krijgsman, die hem bewaakte, verbonden. En het was:
a. Omdat hij predikte, dat de Messias was gekomen, die de Hope Israël's is, Hij, op wie Israël hoopte. "Komen de Joden niet allen hierin overeen, dat de Messias de Heerlijkheid zal zijn van Zijn volk Israël? Daarom moet er op Hem gehoopt worden, en dezen Messias predik ik, en ik toon aan en bewijs, dat Hij gekomen is. Zij willen ene hoop koesteren op een Messias, die nog komen moet, welke hoop eindigen moet in een wanhopen aan Hem. Ik predik zulk ene hoop in een Messias, die reeds gekomen is, dat zij blijdschap in Hem moet veroorzaken."
b. Omdat hij predikte, dat er ene opstanding der doden zijn zal, ook dat was de hope Israël's, zo heeft hij haar genoemd, Hoofdstuk 23:6, 24:15, 26:6, 7. "Zij willen u een Messias doen verwachten, die u bevrijdt van het Romeinse juk, u groot en voorspoedig maakt op de aarde, dat is het, waarvan hun gedachten vervuld zijn, en zij zijn vertoornd op mij, omdat ik hun verwachtingen leiden wil naar de grote dingen van ene andere wereld, hen tracht te bewegen den Messias aan te nemen, die hun deze dingen verzekert, maar gene uitwendige macht en grootheid. Ik wens u heen te voeren naar de geestelijke en eeuwige zegeningen, waarop onze vaderen door het geloof gezien hebben, en daarom haten zij mij, omdat ik u af wil leiden van hetgeen de misleiding is van Israël, dat zijne schande en zijn verderf zijn zal, het denkbeeld van een aardsen Messias, en u heen wil leiden naar hetgeen de wezenlijke en ware hope Israël's is, de ware zin en betekenis van alle de beloften, aan de vaderen geschied, een geestelijk koninkrijk van heiligheid en liefde in het hart der mensen, om de voorsmaak en toebereiding te wezen van de blijde opstanding der doden, en het leven in de toekomende wereld."
II. Hun antwoord. Zij erkennen:
1. Dat zij niets bijzonders tegen hem hebben, gene instructies hadden ontvangen om als zijne vervolgers voor den keizer te verschijnen, hetzij per brief, of mondeling, vers 21. "Wij hebben noch brieven u aangaande van Judea ontvangen, hebben gene orders om u te vervolgen, noch iemand van de broeders uit het Joodse volk, die onlangs te Rome gekomen zijn (daar velerlei zaken de Joden daarheen brachten, nu hun land ene provincie, en hun volk onderdanen van het keizerrijk waren geworden) heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken." Het was zeer vreemd, dat de rusteloze en ingekankerde haat der Joden, die Paulus overal vervolgd had, waar hij heenging, hem niet naar Rome gevolgd was, om hem daar veroordeeld te krijgen. En sommigen denken, dat zij hier onwaarheid spraken, en wèl orders hadden om hem te vervolgen, maar het niet durfden bekennen, daar zij zelven onder des keizers ongenoegen lagen, die, hoewel hij hen niet, evenals zijne voorgangers, van Rome verbannen had, hen er toch ook niet ondersteunde of begunstigde. Ik ben echter geneigd te denken, dat het waar was wat zij zeiden, en dat Paulus nu vond, dat hij zijn doel had bereikt, waarom hij zich op den keizer had beroepen, nl. om zijne zaak voor een gerechtshof te brengen, waar zij hem niet durfden volgen. Dit was David's overleg, en het was zijne veiligheid, 1 Samuël 27:1. Mij is niet beter dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze om mij meer te zoeken in de ganse landpale Israël's, zo zal ik ontkomen, vers 4. Toen Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken. Zo is Paulus door zijn beroep op den keizer naar Rome gevlucht, waar hij buiten hun bereik was, en zij zeiden: "Laat hem gaan."
2. Dat zij iets naders wensen te weten van de leer, die hij predikte, en den Godsdienst dien hij zich zo veel moeite gaf, om, in weerwil van allen tegenstand, te verspreiden, vers 22. "Wij begeren wel van u te horen wat gij gevoelt, wat uwe meningen zijn, wat het voor zaken zijn, waar gij zoveel van weet, en waarvoor gij zo ijvert, want ofschoon wij weinig meer van het Christendom weten, weten wij toch dit, dat het ene sekte is, die overal tegengesproken wordt',. Zij, die dit minachtend, boosaardig woord van den Christelijken Godsdienst zeiden, waren Joden, de voornaamste Joden te Rome, die roemden op de wet, Romeinen 2:17, op hun kennis, en dit was nu alles wat zij van den Christelijken Godsdienst wisten, nl. dat het ene sekte was, die overal tegengesproken werd. Zij geven er een ongunstig klinkenden naam aan, en dan kunnen zij hem te niet doen.
a. Zij beschouwden het als ene sekte, en dat was onwaar. Het ware Christendom staat datgene voor, hetwelk voor geheel het mensdom van het uiterste belang is, en is niet gegrond op zulke enghartige begrippen, en bijzondere belangen, als die waaraan sekten gemeenlijk hun' oorsprong ontlenen. Het heeft niet, zoals sekten, wereldlijk voordeel op het oog, al het voordeel en gewin er van is geestelijk en eeuwig. Het heeft daarenboven de strekking om de kinderen der mensen te verenigen, en niet hen te verdelen, of onenig te maken, zo als sekten dat doen.
b. Zij zeiden, dat het overal tegengesproken werd, en dat is maar al te waar. Allen, met wie zij omgingen, spraken er tegen, en daarom kwamen zij tot de gevolgtrekking, dat iedereen het deed, en de meesten deden het ook. Het is altijd het lot geweest van Christus' heiligen Godsdienst, dat hij overal tegengesproken werd.