Mattheus 19:3-12
Hier hebben wij de wet van Christus nopens de echtscheiding. Evenals dit met sommige andere uitingen van Zijn wil het geval was, is een twistgesprek met de Farizeeën er de aan leiding toe geweest. Zo geduldig heeft Hij het tegenspreken der zondaren verdragen, dat Hij het als lering voor Zijn eigen discipelen gebruikte. Wij hebben te letten op:
I. Het geval, dat door de Farizeeën werd voorgesteld, vers 3. Is het een mens geoorloofd zijne vrouw te verlaten?" Dit vroegen zij, Hem verzoekende, niet met de begeerte om door Hem onderwezen te worden. Enigen tijd tevoren had Hij in Galilea over deze zaak gesproken, en zich tegen de heersende gewoonte, die er in gevolgd werd, verklaard, Hoofdstuk 5:31, 32, en indien Hij zich thans evenzo tegen de echtscheiding zal verklaren, dan zullen zij dit gebruiken als een middel om het volk tegen Hem op te zetten, daar zij voorzeker met geen vriendelijk oog den persoon zullen aanzien, die hen in de hun zo dierbare vrijheid hieromtrent zou willen verkorten. Zij hoopten dat Hij door deze, evenals door Zijn andere leerstellingen, de gunst en genegenheid des volks zou kwijtraken. Of wel: men zou de verzoeking aldus kunnen aanduiden: Indien Hij zou zeggen, dat echtscheiding niet geoorloofd is, dan zouden zij Hem smaden als een vijand van de wet van Mozes, die haar toeliet, maar indien Hij zou zeggen, dat zij wèl geoorloofd is, dan zouden zij er op wijzen, dat zijne leer niet zo volkomen zuiver is als men van de leer van den Messias zou verwachten, want, hoewel echtscheiding geduld werd, werd zij toch door mensen van strenge beginselen in een ongunstig licht beschouwd. Sommigen denken dat, hoewel de wet van Mozes echtscheiding toeliet, er toch ten opzichte van de rechtmatige oorzaken, die er voor aangewezen moesten worden, geschil was ontstaan onder de Farizeeën, en dat dezen nu wilden weten wat Christus er van zei. Er kwamen talrijke gevallen voor van moeilijkheden of twisten in het huwelijk, sommige van die gevallen waren zeer ingewikkeld en moeilijk te beslechten, niet vanwege de wet van God, maar vanwege de lusten en dwaasheden der mensen, en dikwijls gebeurt het, dat de mensen in zulk een geval reeds een besluit hebben genomen, voordat zij vragen hoe zij hebben te handelen. Hun vraag is: Of het een mens geoorloofd is zijne vrouw te verlaten om allerlei oorzaak. Dat dit geschieden mocht om ene oorzaak, namelijk hoererij, stemde men toe, maar mag het, gelijk nu algemeen geschiedt door mensen van losse levenswijze, om allerlei oorzaak, om elke oorzaak, die het een man belieft op te geven, al is zij ook nog zo onbeduidend of beuzelachtig: omdat de vrouw den man mishaagt, of omdat hij haar niet meer liefheeft? De vergunning in zulk een geval luidde: Indien zij gene genade zal vinden in zijne ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, Deuteronomium 24:1. Hieraan hebben zij zulk een ruime uitlegging gegeven, dat zij elke weerzin, hoe ongegrond ook, als een wettige oorzaak van echtscheiding beschouwden.
II. Christus' antwoord op deze vraag. Daar dit ene gewetenszaak gold, en wel een zeer gewichtige, gaf Hij, hoewel zij Hem gedaan was om Hem te verzoeken, er toch een volledig antwoord op, geen direct, maar toch een zeer afdoend antwoord, daar Hij hun beginselen voorhield, die ontwijfelbaar bewijzen, dat zulke willekeurige echtscheidingen als toen in zwang waren, en waardoor het huwelijk op zo losse schroeven stond, geenszins geoorloofd waren. Christus zelf wilde den regel niet geven zonder ene reden er voor aan te duiden en Zijn oordeel niet zeggen zonder een Schriftuurlijk bewijs er voor. Nu is Zijne redenering aldus: Indien man en vrouw door den wil en de bestemming van God met den sterksten en innigsten band saamverbonden zijn, dan moeten zij niet licht en gemakkelijk en om allerlei oorzaak gescheiden worden. Indien de band heilig is, kan hij niet gemakkelijk losgemaakt worden. Om nu te bewijzen, dat er zulk een band tussen man en vrouw bestaat, worden drie dingen door Hem aangevoerd.
1. De schepping van Adam en Eva, ten opzichte waarvan Hij zich beroept op hun eigen kennis der Schrift. Gij hebt gelezen (maar er niet over nagedacht) dat Hij, die van den beginne de mensen gemaakt heeft, ze gemaakt heeft man en vrouw, Genesis 1:27, 5:2. Het zal ons zeer nuttig wezen dikwijls te denken aan onze schepping, hoe en door wie, en waartoe, wij geschapen werden. Hij heeft ze gemaakt, man en vrouw, ene vrouw voor een man, zodat Adam van zijne vrouw niet kon scheiden en een andere huwen, want er was geen andere. Evenzo wees dit op een onscheidbare eenheid tussen hen, Eva was een rib uit Adams zijde, zodat hij haar niet weg kon doen, of hij moest een gedeelte van zich zelven wegdoen en in tegenspraak zijn met de duidelijke aanwijzing harer schepping. Christus duidt dit kortelijk aan, maar door zich te beroepen op hetgeen zij hadden gelezen, verwijst Hij hen naar het oorspronkelijk verhaal, waarin het opmerkelijk is, dat hoewel ook de overige levende wezens in mannelijk en vrouwelijk geslacht geschapen zijn, dit toch niet van hen, maar alleen van den mens vermeld wordt, omdat de samenvoeging van man en vrouw redelijk is, en bestemd tot edeler doeleinden dan het behagen der zinnen of de voortteling van het geslacht, en daarom vaster en inniger is dan die tussen de dieren, die niet instaat waren om voor elkaar zulk ene hulpe te zijn als Adam en Eva dit voor elkaar waren. Vandaar het ietwat vreemde in de uitdrukking, Genesis 1:27 :Naar het beeld Gods schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze, hem en ze worden bij afwisseling gebruikt, een zijnde door de schepping voordat zij twee waren, werden zij weer een door het huwelijksverbond, die eenheid kon niet anders dan vast en onoplosbaar zijn.
2. De fundamentele wet van het huwelijk, welke is, dat een mens vader en moeder zal verlaten en zijne vrouw aanhangen, vers 5. De betrekking tussen man en vrouw is inniger dan die tussen ouders en kinderen, indien nu aan de kinderlijke verhouding niet licht geweld moet aangedaan worden, dan mag nog veel minder de huwelijksband worden verbroken. Mag een kind zijne ouders, of een ouder zijne kinderen verlaten om allerlei oorzaak, welke ook? Geenszins. Veel minder nog mag een man zijne vrouw verlaten. Wel niet door de natuur, maar door de beschikking Gods is de betrekking tussen hen inniger en de band, die hen verenigt, sterker dan tussen ouders en kinderen, want die wordt in grote mate krachteloos gemaakt door het huwelijk, wanneer een man zijne ouders moet verlaten, om zijne vrouw aan te kleven. Zie hier de kracht ener Goddelijke instelling, daar er ene eenheid, ene verbintenis uit voortvloeit, sterker dan de hoogste verplichtingen der natuur.
3. De aard van ene huwelijksovereenkomst, zij is ene vereniging tussen twee personen: Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees, vers 6. Eens mensen kinderen zijn een deel van hem zelven, maar zijne vrouw is hij zelf, zij is een met hem. Gelijk de huwelijksvereniging inniger is dan de vereniging tussen ouders en kinderen, zo is zij in zekeren zin ook gelijk aan die tussen het ene lid en het andere in het natuurlijke lichaam. Evenals dit ene reden is, waarom mannen hun eigen vrouwen lief moeten hebben, zo is het ook ene reden, waarom zij van hun vrouw niet mogen scheiden, want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, of het afgesneden, maar hij voedt het en onderhoudt het. Die twee zullen een zijn, daarom moet er slechts ene vrouw zijn, want God heeft voor een Adam slechts ene Eva gemaakt, Maleachi 2:15. Hieruit leidt Hij af: Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. Man en vrouw zijn samengevoegd door God, sunezeuxen. God heeft hen onder een juk samen verbonden, zoals er eigenlijk staat, en het woord is van veel betekenis. God zelf heeft reeds in den staat der onschuld de betrekking ingesteld tussen man en vrouw. Het huwelijk en de sabbat zijn de oudste der goddelijke inzettingen. Hoewel het huwelijk niet bijzonder eigen is aan de kerk, maar ook aan de wereld in het algemeen behoort, behoort het toch, daar het het kenmerk draagt ener Goddelijke instelling en hier door onzen Heere Jezus bevestigd is, op Gode waardige wijze ingericht en door het woord Gods en gebed te worden geheiligd. Als men in deze inzetting nauwgezet het oog op God gericht houdt, dan zal dit een goeden invloed oefenen op de plichtsbetrachting, en bijgevolg op het lieflijke en troostrijke in deze betrekking en verbintenis. Laat iemand, laat geen mens, hen scheiden, ook de man zelf niet, ook niet iemand, die het voor hem of in zijn naam doet, ook niet de magistraat, God heeft er hem het gezag niet toe verleend. De God Israël's heeft gezegd, dat Hij het verlaten haat, Maleachi 2:16. Het is een algemene regel, dat de mens niet moet pogen te scheiden wat God samengevoegd heeft.
III. Een bezwaar der Farizeeën hiertegen, ene tegenwerping, die niet zonder enigen schijn van grond is, vers 7. Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten, in geval een man van zijne vrouw wil scheiden? Hij voerde een schriftuurlijke reden aan tegen de echtscheiding, zij voeren het gezag de Schrift aan er voor. De schijnstrijdigheden in het woord van God zijn grote struikelblokken voor mensen van een verdorven gemoed. Het is waar: Mozes is getrouw geweest degenen, die hem gesteld heeft, en hij heeft niets geboden dan hetgeen hij van den Heere ontvangen had, maar wat betreft de zaak zelf: wat zij een gebod noemden, was slechts ene toelating, Deuteronomium 24:1. en eerder bedoeld als ene beteugeling van de buitensporigheid er van, dan om de zaak zelf te steunen of in bescherming te nemen. De Joodse leraren zelven stellen zulke beperkingen in deze wet, dat men er niet dan na rijp beraad toe kon overgaan. Er moet een bijzondere reden worden opgegeven, de scheidbrief moet geschreven worden, en als een gerechtelijke acte bekrachtigd, verzegeld en geregistreerd worden. Die scheidbrief moet aan de vrouw zelf in handen worden gegeven, en hun werd uitdrukkelijk verboden om ooit weer samen te komen, hetgeen voor de mannen, zo zij tot enig nadenken instaat waren, een reden was om de zaak eerst rijpelijk te overwegen.
IV. Christus' antwoord op deze tegenwerping, waarin Hij:
1. Hun vergissing ten opzichte van de wet van Mozes herstelt. Zij noemen het een gebod, Christus noemt het ene toelating, ene dulding. Vleselijk-gezinde mensen nemen, als hun een vinger wordt aangeboden, de gehele hand. De wet van Mozes was voor dit geval een staatkundige wet, die God gaf als Heerser over en Bestuurder van dat volk, en het was om redenen van staat, dat echtscheidingen werden toegelaten. Daar de striktheid van de huwelijksvereniging het gevolg was, niet van een natuurlijke, doch van een stellige wet, kon de wijsheid Gods in sommige gevallen de echtscheiding dulden, zonder dat dit tekort deed aan Zijne heiligheid. Maar Christus zegt hun, dat er ene reden was voor deze toelating, die hun niet tot eer strekte. Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te verlaten. Mozes heeft in zijn tijd geklaagd over de hardnekkigheid van het volk van Israël, Deuteronomium 9:6, 31:27, zij hadden zich verhard tegen God. Hier in dit geval wordt bedoeld, dat zij zich verhard hadden tegen hun betrekkingen. Over het algemeen waren zij heftig en geweldig, zowel in hun lusten als in hun hartstochten. Indien hun dus niet toegelaten was van hun vrouw te scheiden, als zij een weerzin tegen haar hadden opgevat, dan zouden zij haar mishandeld hebben, haar beledigd en geslagen, ja wellicht vermoord hebben. Er is geen groter blijk van hardheid van hart in de wereld, dan hardheid en strengheid van een man tegenover zijn eigen vrouw. Het schijnt dat de Joden hierom berucht waren, en daarom was het hun toegelaten van hun vrouwen te scheiden. Het is beter van haar te scheiden dan haar ergers aan te doen, beter te scheiden, dan dat het altaar des Heeren bedekt wordt met tranen, Maleachi 2:13. Een weinigje toegeven aan een waanzinnige kan groter kwaad voorkomen. Om de wet der natuur te bewaren kunnen ingestelde wetten wel eens opgeheven worden, want God wil barmhartigheid en niet offerande, maar het zijn wel zeer hardhartige ellendelingen, die dit noodzakelijk maakten, en niemand kan wensen vrijheid te hebben tot echtscheiding, zonder hiermede feitelijk zelf zijne hardheid van hart te erkennen. Let er op, dat Hij zegt: vanwege de hardigheid uwer harten, niet slechts van de hardigheid der harten van hen, die toen geleefd hebben, maar van al hun nakomelingen. God ziet niet slechts, Hij voorziet ook de hardheid van het hart der mensen. Let er voorts ook nog op, dat de wet van Mozes rekening hield met de hardigheid van der mensen hart, maar dat het Evangelie van Christus haar geneest, dat Zijne genade het stenen hart wegneemt en een vlezen hart geeft. Door de wet was de kennis der zonde, door het Evangelie was de overwinning over de zonde.
2. Hij leidt hen terug naar de oorspronkelijke instelling, Maar van den beginne is het alzo niet geweest. Bederf, dat in enigerlei inzetting van God is ingeslopen, moet uitgezuiverd worden door tot de oorspronkelijke instelling terug te keren. Indien de kopie onzuiver is, dan moet zij onderzocht en naar het oorspronkelijke verbeterd worden. Zo heeft Paulus, toen hij de misbruiken in de gemeente te Corinthe ten opzichte van het Avondmaal des Heeren wilde wegnemen, zich beroepen op de instelling er van, 1 Corinthiërs 11:23. Zo en zo heb ik van den Heere ontvangen. De waarheid was van den beginne, daarom moeten wij vragen naar de oude paden, Jeremia 6:16, en hervormen niet naar latere voorbeelden, maar naar oude regelen.
3. Hij beslist de zaak door een uitdrukkelijke wet: Ik zeg u, vers 9, en die komt overeen met hetgeen Hij tevoren gezegd had, Hoofdstuk 5:32. Dáár werd het door Hem gezegd in Zijne prediking, hier in een twistgesprek, maar het is hetzelfde, want Christus blijft zich gelijk. In deze beide plaatsen nu: Laat Hij echtscheiding toe in geval van overspel, want de reden tegen de echtscheiding is: Die twee zullen een vlees zijn. Indien de vrouw zich nu overgeeft aan hoererij, en zich tot een vlees maakt met een overspeler, dan houdt de reden der wet op, en dus ook de wet zelf. Door de wet van Mozes werd overspel met den dood gestraft, Deuteronomium 22:22. De Zaligmaker verzacht de strengheid hiervan, en beslist dat overspel gestraft moet worden met echtscheiding. Men verstaat dit niet van overspel, maar (omdat de Heiland het woord porneia - hoererij, gebruikt) van onreinheid, begaan voor het huwelijk, doch daarna ontdekt, want, indien die zonde later begaan werd, dan zou het ene halsmisdaad zijn, en echtscheiding dus onnodig wezen. Voor alle andere gevallen keurt Hij haar af, Zo wie zijne vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel. Dit is een direct antwoord op hun vraag, namelijk dat het niet geoorloofd is. Hierin, evenals in andere dingen, zijn Evangelietijden tijden der verbetering, Hebreeën 9:10. De wet van Christus heeft de strekking om den mens in zijn oorspronkelijke rechtheid te herstellen, de wet der liefde, huwelijksliefde, is geen nieuw gebod, maar was er van den beginne. Als wij eens nagaan welk kwaad er gedaan wordt aan families en bezittingen, welk ene verwarring en wanorde er ontstaan zou uit willekeurige echtscheidingen, dan zullen wij zien hoe deze wet van Christus tot ons welzijn en voordeel strekt, en hoe vriendelijk het Christendom ook ons wereldlijk belang gezind is. Daar de wet van Mozes de echtscheiding vanwege de hardigheid van der mensen hart toelaat en de wet van Christus haar verbiedt, volgt hieruit, dat van Christenen, die onder de bedeling der liefde en der vrijheid leven, met recht verwacht kan worden, dat zij teder van hart zijn, en niet hard van hart gelijk de Joden, want God heeft ons tot vrede geroepen. Er zal gene aanleiding zijn voor, geen verlangen zijn naar, echtscheiding, als zij elkaar vergeven, en elkaar verdragen in liefde, gelijk zij hopen vergeving te hebben ontvangen van God, en Hem niet genegen hebben bevonden hen te verlaten, Jesaja 50:1. Er is gene behoefte aan echtscheiding, indien de mannen hun eigen vrouwen liefhebben, en de vrouwen haar eigen mannen onderdanig zijn, en zij tezamen leven als erfgenamen van de genade des levens, en dit zijn de wetten van Christus, zoals wij ze niet in al de wetten van Mozes vinden.
V. Een bezwaar, geopperd door de discipelen, tegen deze wet van Christus, vers 10.
Indien de zaak des mensen met de vrouw alzo staat, zo is het niet oorbaar te trouwen. Het schijnt, dat de discipelen zelven niet gaarne afstand deden van de vrijheid tot echtscheiding, daar zij het een goed en geschikt middel achtten om rust en genoegen te hebben in het huwelijk, en daarom, evenals knorrige kinderen, zo zij niet kunnen hebben wat zij willen, ook maar wegwerpen wat zij hebben. Als het hun niet geoorloofd is hun vrouw te verlaten, als hun dit behaagt, dan willen zij maar in het geheel gene vrouw hebben, hoewel God van den beginne, toen geen echtscheiding toegestaan was, gezegd heeft: Het is niet goed, dat de mens alleen zij, en hen zegende. Hij verklaarde hen gezegend, gelukkig, die aldus nauw aan elkaar waren verbonden, en toch, tenzij hun de vrijheid gegeven worde van hun vrouwen te scheiden, achten zij dat het goed is voor den mens om niet te trouwen. De verdorven natuur kan geen bedwang dragen, zij wil Christus' banden verbreken, en vrijheid hebben om hare lusten te bevredigen. Het getuigt van dwaasheid en gemelijkheid, als iemand de genoegens, het lieflijke en aangename van dit leven verzaakt, om het kruis, dat er aan verbonden is, de wederwaardigheden, die er gewoonlijk mede gepaard gaan, alsof wij uit de wereld moeten gaan, omdat wij er niet alles naar onzen zin in kunnen hebben, of ons in geen nuttigen staat of stand moeten begeven, omdat het ons dan tot plicht gesteld wordt er in te volharden. Neen, hoedanig onze staat of toestand ook zij, wij moeten er met ons hart in zijn, dankbaar wezen voor het lieflijke en aangename dat er in is, en ons onderwerpen aan het kruis, dat er ook aan verbonden is, en, gelijk God gedaan heeft, het ene tegenover het andere stellen. Indien het juk des huwelijks niet naar welgevallen afgeworpen mag worden, dan volgt hier niet uit, dat wij het daarom ook maar niet op ons moeten nemen, maar wel, dat wij daarom, als wij er onder komen, het besluit moeten nemen, om er ons naar te gedragen door liefde en zachtmoedigheid en geduld, waardoor echtscheiding tot de onnodigste en onbegerenswaardigste zaak der wereld gemaakt wordt.
VI. Christus' antwoord op hun bedenking, vers 11 en 12, waarin Hij:
1. Erkent dat het voor sommigen goed is niet te huwen: Allen vatten dit woord niet, maar dien het gegeven is. Christus stemt toe hetgeen de discipelen gezegd hadden: Het is niet oorbaar te trouwen, niet als een bezwaar tegen het verbod der echtscheiding, zoals zij het bedoeld hadden, maar om hun den regel te geven (die hun wellicht niet minder onaangenaam was) dat zij, die de gave der onthouding hebben, en niet in de noodzakelijkheid verkeren om te huwen, het best doen, ongehuwd te blijven, 1 Corinthiërs 7:1, want die ongehuwd zijn hebben de gelegenheid, zo zij er ook den wil, de genegenheid, voor hebben, om zich te bekommeren met de dingen des Heeren, hoe zij den Heere zullen behagen, 1 Corinthiërs 7:32-34, daar zij minder bezwaard zijn met de zorgen van dit leven, en meer vrijheid en tijd hebben om te denken, en zich te wijden, aan betere dingen. Toeneming van genade is beter dan toeneming van het gezin, en gemeenschap met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus is te verkiezen boven alle andere gemeenschap.2. Hij keurt het af, als volstrekt schadelijk, om het huwelijk te verbieden, omdat allen dit niet vatten. Inderdaad zijn het slechts weinigen, die dit kunnen, en daarom moet het kruis, dat ook aan het huwelijk verbonden is, gedragen worden, veeleer dan dat men zich in verzoeking begeeft, ten einde dit kruis te vermijden. Het is beter te trouwen dan te branden. Christus spreekt hier van tweeërlei ongeschiktheid voor het huwelijk.
a. Die welke ene ramp of bezoeking is door de voorzienigheid Gods, zoals het lijden van hen, die gesnedenen zijn, uit moeders lichaam alzo geboren, of, die door de mensen gesneden zijn, en die dus, onbekwaam zijnde om aan een groot doel van het huwelijk te beantwoorden, ongehuwd behoren te blijven. Maar laat hen tegenover die ramp de gelegenheid stellen, die de ongehuwde staat biedt, om des te beter God te kunnen dienen.
b. Die welke ene deugd is door de genade Gods, zoals van hen, die zich zelven gesneden hebben om het koninkrijk der hemelen. Dit is bedoeld van ene ongeschiktheid om te huwen, niet in het lichaam (hetgeen sommigen door een verkeerd begrijpen van de Schrift dwaselijk en goddelooslijk over zich zelven gebracht hebben) maar in den geest, in het gemoed. Aldus hebben diegenen zich tot gesnedenen gemaakt, die tot een heilige onverschilligheid zijn gekomen voor alle genietingen van het huwelijk, vast besloten zijn om, in de kracht van Gods genade, er zich geheel en al van te onthouden, en door vasten en andere middelen tot doding van het vlees, al hun begeerten er naar onderdrukt hebben. Dat zijn degenen, die dit woord vatten kunnen, en toch behoren ook dezen zich niet te binden door ene gelofte van nooit te zullen huwen, slechts zolang zij in deze geestesgezindheid zijn, stellen zij zich voor niet te trouwen. Deze neiging tot den ongehuwden staat moet door God worden gegeven, want allen vatten dit niet, doch alleen zij, aan wie het gegeven wordt. Onthouding is een bijzondere gave Gods aan sommigen, en niet aan anderen, en wanneer iemand in den ongehuwden staat door ervaring bevindt, dat hij deze gave heeft, dan kan hij bij zich zelven besluiten, en-gelijk de apostel zegt in 1 Corinthiërs 7:37- vast staan in zijn hart, daar hij gene noodzaak heeft, en macht heeft over zijn eigen wil, dat hij in den ongehuwden staat zal blijven. Maar in dit geval moet men wèl toezien, dat men niet over een valse gift zich zelven roemt, Prediker 25:14. De ongehuwde staat moet gekozen worden om den wille van het koninkrijk der hemelen. In hen, die besluiten nooit te huwen, alleen maar om zich geen last op te leggen, of om zich aan hun gemelijke, zelfzuchtige luimen te kunnen toegeven, of om meer vrijheid te hebben voor andere lusten of vermaken, is dit gene deugd, maar een kwaadaardige ondeugd. Doch als de ongehuwde staat verkozen wordt om den wille van den Godsdienst, niet alsof er op zich zelve enigerlei verdienste in stak (dat het gevoelen is der Pausgezinden) maar als middel om ons hart meer volkomen in onzen arbeid voor den Heere te hebben, en wij, daar wij voor geen gezin hebben te zorgen, ons des te meer aan werken van barmhartigheid kunnen wijden, dan zal Gods goedkeuring er op rusten. Die staat en toestand is het beste voor ons, en moet door ons gekozen, en in volhard worden, die het beste is voor onze ziel, en het meest strekt om ons toe te bereiden voor het koninkrijk der hemelen.