1 Samuël 16:6-13
Indien aan de zonen van Isai gezegd was dat God zich onder hen een koning wilde uitzien, zoals Hij gezegd heeft, vers 1, dan kunnen wij wel veronderstellen dat allen hun best deden, om zich zo goed mogelijk voor te doen, en dat ieder hoopte dat hij het zijn zou, maar hier wordt ons gezegd:
I. Hoe al de oudere zonen, die de meeste kans schenen te hebben op de bevordering, werden voorbijgegaan. Eliab, de oudste, was afzonderlijk aan Samuël voorgesteld, terwijl waarschijnlijk niemand anders dan Isai er bij tegenwoordig was, en Samuël dacht dat deze de man moest wezen, vers 6. Zekerlijk, is deze voor den HEERE, Zijn gezalfde.
Zelfs de profeten die onder Goddelijke leiding spraken, waren even onderhevig aan vergissingen als andere mensen, zoals Nathan, 2 Samuël 7:3.
Maar God herstelde de vergissing van Zijn profeet door een verborgen toefluistering in zijn ziel. vers 7, Zie zijn gestalte niet aan.
Het was vreemd dat Samuël, die zo allerongelukkigst teleurgesteld was in Saul, wiens gelaat en gestalte hem even sterk aanbevolen hebben als die van enig ander man, zo geneigd zou zijn om iemand naar die regel te beoordelen.
Toen God het volk genoegen wilde doen met een koning, verkoos Hij een daartoe geschikt man maar toen Hij er een wilde hebben naar Zijn hart, moest hij niet gekozen worden naar zijn uiterlijk aanzien, zijn gestalte, mensen zien aan wat voor ogen is, maar dat doet God niet Jesaja 11:3. "De Heere ziet het hart aan", dat is
1. Hij kent het. Wij kunnen zeggen hoe de mensen uitzien, maar Hij kan zeggen wat zij zijn. De mens ziet op de ogen, zo luidt het oorspronkelijke, en schept behagen in het levendige en vrolijke, dat hij er in ziet, maar God ziet op het hart, ziet er de gedachten en bedoelingen van.
2. Daar beoordeelt Hij de mensen naar. De goede gezindheid van het hart, de heiligheid en goedheid daarvan, bevelen ons Gode, en zijn kostelijk voor God, 1 Petrus 3:4, niet de majesteit van de blik, of de kracht en statuur van het lichaam.
Laat ons datgene ware schoonheid achten wat van binnen is, en, voorzoveel wij het kunnen, de mensen beoordelen naar hun gemoed, niet naar hun uiterlijk voorkomen.
Nadat Eliab ter zijde was gezet, werden Abinadab en Samma, en daarna nog vier van de zonen-dus in het geheel zeven-aan Samuël voorgesteld, als waarschijnlijk wel beantwoordende aan zijn doel, maar Samuël, die nu nauwkeuriger dan in het eerst acht gaf op de Goddelijke aanwijzing, zei van hen allen: De HEERE heeft deze niet verkoren, vers 8-10.
De mensen verdelen hun eerbewijzen en bezittingen onder hun zonen naar hun leeftijd naar rang van ouderdom, maar dat doet God niet, de meerdere, dat is de oudere, zal de mindere, dat is de jongere, dienen. Ware het aan Samuël of aan Isai overgelaten om de keuze te doen, een van deze zou voorzeker gekozen zijn, maar God wil Zijn vrijmacht verheerlijken door hen voorbij te gaan, van wie men het meeste zou verwacht hebben, en Zijn keus te vestigen op anderen, van wie men dit minder zou gedacht hebben.
II. Hoe eindelijk David gekozen werd. Hij was de jongste van al de zonen van Isai, zijn naam betekent bemind, want hij was een type van de beminde de geliefde Zoon.
Merk op:
1. Waarmee hij nu bezig was. Hij was in het veld, en weidde de schapen, vers 11, en werd er gelaten, hoewel er in het huis zijns vaders een offer en een offermaaltijd was.
Gewoonlijk zijn de jongsten de lievelingen van het gezin, maar onder al de broeders van David scheen men het minst met hem op te hebben, zij hebben of de voortreffelijken geest, die in hem was, niet bespeurd, of er geen prijs op gesteld.
Menig groot genie ligt als het ware begraven in minachting en onbekendheid, en dikwijls verhoogt God hen, die door de mensen geminacht worden, en geeft overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft.
De Zone Davids was Hij, die de mensen verachtten, "de steen, die de bouwlieden verworpen hebben", en toch heeft Hij een "naam "boven allen naam".
David werd genomen van achter de zogende schapen om Jakob te weiden, Psalm 78:71, zoals Mozes van achter de kudde van Jethro een voorbeeld van zijn nederigheid en vlijt, en God heeft er een welbehagen in om die beide hoedanigheden te eren.
Wij zouden denken dat een krijgsmansleven de beste oefenschool is voor de uitoefening van koninklijke macht, maar God achtte daar een herdersleven, (dat zich leent aan nadenken en gemeenschapsoefening met God) het geschiktst voor, tenminste voor die genadegaven des Geestes, die vereist worden om zich op de rechte wijze van zo'n gewichtig ambt te kwijten.
David weidde de schapen, hoewel het een tijd was voor offerande, want er is barmhartigheid, die de plaats inneemt van offerande.
2. Hoe dringend Samuël verlangde dat om hem gezonden zou worden.
Wij zullen niet rondom aanzitten om te eten, (het was misschien niet het offermaal, maar een gewone maaltijd) totdat hij hier zal gekomen zijn, want zo al de overigen ongeschikt zijn geoordeeld, dan moet hij het wezen."
Hij, voor wie men in het geheel geen plaats aan tafel had bestemd, is nu de voornaamste gast, op wie gewacht wordt eer men aanzit. Wie zal het verhinderen als God de nederiger wil verhogen?
3. Hoe hij er uitzag toen hij kwam. Er wordt geen nota genomen van zijn kledij, die was ongetwijfeld naar de aard van zijn werk, eenvoudig en grof, zoals herdersklederen gewoonlijk zijn, en hij heeft zijn klederen niet veranderd, zoals Jozef gedaan heeft, Genesis 41:14 , maar hij had een eerlijken oogopslag, niet statig, zoals Saul, maar zacht en lieflijk, hij was roodachtig, mitsgaders schoon van ogen en schoon van aanzien, vers 12 dat is: hij had een heldere gelaatskleur, een goed oog en een vriendelijk, lieflijk aangezicht, en iets bekoorlijke in geheel zijn voorkomen. Hoewel hij stellig geen kunstmiddelen gebruikte om zijn schoonheid te verhogen, en zijn herdersberoep hem blootstelde aan zon en wind, heeft de natuur zich toch bij hem gehandhaafd, en door zijn liefelijk, vriendelijk uiterlijk gaf hij duidelijke blijken van een beminnelijken gemoedsaard.
Misschien heeft zijn zedige blos, toen hij voor Samuël gebracht werd en met buitengewonen eerbied door hem ontvangen werd, hem toen nog een schoner aanzien gegeven.
4. Zijn zalving. De Heere fluisterde Samuël in het oor (evenals vroeger Hoofdstuk 9:15) dat deze het was, die hij moest zalven, vers 12.
Samuël maakt geen bezwaar of bedenking wegens zijn minne opvoeding, zijn jeugd, of de weinige achting, die hem in zijn familie werd betoond, maar in gehoorzaamheid aan het Goddelijk bevel, nam hij zijn hoorn met olie, hij zalfde hem, vers 13, hiermede te kennen gevende:
a. Een Goddelijke bestemming voor de regering na de dood van Saul, waarvan hij hem hierdoor de volle verzekering gaf. Niet, dat hij nu met de koninklijke macht was bekleed, maar zij werd voor hem vastgesteld ter bestemder tijd.
b. Een Goddelijke mededeling van gaven en hoedanigheden, om hem geschikt te maken voor de regering, en hem een type te doen zijn van Hem, die de Messias, de Gezalfde, zal wezen, die de Geest niet met mate, maar zonder mate ontvangen heeft. Hij wordt gezegd gezalfd te zijn in het midden zijner broederen, die dat echter misschien niet verstaan of opgevat hebben als een bestemming tot de regering, en David daarom niet hebben benijd, zoals Jozefs broederen hem benijd hebben, want zij zagen hem met geen andere tekenen van waardigheid bekleed, neen zelfs niet met een veelkleurigen rok.
Maar bisschop Patrick leest hier: Hij zalfde hem van uit het midden van zijn broederen, dat is: hij koos hem uit van de overigen, en heeft hem in het verborgen gezalfd, maar met de last om het geheim te houden en er zijn broeders niets van te laten weten, zoals, naar wij zien in Hoofdstuk 17:28, Eliab het niet geweten scheen te hebben.
Men heeft uitgerekend, dat David toen ongeveer twintig jaren oud geweest moet zijn, indien dit zo is, dan hebben de moeilijkheden, die hij van Saul te lijden, tien jaren geduurd, want hij was dertig jaren oud toen Saul gestorven is.
Dr. Lightfoot denkt dat hij nu vijf en twintig jaren oud was, en dat zijn moeilijkheden slechts vijf jaren geduurd hebben.
5. De gelukkige uitwerking van deze zalving. De Geest des HEEREN werd vaardig over David van dien dag af en voortaan, vers 13. Deze zalving was geen zinledige ceremonie, er ging Goddelijke kracht gepaard met dit ingestelde teken, en hij bevond zich innerlijk vooruitgegaan in wijsheid en moed en zorg voor het openbare welzijn, met al de eigenschappen en hoedanigheden van een vorst, hoewel hij volstrekt niet bevorderd was in zijn uitwendige omstandigheden.
Hierdoor kreeg hij de volle overtuiging dat zijn verkiezing van God was. Het beste bewijs van onze voorbeschikking voor het koninkrijk van de heerlijkheid is ons verzegeld zijn met de Geest van de belofte en onze ervaring van een werk van de genade in ons hart. Sommigen denken dat zijn moed, waarmee hij de leeuw en de beer gedood heeft, en zijn buitengewone bekwaamheid in muziek de uitwerkselen waren van de Geest, die vaardig over hem was geworden, dit heeft hem "lieflijk gemaakt in psalmen Israëls", 2 Samuël 23:1.
Samuël, dit verricht hebbende, ging veilig terug naar Rama, en nog slechts eenmaal lezen wij van hem, Hoofdstuk 19:18, totdat wij lezen van zijn dood, nu trok hij zich terug om in vrede te sterven, daar zijn ogen de zaligheid hadden gezien, namelijk dat de scepter in de stam van Juda was gekomen.