1 Koningen 5:10-18
I. Hier is: de vervulling van de overeenkomst tussen Salomo en Hiram, beide partijen kwamen na wat zij op zich genomen hadden.
1. Hiram leverde aan Salomo het hout overeenkomstig het verdrag, dat hij had aangegaan, vers 10. De bomen waren Salomo's eigendom, maar, misschien-"Materiam superabat opus was het werk van meer waardij dan het hout." Daarom wordt gezegd dat Hiram aan Salomo het hout gaf.
2. Salomo leverde aan Hiram het koren, dat hij hem beloofd had, vers 11. Laat aldus gerechtigheid nagejaagd worden, zoals de uitdrukking luidt in Deuteronomium 16:20, gerechtigheid van weerszijden bij iedere overeenkomst.
II. Hierdoor werd de vriendschap tussen hen bevestigd. God gaf aan Salomo wijsheid, vers 12, dat was meer en beter dan iets dat Hiram voor hem deed of hem geven kon, maar dit maakte dat Hiram hem beminde, en stelde Salomo in staat om gebruik te maken van zijn vriendelijkheid, zodat zij beide bereid waren om hun wederzijdse genegenheid te doen rijpen in een verbond, opdat zij duurzaam zou zijn. Het is wijsheid om onze vriendschap te versterken met hen, die wij eerlijk en trouw bevinden, uit vrees dat nieuwe vrienden niet zo standvastig en zo vriendelijk bevonden zullen worden als de oude geweest zijn.
III. De arbeiders, die Salomo gebruikte om de materialen te bereiden voor de tempel.
1. Sommigen van hen waren Israëlieten, die gebruikt werden voor het lichtere en meer eervolle deel van het werk, het vellen van bomen en het helpen om ze te fatsoeneren en te voegen, in samenwerking met de knechten van Hiram. Hiervoor stelde hij dertig duizend man aan, maar gebruikte slechts tien duizend tegelijk, zodat zij op een maand arbeid twee maanden vacantie hadden, beide om uit te rusten, en om hun eigen zaken te behartigen, vers 13, 14. Het was tempeldienst, maar Salomo draagt zorg dat zij zich niet overwerken, voorname lieden moeten bedenken dat hun dienaren even goed rust nodig hebben als zijzelf.
2. Anderen waren gevangenen uit andere volken, die de lasten moesten dragen en de stenen moesten houwen, vers 15, en wij lezen niet dat dezen, evenals de anderen, hun rusttijden hadden, want zij waren tot dienstbaarheid veroordeeld.
3. Sommigen werden gebruikt als bestuurders en opzichters, vers 16, drie duizend en drie honderd, die heerschappij hadden over het volk, en deze waren even nodig en nuttig op hun plaats als de arbeiders op de hunne. Hier werden vele handen en vele ogen gebruikt, want er moesten nu toebereidselen worden gemaakt, niet alleen voor de tempel, maar voor alle andere gebouwen van Salomo, beide te Jeruzalem en hier in het woud van de Libanon, en in andere plaatsen van zijn gebied, zie Hoofdstuk 9:17-19. Hij spreekt van zijn grote werken, Prediker 2:4. Ik maakte mij grote werken, waarvoor dit grote getal werklieden nodig was.
IV. De grondlegging van de tempel, want dat is het gebouw, waar zijn hart voornamelijk op gezet is, vers 17, 18. Salomo zelf schijnt tegenwoordig te zijn geweest bij het leggen van het fundament des tempels en het bestuur er van gehad te hebben, en het schijnt dat de eerste steen (zoals gewoonlijk bij voorname gebouwen) met enige plechtigheid gelegd is geworden. Als nu de koning het gebood, zo voerden zij grote stenen toe, kostelijke stenen, gehouwen stenen om de grond van dat huis te leggen. Hij wilde alles doen zoals hijzelf was, met grootheid en edelmoedigheid, en daarom wilde hij sommigen van de kostelijkste stenen gelegd, of liever begraven, hebben in het fundament, ofschoon, daar zij buiten het gezicht bleven, ook minder kostbare gebruikt hadden kunnen worden. Christus, die tot een grondsteen gelegd is, is een beproefde, kostelijke hoeksteen. en de fundamenten van de kerk worden gezegd gelegd te zijn op saffieren, Jesaja 54:11, vergelijk Openbaring 21:19. De oprechtheid, die onze Evangelievolmaaktheid is verplicht ons om een vast fundament te leggen en de meeste zorg te wijden aan dat deel van onze Godsdienst, dat buiten het gezicht van de mensen is.