Genesis 48:8-22
I. Hier is de zegen, waarmee Jakob de twee zonen van Jozef gezegend heeft, die te meer opmerkelijk is, omdat de apostel er zo bijzonder melding van maakt, Hebreeën 11:21, terwijl hij niets zegt van de zegen, die Jakob over de overigen van zijn zonen heeft uitgesproken, hoewel hij ook dit in het geloof heeft gedaan.
Merk hier op:
1. Dat Jakob blind was van ouderdom, vers 10. Dat is een van de gewone gebreken van de ouderdom, die door de vensters zien, zullen verduisterd worden, Prediker 12:3,. Het is dwaasheid, om ons druk te maken over onze ogen, terwijl wij weten dat direct de dood ze zal sluiten, en wij niet weten of zij niet door het een of ander voorval tussen ons en de dood verduisterd zullen worden. Evenals dit met zijn vader voor hem geweest is, waren Jakob's ogen "zwaar van ouderdom". Zij, die de eer hebben van de ouderdom, moeten tevreden wezen om er ook de lasten van te hebben. Het oog van het geloof kan echter zeer helder zijn, terwijl het lichamelijke oog zeer beneveld is.
2. Dat Jakob grote liefde koesterde voor de zonen van Jozef. Hij kuste en omhelsde hen, vers 10. Oude mensen hebben gewoonlijk een bijzondere liefde voor hun kleinkinderen, wellicht meer nog dan zij voor hun eigen kinderen gehad hebben, toen zij klein waren, waarvoor Salomo een reden opgeeft, Spreuken 17:6. "De kroon van de ouden zijn de kindskinderen." Met welk een voldoening zegt Jakob hier, vers 11, Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien, daar hij hem gedurende vele jaren verloren gewaand had, maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien! Zie hier:
a. Hoe deze twee Godvruchtige mannen God herkennen in het goede en lieflijke dat zij ervaren. Jozef zegt, vers 9, "Zij zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft." en om die gunst nog groter te maken, voegt hij er bij: hier, dat is in deze plaats van mijn ballingschap, slavernij en gevangenschap. Jakob zegt hier: God heeft mij uw zaad doen zien. Onze genoegens en genietingen zijn ons dubbel lieflijk, als wij zien dat het God is die ze ons zendt.
b. Hoe dikwijls God in Zijn genadige voorzienigheid onze verwachtingen overtreft, en aldus Zijn gunsten groots verheerlijkt. Hij voorkomt niet alleen onze angst, maar overtreft onze verwachtingen. Wij kunnen dit toepassen op de belofte, die ons en onze kinderen gedaan is. Wij konden niet gedacht hebben dat wij in het verbond Gods zouden opgenomen worden in aanmerking genomen hoe schuldig en verdorven wij zijn, en toch, zie, Hij heeft ons doen zien, dat ook ons zaad in verbond met Hem is.
3. Dat hij, eer hij zijn zegen op hen doet overgaan, weer zijn ervaringen verhaalt van Gods weldadigheden over hem. In vers 3 had hij ervan gesproken, dat God hem verschenen was. De bijzondere bezoekingen van Zijn genade, en de gemeenschap, die wij met Hem geoefend hebben, behoren nooit vergeten te worden. Maar in vers 15 en 16 spreekt hij van de voortdurende zorg Gods over hem heel zijn leven lang.
a. "die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was tot op deze dag, " vers 15. Zolang wij in deze wereld geleefd hebben, hebben wij steeds Gods goedheid over ons ervaren door ons het onderhoud van ons natuurlijk leven te geven. Ons lichaam eiste dagelijks voedsel, en daar was niet weinig toe nodig, en toch heeft ons nooit het brood ons bescheiden deel ontbroken. Hij, die ons ons leven lang gevoed heeft, zal ons zeker ook bij het einde ervan niet missen.
b. Door Zijn Engel heeft Hij hem verlost van alle kwaad, vers 16. Zeer veel ongemakken en bezwaren heeft hij in zijn leven te verduren gehad, maar God heeft hem genadig bewaard voor het kwaad van zijn moeilijkheden. Nu hij stervende was, beschouwde hij zich als verlost van alle kwaad, en nam hij voor altijd afscheid van zonde en smart. Christus, de Engel des verbonds, is het, die ons verlost van alle kwaad, 2 Timotheus 4:18. Het betaamt de dienstknechten van God, als zij oud zijn en gaan sterven, van onze God te getuigen, dat zij Hem genadig hebben bevonden. Onze ervaringen van Gods goedheid over ons kunnen gebruikt worden om anderen aan te moedigen, om hen te zegenen en voor hen te bidden.
4. Dat hij, als hij hun de zegen verleent en daarbij de naam van Abraham en Izaak over hen uitspreekt, hun het voorbeeld van Abraham en Izaak aanbeveelt, vers 15. Hij noemt God de God, voor Wiens aangezicht mijn vaders Abraham en Izaak gewandeld hebben, dat is: in wie zij hebben geloofd, die zij waargenomen en gehoorzaamd hebben, en met wie zij de inzettingen overeenkomstig de voorwaarden van het verbond hebben onderhouden. "Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!" Hoofdstuk 17:1. Zij, die de zegen van hun Godvruchtige voorouders willen beërven en het voordeel van Gods verbond met hen willen genieten, moeten in de voetstappen treden van hun Godsvrucht. Het moest de dienst van God aanbevelen, dat God de God is van onze vaderen, en dat zij er voldoening in vonden om voor Zijn aangezicht te wandelen.
5. Dat hij, hen zegenende, zijn handen kruiste. Jozef had hen zo geplaatst, dat Jakob's rechterhand op het hoofd van Manasse, de oudste gelegd zou worden, vers 12, 13. Maar Jakob wilde haar op het hoofd leggen van Efraïm, de jongste, vers 14. Dit stond Jozef niet aan, die de naam van zijn eerstgeborene hoog wilde houden, en daarom zijn vaders handen had willen verplaatsen, vers 17, 18. Maar Jakob liet hem weten, dat hij wist wat hij deed en het noch bij vergissing deed, noch door een invallende gril, en evenmin uit partijdige liefde voor de een boven de ander, maar door de geest van de profetie en conform met de raadsbesluiten van God. Manasse zal groot zijn, maar Efraïm zal groter wezen. Toen de stammen geteld werden in de woestijn, was Efraïm talrijker dan Manasse, en had de banier van die afdeling, Numeri 1:32, 33, 35, 2:18-20, .- en wordt het eerst genoemd, Psalm 80:3. Jozua was van die stam, en ook Jerobeam. De stam van Manasse was verdeeld, een helft ervan woonde aan de ene zijde van de Jordaan, en de andere helft aan de andere zijde waardoor hij minder machtig en dus ook van minder aanzien was. Dit voorziende heeft Jakob zijn handen gekruist. Bij het verlenen van Zijn zegeningen aan Zijn volk, geeft God aan sommigen meer dan aan anderen, meer gaven van genade en verstand, meer gerieflijkheden, meer van de goede dingen van deze wereld. Soms geeft Hij het meest aan hen, van wie men dit het minst zou denken. Hij verkiest het zwakke van deze wereld, richt de armen op uit het stof. De genade stoort zich niet aan de orde van de natuur, en God geeft ook de voorkeur niet aan hen, van wie wij denken dat zij het geschiktst zijn om de voorkeur te hebben, maar aan wie het Hem behaagt. Het is opmerkelijk, dat God dikwijls door de speciale gunsten van Zijn verbond de jongere boven de oudere heeft bevoorrecht, Abel boven Kaïn, Sem boven Jafeth, Abraham boven Nahor en Haran, Izaak boven Ismaël, Jakob boven Ezau, Juda en Jozef boven Ruben, Mozes boven Aäron, David en Salomo boven hun oudere broeders. Zie 1 Samuël 16:7. Hij heeft de Joden de verplichting opgelegd om het recht van de eerstgeboorte te eerbiedigen, Deuteronomium 21:17 maar zichzelf heeft Hij die verplichting niet opgelegd. Sommigen zien hierin een type, een voorteken van de voorkeur, aan de heidenen gegeven boven de Joden, de bekeerlingen uit de heidenen waren veel talrijker dan die uit de Joden. Zie Galaten 4:27. Zo wordt de vrije genade in een heerlijk licht geplaatst.
II. De bijzondere tekenen van zijn gunst aan Jozef.
1. Hem gaf hij de belofte over van hun terugkeer uit Egypte als een heilig pand, vers 21. "Zie, ik sterf, maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u weder brengen in het land uwer vaderen." Dienovereenkomstig heeft Jozef, toen hij stierf, haar aan zijn broeders overgegeven, Hoofdstuk 50:24. Deze verzekering werd hun gegeven, en zorgvuldig onder hen bewaard, opdat zij Egypte noch te veel zouden beminnen als het hun gunst betoonde, noch te veel zouden vrezen, als het hen met ongunst dreigde. Deze woorden van Jakob geven ons troost met betrekking tot de dood van onze vrienden, zij sterven, maar:
a. God zal met ons zijn, en Zijn genadige tegenwoordigheid is voldoende om ons verlies te vergoeden. Zij verlaten ons, maar Hij zal ons nooit begeven.
b. Hij zal ons brengen tot het land van onze vaderen, het hemels Kanaän, waar onze Godvruchtige vaderen ons zijn voorgegaan. Indien God met ons is terwijl wij achterblijven in deze wereld, en ons spoedig zal opnemen om met hen te zijn, die ons zijn voorgegaan naar een betere wereld, dan behoren wij ook niet te treuren als degenen, die geen hoop hebben.
2. Hij schonk hem een deel boven zijn broeders, vers 22. De landerijen, die hij hem vermaakte, worden aangeduid als die hij met zijn zwaard en met zijn boog uit der Amorieten hand genomen heeft. Hij heeft ze eerst gekocht, Jozua 24:32, maar het schijnt dat hij later door de Amorieten uit het bezit ervan gestoten was, waarop hij ze met het zwaard hernomen heeft, geweld met geweld kerende, zich door kracht van wapenen recht verschaffende, toen hij het op geen andere wijze kon krijgen. Dit land vermaakte hij aan Jozef, van welke schenking melding wordt gemaakt in Johannes 4:5. Als gevolg hiervan werd dit land toegewezen aan de stam van Efraïm, als recht erop hebbende, zonder dat er het lot over geworpen werd, en in dit land werd Jozefs gebeente begraven, waarop Jakob bij deze beschikking misschien meer dan op iets anders het oog heeft gehad. Het kan soms zowel rechtvaardig als verstandig zijn, om aan sommige kinderen delen te geven boven de anderen, maar het is op een graf, dat wij het meest als ons eigendom kunnen rekenen op deze aarde.