Genesis 13:5-9
Wij hebben hier een ongelukkige onenigheid tussen Abram en Lot, die tot nu toe onafscheidelijke metgezellen van elkaar zijn geweest, zie vers 1 en Hoofdstuk 12:4, maar nu gingen scheiden.
I. De aanleiding tot hun twist was hun rijkdom. In vers 2 lazen wij hoe rijk Abram was, en nu wordt ons hier in vers 5 gezegd, dat Lot, die met Abram toog, ook rijk was. God had hem met rijkdom gezegend, omdat hij met Abram was gegaan. Het is goed om in goed gezelschap te wezen en te gaan met hen, met wie God is, Zacheria 8:23. Zij, die deelgenoten zijn met Gods volk in hun gehoorzaamheid en hun lijden, zullen ook met hen delen in hun blijdschap en vertroostingen, Jesaja 66:10. Zij waren dus beide zeer rijk. Het land droeg hen niet om aangenaam en vreedzaam samen te wonen. Hun rijkdom kan dus beschouwd worden:
a. Als plaatsende hen op een afstand van elkaar, omdat het land te eng voor hen was, zij hadden geen ruimte genoeg voor hun levende have, en dus was het nodig dat zij ieder afzonderlijk zouden wonen. In deze wereld gaat iedere lieflijkheid gepaard aan een kruis. Veel om-handen te hebben is een groot voorrecht, maar er is dit nadeel aan verbonden dat het ons niet toelaat om zo dikwijls en zo lang van het gezelschap van onze vrienden te genieten als wij het wel zouden wensen.
b. Als onenigheid tussen hen teweegbrengend. Rijkdom is dikwijls een aanleiding tot twist en strijd tussen bloedverwanten of naburen. Het is een van die dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang, 1 Timotheus 6:9. Rijkdom levert niet slechts de gelegenheid tot twist, is niet slechts hetgeen, waarom gewoonlijk getwist en gestreden wordt, maar hij verwekt ook de geest van de twisting door de mensen hoogmoedig en hebzuchtig te maken. "Meum et taum-het mijn en dijn," zijn de grote twiststokers van de wereld. Armoede en arbeid, gebrek en omzwerving konden geen scheiding maken tussen Lot en Abram, maar rijkdom heeft het gedaan. Vrienden zal men spoedig kunnen verliezen, maar God is een vriend, van wiens liefde noch de hoogte van de voorspoed noch de diepte van de tegenspoed ons zal kunnen scheiden.
II. De onmiddellijke werktuigen van de twist waren hun dienstknechten. De strijd begon tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee, vers 7. Waarschijnlijk streden zij om de beste weide te hebben, of het beste water, en beide partijen betrokken hun meesters in de twist. Slechte dienstknechten richten dikwijls door hun hartstocht en hoogmoed, hun liegen en lasteren veel kwaad aan in gezinnen. Het is zeer slecht in dienstboden om onenigheid te zaaien tussen familiebetrekkingen en naburen, die dat doen zijn de agenten van de duivel, en de ergste vijanden van hun meesters.
III. Wat de twist verergerde, was, dat de Kanaänieten en de Ferezieten in het land woonden. Dit maakte de twist:
1. Zeer gevaarlijk. Indien Abram en Lot niet kunnen overeenkomen om hun vee tezamen te laten weiden, dan is het nog een wonder dat de gemene vijand hen niet overvalt om hen te plunderen. Verdeeldheid in families en kerken hebben dikwijls haar ondergang tengevolge.
2. Zeer ergerlijk. Ongetwijfeld waren de ogen van al hun naburen op hen gevestigd inzonderheid wegens het eigenaardige van hun Godsdienst en de buitengewone heiligheid, die zij beleden. Er zou dus wel spoedig kennis worden genomen van hun twist, en de Kanaänieten en Ferezieten zouden er gebruik van hebben gemaakt om hen te smaden. De twisten van de belijders zijn de smaad voor de belijdenis, en zij geven evenveel als alle andere dingen aan de vijanden des Heeren gelegenheid om te lasteren.
IV. Die twist werd zeer gelukkig beslecht. Het beste is om de vrede te bewaren, zodat hij niet verstoord wordt, maar als er geschillen ontstaan, dan is het het beste om ze zo spoedig mogelijk uit de weg te ruimen, en de uitgebroken brand te blussen. Het voorstel om aan die strijd een einde te maken, kwam van Abram, hoewel hij de oudste en de voornaamste was, vers 8.
1. Zijn verzoek om vrede was zeer welwillend. "Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u. Abram toont zich hier een man te zijn:
a. van een kalme geest, die zijn hartstocht wist te beheersen, en door een zacht antwoord de toorn wist af te wenden. Zij, die vrede willen houden, moeten nooit schelden voor schelden vergelden.
b. Van een toegeeflijke aard, hij wilde zelfs zijn mindere om vrede verzoeken, en de eerste stap doen tot verzoening. Veroveraars rekenen het zich tot een eer om vrede te schenken door macht, en het is geen mindere eer om vrede te schenken door de zachtmoedigheid van de wijsheid. Het volk Gods behoort zich altijd een vreedzaam volk te betonen, waar anderen ook vóór mogen zijn, zij moeten vóór vrede wezen.
2. Zijn verzoek om vrede was zeer dringend. "Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u. Laat de Kanaänieten en Ferezieten strijden om beuzelingen, maar laat er geen onenigheid komen tussen u en mij, die van betere dingen weten en naar een beter land uitzien." Onder alle anderen behoren belijders van de Godsdienst zeer zorgzaam te zijn om twist te vermijden. "Gij niet alzo," Lukas 22:26. "Wij hebben zulke gewoonte niet," 1 Corinthiërs 11:16. "Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, die zolang tezamen gewoond hebben en elkaar hebben liefgehad." De herinnering aan oude vriendschap moet spoedig een einde maken aan nieuwe twisten, die te eniger tijd kunnen ontstaan. Laat ons gedenken, dat wij broeders zijn, mannen broeders is de Hebreeuwse uitdrukking, een dubbele reden dus.
a. Wij zijn mannen, en als mannen zijn wij sterfelijke schepselen, morgen kunnen wij sterven, en dan moeten wij in vrede gevonden worden. Wij zijn redelijkewezens, en wij moeten ons door rede laten leiden. Wij zijn mannen en geen redeloze dieren, mannen en geen kinderen.
b. Wij zijn broeders. Mannen van dezelfde natuur, van dezelfde stam en hetzelfde geslacht en dezelfde Godsdienst, medegenoten in gehoorzaamheid, medegenoten in lijdzaamheid. De overweging van onze betrekking tot elkaar als broeders moet altijd overmogen om onze hartstochten te matigen, en onze twisten of te voorkomen, of er een einde aan te maken. Broeders moeten als broeders liefhebben.
3. Zijn voorstel tot vrede was zeer billijk. Er zijn velen, die zeggen vóór de vrede te wezen maar die niets willen doen om hem te bevorderen of te verkrijgen, maar Abram betoonde zich een wezenlijke vriend van de vrede te zijn, door een onverwerpelijk middel voor te stellen om hem te bewaren, vers 9. Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Alsof hij gezegd had: "Waarom zouden wij twisten om plaats, daar er toch plaats genoeg is voor ons beide?" a. Hij komt tot het besluit dat zij moeten scheiden, en hij wenst zeer dat zij als vrienden zullen scheiden. Scheid u toch van mij. Hoe zou dit vriendelijker uitgedrukt kunnen worden? Hij werpt hem niet uit, dwingt hem niet om weg te gaan, maar raadt hem aan zich van hem te scheiden. Hij geeft hem geen last heen te gaan, maar ootmoedig verzoekt hij hem zich terug te trekken. Zij, die de macht hebben om te gebieden, moeten toch soms om de wille van liefde en vrede liever bidden of verzoeken, zoals Paulus Filemon gebeden heeft, Filemon: 8, 9. Als de grote God zich neerbuigt om ons te bidden, dan kunnen wij er toch wel toe komen om elkaar te bidden, om verzoend te worden 2 Corinthiërs 5:20.
b. Hij biedt hem een genoegzaam deel aan van het land, waarin zij zich bevonden. Hoewel God aan Abram beloofd had dit land te zullen geven aan zijn zaad Hoofdstuk 12:7, en het niet blijkt, dat ooit aan Lot zulk een belofte gedaan was, hetgeen Abram als reden had kunnen aanvoeren om Lot er geheel van buiten te sluiten, staat hij hem toch toe om nu deelgenoot met hem te zijn, en wijst hij een gelijk deel aan iemand, die er geen gelijk recht op had. Hij wil Gods belofte niet tot beschermster maken van zijn twist, om er zijn bloedverwant onder te bezwaren.
c. Hij geeft hem de keus, en wil zich vergenoegen met hetgeen Lot hem overlaat: zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan. Er was alle reden voor, dat Abram het eerst zou kiezen, maar hij ziet af van zijn recht. Het is een edele overwinning om te willen toegeven om des vredes wil, het is een overwinning over onszelf, over onze hoogmoed en hartstocht, Mattheus 5:39, 40. Het is niet slechts het fijne puntje van eer, maar zelfs ook het belang, dat in vele gevallen opgeofferd moet worden om de vrede te kunnen bewaren of herstellen.