Markus 10:1-12
Onze Heere Jezus was een reizend prediker, Hij bleef niet lang in ene plaats, want het gehele land Kanaän was Zijne parochie of diocese, en daarom wilde Hij er elk deel van bezoeken, en ook aan hen, die in de verst verwijderde hoeken woonden, onderricht geven. Hier zien wij Hem in de landpalen van Judea, aan de overzijde van de Jordaan, oostwaarts, gelijk wij Hem kort tevoren aan de uiterste grenzen westwaarts gevonden hebben, nabij Tyrus en Sidon. Zo was dus Zijne rondreis als van de zon, voor wier licht en warmte niets verborgen is.
I. Wederom kwamen de scharen tot Hem, vers 1. Waar Hij ook was, zij stroomden in menigte naar Hem toe. Zij kwamen wederom tot Hem, zoals toen Hij voorheen aan die plaatsen geweest was, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom. Christus heeft voortdurend gepredikt, het was wat Hij gewoon was te doen, en waar Hij ook kwam, deed Hij wat Hij gewoon was te doen. Bij Mattheus lezen wij: Hij genas hen, hier is het: Hij leerde hen. Zijne genezingen dienden om Zijne leer te bevestigen en aan te bevelen, en Zijne leer diende om Zijne genezingen te verklaren en door voorbeelden op te helderen. Zijne lering was voor de arme zielen genezing. Hij leerde hen wederom. Zelfs zij, die door Christus geleerd worden, hebben het nodig wederom te worden geleerd. Zodanig is de volheid der Christelijke leer, dat er nog meer te leren is, en zo groot is onze vergeetachtigheid, dat wij herinnerd moeten worden aan hetgeen wij weten.
II. Wij zien hoe hier de Farizeeën met Hem twistten, die den voorspoed en voortgang Zijner geestelijke wapenen benijdden, en alles deden wat zij konden om die tegen te gaan en te belemmeren, Hem af te leiden, in verwarring te brengen en het volk tegen Hem in te nemen. Hier is:
1. Ene vraag, die zij opwierpen betreffende de echtscheiding, vers 2 :Of het een man geoorloofd is zijne vrouw te verlaten? Dit zou een goede vraag geweest zijn, indien zij goed gesteld ware geworden met de ootmoedige begeerte den wil Gods in deze zaak te kennen, maar zij stelden haar Hem verzoekende, gelegenheid tegen Hem zoekende, een aanleiding om Hem aan kwaadwilligheid bloot te stellen, welke zijde Hij in deze zaak ook kiezen zou. Evangeliedienaren moeten op hun hoede zijn, opdat zij, onder voorwendsel van geraadpleegd te worden, niet worden verstrikt.
2. Christus antwoordt door ene wedervraag, vers 3, Wat heeft u Mozes geboden? Dit vroeg Hij hun, om Zijn eerbied te betuigen voor de wet van Mozes, en hun te tonen dat Hij niet gekomen is om haar te verbreken, en hen op te wekken tot een algemenen, onpartijdigen eerbied voor de geschriften van Mozes, en om er de delen van met elkaar te vergelijken.
3. Het eerlijk antwoord, dat zij gaven omtrent hetgeen zij vonden in de wet van Mozes, in het bijzonder ten opzichte van de echtscheiding, vers 4. Christus vroeg: Wat heeft u Mozes geboden? Zij erkennen dat Mozes slechts toeliet, of vergunde, dat een man aan zijne vrouw een scheidbrief schreef en haar verliet, Deuteronomium 24:1. "Indien gij dit doen wilt dan moet gij het doen in geschrifte en haar dat geschrift in handen geven, en haar aldus wegdoen om nooit tot haar weer te keren."
4. Christus' antwoord op hun vraag, waarin Hij blijft bij de leer, die Hij tevoren voor zulk een geval gesteld heeft, Mattheus 5:32. Dat zo wie zijne vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel doet. Om dit duidelijk te maken toont Hij: a. Dat de reden, waarom Mozes in zijne wet de echtscheiding heeft toegelaten, van zulk een aard was, dat zij van die vergunning geen gebruik behoorden te maken, want het was slechts van wege de hardigheid hunner harten, vers 5, opdat, wanneer hun niet toegelaten werd van hun vrouw te scheiden, zij haar niet zouden vermoorden, zodat niemand zijne vrouw moet verlaten dan dezulken, die bereid zijn te erkennen dat hun hart zo hard is, dat die vergunning voor hen nodig wordt.
b. Dat het bericht van Mozes in zijn geschiedverhaal van de instelling des huwelijks zulk een reden geeft tegen de echtscheiding, dat die gelijkstaat met een verbod. Zodat, indien het de vraag is: Wat heeft u Mozes geboden? vers 3, het antwoord moet wezen: "Hoewel hij door een tijdelijke voorwaarde aan de Joden de echtscheiding heeft toegelaten, heeft hij haar toch door een eeuwige reden aan al de kinderen van Adam en Eva verboden, en aan dit verbod hebben wij ons te houden." Mozes zegt ons:
A. Dat God de mensen man en vrouw heeft gemaakt, een man en ene vrouw, zodat Adam zijne vrouw niet kon verlaten en een andere nemen, want er was geen andere, hetgeen een wenk, ene aanduiding was aan al zijne zonen, dat zij het ook niet moeten.
B. Toen deze man en vrouw door de instelling Gods in heilig huwelijksverbond waren saamgevoegd, luidde de wet: Een mens zal zijn vader en zijne moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen, vers 7, hetgeen niet slechts het innige dier betrekking aanduidt, maar ook het eeuwigdurende, hij zal zijne vrouw zo aanhangen, dat hij van haar niet gescheiden wordt.
C. Het resultaat dier betrekking is dat, hoewel zij twee zijn, zij toch een zijn, zij zijn een vlees, vers 8. De vereniging tussen hen is de innigste, die bestaat, en, gelijk Dr. Hammond het uitdrukt, het is iets heiligs, dat nooit geschonden mag worden.
D. God zelf heeft hen saamgevoegd, Hij heeft niet alleen als Schepper hen geschikt gemaakt om elkaar tot hulp, steun en lieflijkheid te zijn, maar in Zijne wijsheid en goedheid heeft Hij hen, die aldus saamgevoegd zijn, bestemd om samen te leven in liefde, totdat de dood hen scheidt. Het huwelijk is geen uitvinding of bedenksel van den mens, maar een Goddelijke instelling en daarom moet zij nauwgezet en Godsdienstig onderhouden worden, en dit te meer, omdat het huwelijk een beeld of type is van de mystieke, onafscheidelijke verbintenis tussen Christus en Zijne kerk. Uit dit alles leidt Hij nu af dat, daar God man en vrouw saamgevoegd heeft, de man van zijne vrouw niet moet scheiden. De band, door God zelven gelegd, moet niet lichtvaardig worden ontbonden. Zij, die wegens iedere ergernis van hun vrouw willen scheiden, zouden er wèl aan doen met eens te bedenken, hoe het hun gaan zou indien God eens op gelijke wijze met hen handelde, Jesaja 50:1, Jeremia 3:1.
5. Christus' afzonderlijk gesprek met Zijne discipelen over deze zaak, vers 10-12. Het was een voorrecht voor hen, dat zij gelegenheid hadden om persoonlijk met Christus om te gaan en met Hem te kunnen spreken, niet slechts over de verborgenheden van het Evangelie, maar ook over zedelijke plichten, en tot hun gehele voldoening door Hem onderwezen te worden. Er wordt hier van dit bijzondere onderhoud over deze zaak niets anders meegedeeld dan de wet, die Christus vastgesteld heeft: Dat het overspel is als een man zijne vrouw verlaat en een andere trouwt, het is overspel tegenover de vrouw, die hij verlaat, een onrecht, dat hij haar aandoet, een breken van het verbond, dat hij met haar heeft aangegaan, vers 11. Hij voegt er bij: Indien ene vrouw haren man zal verlaten, dat is: hem zal ontvluchten, of hem zonder zijne toestemming zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel, vers 12, en zij zal zich volstrekt niet kunnen verontschuldigen door te zeggen, dat het met toestemming van haren man geschied is. Wijsheid en genade, heiligheid en liefde, in het hart heersende, zullen de geboden licht maken, die voor het vleselijk hart zo zwaar een juk schijnen te wezen.