Genesis 4:16-18
Wij hebben hier een nader bericht omtrent Kaïn, en wat er van hem geworden is, nadat hij door God was verworpen.
I. Hij heeft zich gedwee onderworpen aan dat deel van zijn vonnis, waardoor hij voor Gods aangezicht werd verborgen. Want, vers 16, Hij ging uit van het aangezicht des Heeren, dat is: gewillig liet hij God en Godsdienst varen, en was tevreden om er de voorrechten van te missen, zo hij slechts ook aan de voorschriften, de geboden, er van kon ontkomen. Hij verliet Adams gezin en altaar, en schudde alle aanspraak af van God te vrezen, kwam nooit onder vrome mensen, en woonde geen inzettingen van de Godsdienst meer bij. Huichelachtige belijders, die voor de almachtige God hebben geveinsd en gebeuzeld, worden rechtvaardig aan zich zelf overgelaten om iets te doen dat grof ergerlijk is, zodat zij dan die gedaante van de Godzaligheid moeten afleggen, waarvan zij een schande geweest zijn, en onder de schijn waarvan zij er de kracht van verloochend hebben. Kaïn ging nu uit van het aangezicht des Heeren, en wij bevinden niet, dat hij er ooit tot zijn vertroosting weergekomen is. De hel is "een eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren," 2 Thessalonicenzen 2:9. Het is een altijddurende verbanning van de Bron van alle goed. Dit is de keus van de zondaars, en zo zal, tot hun eeuwige beschaming, hun oordeel wezen.
II. Hij poogde het hoofd te bieden aan dit deel van het vonnis, dat hem tot zwerven en dolen had verwezen, want
1. Hij koos zijn land. Hij ging en woonde ten Oosten van Eden, ergens op een afstand van de plaats, waar Adam met zijn Godsdienstig gezin woonde, zich en zijn gevloekt geslacht onderscheidende van het heilig zaad, zijn legerplaats van de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Openbaring 20:9. Ten Oosten van Eden waar de cherubim zijn met het vlammig zwaard koos hij zijn lot, als om de verschrikkingen des Heeren te tarten. Maar zijn poging om zich te vestigen was te vergeefs, want het land waar hij in woonde, was hem het land van Nod, dat is: schudding, of siddering, vanwege de voortdurende woeligheid en onrust in zijn eigen gemoed. Zij, die weggaan van God, kunnen nergens rust vinden. Nadat Kaïn was uitgegaan van het aangezicht des Heeren, heeft hij nooit meer gerust. Zij, die zich buiten sluiten van de hemel, geven zich over aan voortdurende siddering. "Keer dan weer tot uw rust, o mijne ziel, tot uw rust in God, want anders zult gij voor eeuwig rusteloos zijn."
2. Hij bouwde zich een stad ter woning, vers 17. Hij was bouwende een stad, zo lezen sommigen die woorden, haar altijd bouwende, maar daar op hem en het werk van zijn handen een vloek was, kon hij haar niet voleindigen. Of zoals wij het lezen, hij bouwde een stad, ten teken van een vastgestelde scheiding van de kerk van God, daar hij er niet aan dacht om ooit tot haar weer te keren. Deze stad zal het hoofdkwartier zijn van de afval.
Merk hier op:
a. Hoe Kaïn het vonnis Gods trotseert. God had gezegd, dat hij zwervende en dolende zou zijn. Had hij zich nu bekeerd en verootmoedigd, dan zou die vloek in een zegen kunnen verkeerd zijn, zoals dat met de stam van Levi het geval was, die verdeeld moest zijn onder Jakob en verstrooid onder Israel, maar zijn onboetvaardig, onverootmoedigd hart in tegenheid wandelende met God, en zich, ten spijt van de hemel, willende vestigen, is, hetgeen een zegen had kunnen wezen, in vloek verkeerd. b. Zie wat Kaïns keus was, nadat hij God had verlaten, hij koos een vestiging in deze wereld als zijn rust tot in eeuwigheid. Zij, die op aarde, naar de hemelse stad uitzagen, verkozen in tenten te wonen, maar Kaïn die zich om die stad niet bekommerde, bouwde er zich een op aarde. Zij, die door God gevloekt zijn zoeken hun vestiging en voldoening hier beneden, Psalm 17:14.
c. Zie welke methode Kaïn volgde om zich te verdedigen tegen de verschrikkingen, waardoor hij voortdurend gekweld werd. Hij ondernam zijn bouw, om zijn gedachten af te leiden van zijn rampzaligheid en om het geroep van zijn schuldig geweten te smoren door het gedruis van hamers en bijlen. Zo zullen velen hun overtuiging van zonde smoren, door zich in het gewoel van wereldse zaken te storten.
d. Zie hoe goddeloze mensen dikwijls Gods volk vooruit zijn, hen overtreffen in uitwendige voorspoed. Kaïn en zijn gevloekt geslacht wonen in een stad, terwijl Adam en zijn gezegend gezin in tenten wonen, wij kunnen uit al hetgeen dat voor ons aangezicht is ook over haat en liefde niet oordelen, Prediker 9:1, 2.
3. Ook zijn gezin werd gebouwd. Hier is een bericht over zijn afstammelingen, ten minste van de erfgenamen van zijn familie tot in zeven geslachten. Zijn zoon was Henoch die dezelfde naam droeg, maar niet hetzelfde karakter had, als de heilige, die met God wandelde, Hoofdstuk 5:22. Goede mensen en slechte mensen dragen dezelfde naam, maar God kan onderscheiden tussen Judas Iskariot en Judas, niet de Iskariot, Johannes 14:22. Er worden meer namen van zijn nageslacht vermeld, doch alleen maar vermeld, niet als die van het heilig zaad, Hoofdstuk 5, waar wij voor ieder hunner drie verzen hebben, terwijl wij hier drie of vier namen in een vers hebben. Zij worden haastig geteld, als niet gewaardeerd, in vergelijking met de uitverkorenen Gods, en in wie men geen welbehagen heeft.