Genesis 5:28-32
Hier wordt voor het eerst melding gemaakt van Noach, van wie wij in de volgende hoofdstukken veel zullen lezen. Wij hebben hier:
I. Zijn naam, met de reden van die naam. Noach betekent rust. Zijn ouders gaven hem die naam in de hoop, dat hij een meer dan gewone zegen zou wezen voor zijn geslacht. Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart van onze handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft. Hier is:
1. Zijn klacht over de rampzalige toestand van het menselijk leven. Door het inkomen van de zonde en de overgang op de opeenvolgende geslachten van de vloek wegens de zonde, is die toestand uiterst-ellendig geworden. Geheel ons leven wordt doorgebracht in arbeid en moeite. Daar God het aardrijk vervloekt heeft, kunnen sommigen slechts met de uiterste zorg en moeite een schaars levensonderhoud er uit verkrijgen. Hij spreekt als iemand, die vermoeid is van de arbeid in dit leven, en het betreurt, dat zoveel van ons denken en zoveel kostbare ogenblikken, die tot zoveel hoger doeleinden gebruikt zouden kunnen worden, onvermijdelijk besteed moeten worden om het lichaam te onderhouden.
2. Zijn troostrijke hoop op verlichting door de geboorte van deze zoon. Deze zal ons troosten, hetgeen aanduidt, niet slechts de begeerte en verwachting, die ouders gewoonlijk koesteren van hun kinderen, dat zij, als zij opgroeien, een vertroosting en lieflijkheid voor hen zijn zullen, hen zullen helpen in hun werk-hoewel dit dikwijls geheel anders uitkomt-maar het geeft ook een vooruitzicht te kennen op iets meer, zeer waarschijnlijk bestonden er profetieën omtrent hem, welke hem aanduidden als iemand, die op zeer bijzondere wijze zijn geslacht van dienst zou zijn, hetgeen zij zo opvatten, dat hij het beloofde Zaad was, de Messias die komen zou, en de gelovige verwachting van Zijn komst schenkt ons de beste en zekerste vertroosting zowel met betrekking tot de toorn Gods en Zijn vloek, die wij verdiend hebben, als tot de arbeid en de moeite van deze tegenwoordige tijd, waarover wij dikwijls klagen. Is Christus de onze? Is de hemel onzer? Dit zal ons troosten."
II. Zijn kinderen. Sem, Cham en Jafeth. De oudsten van deze gewon Noach, toen hij vijf honderd jaar was. Jafeth schijnt de oudste geweest te zijn, Hoofdstuk 10:21, maar Sem wordt het eerst genoemd, omdat op hem het verbond overging, zoals blijkt uit Hoofdstuk 9:26, waar God de God van Sem genoemd wordt. Aan hem is waarschijnlijk het geboorterecht gegeven, en het is zeker, dat van hem, beide Christus, het Hoofd, en de kerk, het lichaam, zouden afstammen, daarom wordt hij Sem genoemd, hetgeen een naam betekent, omdat in zijn geslacht de naam Gods altijd blijven zou, totdat Hij uit zijn lenden zou voortkomen, wiens naam boven alle naam is, zodat, door Sem het eerst te stellen, in werkelijkheid Christus het eerst gesteld werd, die in allen de eerste zou zijn. HOOFDSTUK 6.
1 En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, 2 Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. 3 Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. 4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. 5 En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. 6 Toen berouwde het den HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. 7 En de HEERE zeide: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN. 9 Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God. 10 En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. 11 Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel. 12 Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. 13 Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven. 14 Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek. 15 En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte. 16 Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken. 17 Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal den geest geven. 18 Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u. 19 En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn; 20 Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden. 21 En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij. 22 En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.