Genesis 49:13-21
Hier hebben wij Jakob's profetie omtrent zes van zijn zonen.
I. Betreffende Zebulon, vers 13, dat zijn nakomelingen hun erfdeel zullen hebben aan de zeekust, kooplieden, zeevarenden en zeehandelaars zullen zijn. Dit werd vervuld toen twee of driehonderd jaren later het land Kanaän door het lot verdeeld werd en de landpaal van Zebulon opwaarts ging naar het westen, (d.i. naar de zee) Jozua 19:11. Indien zij zelf hun erfdeel gekozen hadden, of indien Jozua het hun had toegewezen, dan zouden wij kunnen denken, dat het gebeurde met de bedoeling om Jakob's woorden te doen uitkomen, maar het blijkt dat het aldus door God beschikt en bestemd was en dat Jakob door Goddelijke ingeving heeft gesproken. Het lot van Gods voorzienigheid komt nauwkeurig overeen met het plan van Gods raad, zoals een nauwkeurig afschrift met het oorspronkelijke stuk overeenkomt. Als de profetie zegt: "Zebulon zal aan de haven van de schepen wezen," dan zal Gods voorzienigheid hem daarheen leiden en er hem vestigen. God beschikt en bestemt de bepalingen van onze woningen. Het is onze wijsheid en onze plicht om ons te schikken naar ons lot en er ons voordeel mee te doen. Indien Zebulon aan de zeehaven woont, zo laat hem dan een haven van de schepen wezen.
II. Betreffende Issaschar, vers 14, 15.
1. Dat de mannen van die stam sterk en vlijtig zullen wezen, geschikt tot arbeid en geneigd tot arbeid, speciaal tot de arbeid van de landbouw, zoals de ezel, die geduldig zijn last draagt, en hem, door er zich aan te wennen, licht maakt. Issaschar onderwierp zich aan twee lasten: akkerbouw en schatting. Het was een stam, die zich moeite gaf, en hierdoor voorspoed hebbende, had hij pacht en belasting te betalen.
2. Dat zij in hun arbeid aangemoedigd werden door de goede hoedanigheid van het land dat hun ten deel viel.
a. Hij zag dat de rust thuis goed was. De arbeid van de landman is in werkelijkheid rust, in vergelijking met allen van krijgslieden of zeelieden, wier gewoel en gevaar van zo'n aard zijn, dat zij, die in meest onafgebroken arbeid thuis blijven, geen reden hebben om hen te benijden.
b. Hij zag dat het land lustig of aangenaam was, niet slechts een aangenaam uitzicht gevende om het oog te bekoren van de aanschouwer, maar aangename vruchten opleverende om zijn arbeid te belonen. Het landleven heeft veel genoegens, meer dan genoeg om een vergoeding te bieden voor de ongemakken ervan, als wij er ons slechts toe kunnen brengen om dit in te zien. In het vooruitzicht van voordeel boog Issaschar zijn schouder om te dragen. Laat ons met het oog van het geloof de hemelse rust zien, dat zij goed is, en het land van de belofte, dat het lieflijk is, dat zal onze tegenwoordige arbeid en dienst licht maken, en ons aanmoedigen om er onze schouder onder te plaatsen.
III. Betreffende Dan, vers 16, 17. Wat van hem gezegd wordt heeft betrekking hetzij:
1. Op die stam in het algemeen, dat Dan, hoewel hij een van de zonen van de bijvrouwen was, toch een stam zou zijn, bestuurd door zijn eigen rechters, even goed als andere stammen, en door schranderheid, staatkunde en verrassing voordelen zou behalen op zijn vijanden, zoals een slang, die plotseling in de hiel bijt van een reiziger. In Gods geestelijk Israël wordt geen onderscheid gemaakt tussen dienstknecht en vrije, Colossenzen 3:11. Dan zal door evengoed een oorkonde ingelijfd worden in het volk, als die van iedere andere stam. Sommigen kunnen gelijk Dan uitmunten in de listigheid van de slang, gelijk anderen, evenals Juda, uitmunten in de moed van de leeuw, en beide kunnen dan goede diensten bewijzen aan de zaak Gods tegen de Kanaänieten. Of:
2. Het kan betrekking hebben op Simson, die uit die stam was, en Israël heeft gericht, dat is: het verlost heeft uit de hand van de Filistijnen, niet, zoals de andere richters, door tegen hen te strijden in het veld, maar door hen als ter sluiks te kwellen en te teisteren. Toen hij het huis onder de Filistijnen, die op het dak ervan waren, omver rukte, heeft hij gemaakt, dat het paard zijn berijder afwierp.
Aldus was Jakob voortgegaan met zijn rede maar nu bijna uitgeput zijnde van vermoeienis door het spreken, en op het punt zijnde van te bezwijken, verlicht hij zich met deze woorden, die als een tussenzin vormen, vers 18. "Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE", zoals zij die in onmacht vallen, geholpen worden door een lepel vol van een hartversterking, of de geur op te snuiven van reukwater, of, zo hij hier moet afbreken en hij geen adem genoeg heeft om te voleindigen wat hij voornemens was te zeggen, dan stort hij met deze woorden van zijn ziel uit voor zijn God. De vrome ontboezemingen, voortkomende uit een warme en levende Godsvrucht, kunnen soms wel onsamenhangend zijn, maar moeten daarom toch niet als onvoegzaam geoordeeld worden, dat kan wel met warme genegenheid gezegd zijn, wat niet methodisch gezegd is. Het is geen ongerijmdheid, om, als wij spreken tot mensen, ons hart op te heffen tot God. De zaligheid, waarop hij wachtte, was Christus, het beloofde Zaad, van wie hij in vers 10 had gesproken, nu hij heenging om tot zijn volken te worden verzameld verlangde hij naar Hem, tot wie de volken verzameld zullen worden. De zaligheid, waarop hij wachtte was de hemel, het betere land, dat hij duidelijk getoond had te zoeken, en ook bleef zoeken nu hij in Egypte was. Nu hij die zaligheid stond te genieten was het hem een troost, dat hij er op gewacht had. Het is de aard, de hoedanigheid, van een levende heilige, dat hij wacht op de zaligheid des Heeren. Christus, als onze weg naar de hemel, moet opgewacht, dat is gediend, worden, en op de hemel, als onze rust in Christus, moet gewacht worden, dat is, er moet verlangend naar worden uitgezien. Het is de troost van een stervende heilige, dat hij aldus op de zaligheid des Heeren gewacht heeft, want dan zal hij hebben waar hij op gewacht heeft, het lang-verwachte zal eindelijk komen.
IV. Betreffende Gad, vers 19. Hij zinspeelt op zijn naam, die een bende betekent, voorziet de aard van die stam, namelijk dat hij krijgshaftig zal wezen, en zo bevinden wij hem ook, 1 Kronieken 12:8. "De Gadieten. kloeke helden, krijgslieden ten oorlog toegerust met rondas en schild." Hij voorziet dat die stam, wiens erfdeel aan de andere zijde van de Jordaan lag, blootgesteld zou zijn aan de invallen van zijn naburen, de Moabieten en de Ammonieten. En opdat zij niet hoogmoedig zouden zijn op hun kracht en dapperheid, voorzegt hij dat de benden van zijn vijanden in menige schermutseling de overhand op hem zullen hebben, maar opdat zij door die nederlagen niet ontmoedigd zouden worden, verzekert hij hun dat zij in het einde overwinnen zullen, wat vervuld werd in de tijd van Saul en David, de Moabieten en Ammonieten werden toen geheel en al tenonder gebracht, zie 1 Kronieken 5:18 en verv. De zaak van God en Zijn volk kan wel voor een tijd overbluft en neergeworpen worden, maar in het einde zal zij zegevieren. Genade in de ziel wordt dikwijls neergeworpen in haar strijd, de benden van het bederf hebben de overhand, maar de zaak is Godes, en in het einde zal de genade overwinnen, ja meer dan overwinnen, Romeinen 8:37. V. Van Aser, vers 20. Dat die stam zeer rijk zal wezen, vervuld niet slechts van noodzakelijk brood, maar met vettigheid, hij zal koninklijke lekkernijen leveren, want de koning zelf wordt van het veld gediend, Prediker 5:8. en die lekkernijen werden uitgevoerd naar de andere stammen, misschien wel naar andere landen. De God van de natuur heeft ons voorzien niet alleen van het nodige, maar ook van lekkernijen, opdat wij Hem een milddadige weldoener zouden noemen, maar, terwijl alle plaatsen behoorlijk voorzien zijn van het nodige, zijn het slechts sommige plaatsen, die lekkernijen opleveren. Koren is meer algemeen dan specerijen. Indien wat tot weelde dient even algemeen was als hetgeen tot het onderhoud van het leven dient, dan zou de wereld nog slechter zijn dan zij is, en dat is beslist niet nodig.
VI. Omtrent Nafthali, vers 21. Een stam die worstelingen draagt in zijn naam, hij betekent worsteling, en de zegen, die op hem overgaat, betekent overmogen, het is een losgelaten hinde. En hoewel de geschiedenis niet zo ten volle beantwoord heeft aan de voorzegging als dit met sommigen van de overigen het geval was, is het toch ongetwijfeld waar gebleken, dat die van deze stam waren:
1. Als de lieflijke hinde (want dat is de haar toegeschreven eigenschap), Spreuken 5:19. vriendelijk en voorkomend voor elkaar en voor andere stammen, daar hun omgang bijzonder aangenaam en beminnelijk was.
2. Als de losgelaten hinde, ijverig voor hun vrijheid.
3. Als de snelvoetige hinde, Psalm 18:34, vlug en vaardig in het afdoen van zaken, en wellicht:
4. Als de schuwe, sidderende hinde, angstig in tijden van openbaar gevaar. Het is zelden dat zij, die het meest beminnelijk zijn voor hun vrienden, het meest geducht zijn voor hun vijanden.
5. Dat zij minzaam en wellevend zullen zijn, hun taal beschaafd, en zij zelf wellevend en voorkomend, gevende mooie woorden. Onder het Israël Gods wordt een grote verscheidenheid van aard en neigingen gevonden, die het tegenovergestelde zijn van elkaar, maar toch allen bijdragende tot de kracht en mooiheid van het geheel: Juda als een leeuw, Issaschar als een ezel, Dan als een slang Nafthali als een hinde. Laat hen, die van verschillende aard en temperament zijn, en verschillende gaven hebben, elkaar niet bedillen of bestraffen, elkaar niet benijden, evenmin als zij, die van verschillende lichaamsbouw of gelaatskleur zijn.