Jeremia 52:12-23
Wij hebben hier een verhaal van de jammerlijke verwoesting, die, een maand nadat de stad genomen was, door het Chaldeeuwse leger aangericht werd, onder bevel van Nebuzaradan, die "overste van de trawanten," en in dit geval, bevelhebber van het leger was. In de Engelse kanttekening wordt hij genoemd het hoofd van de slachters of beulen, want soldaten zijn slechts slachters, en God gebruikt hen als uitvoerders van Zijn oordelen tegen een zondig volk. Nebuzaradan was het hoofd van deze soldaten, maar wij vrezen, dat hij bij het strafgericht niet het oog op God geslagen hield, maar, dat hij de koning van Babel en zijn eigen oogmerken diende, nu hij als hoofd van de slachters aldaar tot in de ingewanden van Jeruzalem doordrong.
1. Hij legde de tempel in de as, nadat hij eerst alles wat waarde had weggenomen had: "Hij verbrandde het huis des Heeren, dat heilige en schone huis, waarin hun vaders U loofden," Jesaja 64:11.
2. Hij verbrandde het koninkrijk paleis, waarschijnlijk het paleis, dat Salomo gebouwd had na de tempel, en dat sinds die steeds het huis des konings was.
3. Hij verbrandde alle huizen van Jeruzalem, dat is alle huizen van de aanzienlijken, of die in `t bijzonder, als er enige bleven staan, dan waren het alleen armelijke hutten voor de armen van het land.
4. Hij brak alle muren van Jeruzalem af, uit wraak, omdat zij zijn leger zo lang in de weg hadden gestaan. Zo werd zij van een versterkte stad, een puinhoop, Jesaja 25:2.
5. Hij voerde velen weg in gevangenschap, vers 15, hij voerde weg van de armsten des volks, dat is van het volk van de stad, voor de armsten des lands, dat is van het platteland, die hij overig liet tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. Ook voerde hij weg het overige des volks, die in de stad overgelaten waren, die aan het zwaard en de honger ontkomen waren, en de afvalligen, voor zover hij het nodig voed, of liever voor zover God het nodig vond, want reeds had Hij sommigen voor de pestilentie, en anderen voor het zwaard, sommigen voor de honger, en weer anderen voor de gevangenis bestemd, Hoofdstuk 15:2. Maar,
6. Niets wordt hier uitvoeriger en in meer bijzonderheden verhaald dan het wegvoeren van de gereedschappen van de tempel. Al die van grote waarde waren, waren tevoren weggevoerd, wat geheel goud en wat geheel zilverwas, toch waren er nog overgebleven, en die werden nu weggevoerd, vers 19. Maar het meeste van wat uit de tempel geroofd werd, was van koper, dat het laatste werd weggevoerd, omdat, het de minste waarde had. Toen het goud weg was, volgde het koper spoedig, omdat het volk geen berouw had, naar de voorspelling van Jeremia, Hoofdstuk 27:19 enz. Toen de muren van de stad afgebroken waren, werden de pilaren van de tempel neergehaald, beide waren een teken, dat God, die de kracht en de steunpilaar beide van hun burgerlijk en geestelijk bestuur was, hen verlaten had. Geen muren kunnen beschermen, geen pilaren staande houden, degenen, die door God verlaten worden. Deze pilaren dienden niet tot steun (want er rustte niets op) maar tot sieraad en symbool. Zij werden genoemd Jachin-Hij zal oprichten, en Boaz-In Hem is sterkte, zodat het afbreken van deze betekende, dat God Zijn huis niet langer wilde oprichten noch er de sterkte van zijn. Deze pilaren worden hier in alle bijzonderheden beschreven, vers 21-23. Zie ook 1 Koningen 7:15. Het doel hiervan is, dat de verwoesting er van ons te meer treffen zal, na het verhaal van hun schoonheid en statigheid. Al de vaten, die tot het koperen altaar behoorden, werden weggevoerd, want de ongerechtigheid van Jeruzalem, evenals die van Eli's huis, kon niet verzoend worden door slachtoffer of spijsoffer, 1 Samuël 3:14. Gezegd wordt, vers 20, dat het koper van alle deze vaten zonder gewicht was, zo was het ook toen zij gemaakt werden 1 Koningen 7:47, het gewicht des kopers werd niet onderzocht, 2 Kronieken 4:18, en zo was het bij de plundering. Die grote buit maken, blijven niet staan, om te wegen, zoals kopers doen, want, hoeveel het ook weegt, het is toch hun eigendom.