Genesis 5:1-5
De eerste woorden van het hoofdstuk zijn het opschrift, of het onderwerp van het gehele hoofdstuk. Het is het boek van Adams geslacht, het is de lijst of catalogus van Adams nakomelingen, niet van allen maar alleen van "het heilig zaad, dat er het steunsel van is," Jesaja 6:13, en "waaruit, zoveel het vlees aangaat, Christus gekomen" is, Romeinen 9:5, een opgave van de namen, de ouderdom en het overlijden van hen, die de opvolgers waren van de eerste Adam als de bewaarders van de belofte, en de voorouders van de tweede Adam. De geslachtslijst begint met Adam zelf. Hier is:
I. Zijn schepping, vers 1, 2, waarin wij een korte herhaling hebben van hetgeen tevoren uitvoerig verhaald was betreffende de schepping van de mens. Het is ons nodig daar dikwijls van te horen en er goed mee bekend te worden.
Merk hier op:
1. Dat God de mens schiep. De mens is niet zijn eigen maker, en daarom moet hij ook niet zijn eigen meester zijn, maar de oorsprong, de auteur, van zijn bestaan moet de leider en het middelpunt van zijn bewegingen zijn.
2. Dat er een dag was, toen God de mens schiep, hij is niet van eeuwigheid, maar van gisteren, hij was niet de eerstgeborene, maar de jongste van de schepping.
3. Dat God hem schiep naar Zijn gelijkenis rechtvaardig en heilig, en daarom ongetwijfeld gelukkig, de menselijke natuur geleek op de Goddelijke natuur meer dan die van enig ander schepsel in deze lagere wereld.
4. Dat God hem schiep man en vrouw, vers 2 tot hun wederzijdse aangenaamheid, zowel als voor de instandhouding en vermenigvuldiging van hun soort. Adam en Eva zijn beide onmiddellijk door de hand Gods gemaakt beide naar Zijn beeld en gelijkenis, daarom is er tussen de seksen niet die grote afstand en ongelijkheid, die sommigen zich voorstellen.
5. Dat God hen zegende. Het is de gewoonte van de ouders hun kinderen te zegenen, zo heeft God, de Vader van allen, de Zijnen gezegend, maar aardse ouders kunnen slechts om een zegen bidden, het is Gods kroonrecht de zegen te gebieden. Dit ziet voornamelijk op de zegen van toeneming en vermenigvuldiging, waarbij andere zegeningen echter niet uitgesloten zijn.
6. Dat Hij hun naam noemde Adam, of Mens. Adam betekent aarde, rode aarde.
a. God gaf hem deze naam. Adam zelf had aan de overige schepselen elk een naam gegeven, maar hij moet niet zelf zijn eigen naam kiezen opdat hij zich niet een wijds-klinkende, hoge naam zal geven. Maar God gaf hem een naam die hem ter voortdurende gedachtenis zal zijn van het geringe van zijn oorsprong, en hem zal verplichten te zien op "de rotssteen, waar hij uit gehouwen was, en de holligheid des puts, waar hij uit gegraven was," Jesaja 51:1. Diegenen hebben weinig reden tot hoogmoed, die zo na verwant zijn aan het stof.
b. Hij gaf die naam beide aan de man en aan de vrouw. Van den beginne van een natuur zijnde, en daarna, een geworden door het huwelijk, was het voegzaam, dat zij beide dezelfde naam zouden dragen ten teken van hun eenheid. De vrouw is, evenzeer als de man, uit de aarde aards.
II. De geboorte van zijn zoon Seth, vers 3. Hij werd geboren in het honderd en dertigste jaar van Adams leven, waarschijnlijk kort na de moord op Abel. Veel andere zonen en dochteren werden tevoren aan Adam geboren, behalve Kain en Abel, maar er wordt geen nota van hen genomen, omdat alleen zijn naam eervol vermeld moet worden, in wiens lenden Christus en de kerk waren.
Maar wat hier het opmerkelijkste is betreffende Seth, is dat Adam hem gewon naar zijn gelijkenis, zijn evenbeeld. Adam was gemaakt naar het beeld Gods, maar toen hij gevallen en verdorven was, gewon hij een zoon naar zijn eigen beeld, zondig en verontreinigd, broos sterfelijk en ellendig, gelijk hij zelf, niet slechts een mens, gelijk hij zelf, bestaande uit lichaam en ziel, maar een zondaar, gelijk hij zelf, schuldig en schadelijk, ontaard en verdorven. Zelfs de man naar Gods hart erkent zich "ontvangen en geboren in zonde," Psalm 51:7. Dit was Adams gelijkenis, de keerzijde van die Goddelijke gelijkenis, waarnaar Adam gemaakt was, maar die zelf verloren hebbende, kon hij haar aan zijn zaad niet mededelen. De genade zit niet in het bloed, maar wel het bederf. Een zondaar brengt een zondaar voort, maar een heilige brengt geen heilige voort.
III. Zijn leeftijd en dood. Hij leefde negen honderd en dertig jaren, en toen stierf hij naar het vonnis, dat over hem was uitgesproken: Tot stof zult gij wederkeren. Hoewel hij niet stierf op de dag toen hij de verboden vrucht had gegeten, is hij toch op die dag sterfelijk geworden, hij is toen begonnen te sterven. Zijn leven daarna was slechts een uitstel, het was een verbeurd, veroordeeld leven, ja het was een kwijnend, stervend leven. Hij was niet slechts als een veroordeelde misdadiger, maar als een, die reeds gekruisigd was, die langzaam en trapsgewijze sterft.