Genesis 4:1-2
Adam en Eva hadden veel zonen en dochters Hoofdstuk 5:4, maar Kaïn en Abel schijnen de twee oudsten geweest te zijn, en sommigen denken, dat zij tweelingen waren, en, gelijk Ezau en Jakob, heeft God de oudste gehaat en de jongste liefgehad. Hoewel God hen uit het paradijs had verdreven, heeft Hij hen toch niet als kinderloos aangemerkt, maar om te tonen, dat Hij nog andere zegeningen voor hen had weggelegd, bewaarde Hij hun het voorrecht, de weldaad, van die eerste zegen, de vermenigvuldiging. Hoewel zij zondaren waren, ja, hoewel zij de verootmoediging en de smart gevoelden van boetvaardigen, hebben zij zich toch niet als troosteloos aangemerkt, daar zij de belofte hadden van een Zaligmaker, die hun tot steun was.
Wij hebben hier: I. De namen van hun twee zonen. Kaïn betekent bezit, want toen Eva hem gebaard had, zei zij met vreugde en dankbaarheid, en in grote verwachting en hoop: Ik heb een man van de Heere verkregen.
Merk hier op: Kinderen zijn gaven van God, en Hij moet erkend worden in het bouwen van ons gezin, ons geslacht. Het verdubbelt en heiligt ons genot in hen, als wij hen van de hand des Heeren tot ons zien komen, die de werken en de gaven van Zijn hand niet zal laten varen. Hoewel Eva hem gebaard had met de smarten, die de gevolgen waren van de zonde, heeft zij de bewustheid niet verloren van de genade in haar smarten. Zegeningen en vertroostingen, al zijn zij niet zonder bijmengsel van smart, zijn meer dan wij verdienen, en daarom moeten onze dankzeggingen niet verzwolgen worden door onze klachten. Velen koesteren de mening dat Eva in de waan verkeerde, dat deze zoon het beloofde Zaad was, en dat zij daarom aldus juichte in zijn bezit, de zinsnede kan ook inderdaad als volgt gelezen worden: Ik heb een man verkregen, de Heere, God-mens. Indien dit zo is, dan heeft zij zich deerlijk vergist, evenals Samuël, toen hij zei: "Zeker is deze voor de Heere, Zijn gezalfde," 1 Samuël 16:6. Wie kan, als kinderen geboren worden, voorzien wat zij zijn zullen? Hij, van wie gedacht werd, dat hij een man was, de Heere, of tenminste een man van de Heere, en als priester van het gezin, tot Zijn dienst, is een vijand geworden van de Heere. Hoe minder wij van schepselen verwachten, hoe draaglijker de teleurstellingen zullen wezen.
2. Abel betekent ijdelheid. Toen zij dacht in Kaïn het beloofde Zaad verkregen te hebben was zij zó ingenomen met die bezitting, dat een andere zoon slechts ijdelheid voor haar was. Voor hen, die deel hebben aan Christus en voor wie Hij alles in alles is, zijn andere dingen als niets. Het geeft ook te kennen, dat hoe langer wij in deze wereld leven, hoe meer wij er de ijdelheid van zien, wat wij in het eerst zo hoog gewaardeerd hebben als een bezitting, wordt ons later onverschillig, als een nietigheid. Met de naam, die aan deze zoon gegeven werd, wordt het gehele geslacht van de mensen aangeduid, Psalm 39:5. Immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Laten wij er naar streven om zo wel ons zelf als anderen aldus te zien. De jeugd en de jonkheid is ijdelheid.
II. Waar Kaïn en Abel zich mee bezig hielden.
Merk op:
1. Dat zij beide een beroep hadden, een bedrijf uitoefenden. Hoewel zij de vermoedelijke erfgenamen van de wereld waren, van edele geboorte waren en grote bezittingen hadden, zijn zij toch niet in ledigheid grootgebracht. God heeft hun vader, zelfs in de staat van de onschuld, een beroep gegeven, en hij gaf hun er een. Het is de wil van God, dat een ieder van ons iets te doen heeft in deze wereld. Ouders behoren hun kinderen voor het een of ander beroep op te leiden. "Geef hun een Bijbel en een beroep", zei de godvruchtige Ds. Dodd, "en God zij met hen".
2. Hun werk was van verschillende aard, opdat zij, naar de behoefte ertoe zich voordeed, ruilhandel met elkaar konden drijven. De leden van het staatslichaam hebben elkaar nodig, en de wederzijdse liefde wordt ondersteund door onderling verkeer.
3. Hun werkzaamheden stonden in verband met het bedrijf van de landman, het beroep van hun vader, een noodzakelijk beroep, want de koning zelf wordt van het veld gediend, maar een zwaar beroep, dat voortdurende zorg en oplettendheid vereist. Heden ten dage wordt het als een laag, gering beroep gezien, de armsten des lands dienen tot wijngaardeniers en akkerlieden, Jeremia 52:16. Maar het was er verre vandaan, dat dit beroep een oneer voor hen was, veeleer waren zij er een eer voor.
4. Naar de volgorde in het verhaal schijnt Abel, hoewel hij de jongere broeder was, het eerst in zijn beroep gekomen te zijn, en waarschijnlijk heeft zijn voorbeeld Kaïn tot het zijne gebracht.
5. Abel koos het beroep dat het gunstigst was voor nadenken en Godsdienstzin, als zodanig is het herdersleven altijd beschouwd geworden. Mozes en David hebben schapen gehoed, en in hun eenzaamheid gemeenschap geoefend met God. Dat beroep, en die levenstoestand zijn het best voor ons en moeten door ons gekozen worden, die het best zijn voor onze ziel, ons het minst blootstellen aan zonde, en ons de meeste gelegenheid geven om God te dienen en ons in Hem te verlustigen.