Numeri 2:3-34
Wij hebben hier de indeling van de twaalf stammen in vier afdelingen, ieder van drie stammen, van welke een de twee anderen moest aanvoeren.
Merk op:
1. Dat God zelf hun plaats heeft aangewezen, teneinde twist en afgunst onder hen te voorkomen. Indien het aan hun was overgelaten om de voorrang onder hen te bepalen, dan zou er gevaar zijn geweest, dat zij in twist waren geraakt met elkaar, zoals de discipelen, die twistten wie hunner de meeste zou zijn. Ieder zou een voorwendsel hebben gehad om de eerste te zijn, of tenminste om niet de laatste te wezen. Ware het aan de beslissing van Mozes overgelaten, zij zouden met hem getwist hebben, en hem van partijdigheid hebben beschuldigd, en daarom doet God het, die zelf de fontein en de oordeler is van de eer, en in Zijn beschikking moeten allen berusten. Indien God in Zijn voorzienigheid anderen boven ons verhoogt, en ons vernedert, dan behoren wij even tevreden te zijn met Zijn doen er van op die wijze, alsof Hij het gedaan had, zoals Hij het hier deed, door een stem uit de tabernakel, en de overweging, dat het de wil van God schijnt te wezen, dat het zo zijn zal, behoort alle nijd en ontevredenheid tot zwijgen te brengen. En als het gebeurt, dat wij zelf onze plaats moeten kiezen, dan heeft onze Heiland ons een regel gegeven, waarnaar wij moeten handelen, Lukas 14:8, "Zet u niet in de eerste plaats," en nog een anderen, Mattheus 20:27. "Zo wie onder u zal" "willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht." Zij, die het nederigst en het dienstvaardigst zijn, zijn de meeste eer waardig.
2. Iedere stam had een overste of opperbevelhebber door God zelf benoemd, het waren dezelfden, die aangesteld waren om behulpzaam te wezen bij de telling, Hoofdstuk 1:5. Het feit, dat wij allen kinderen zijn van één Adam is er zover af een rechtvaardiging te zijn van de leer van de gelijkheidspredikers, die alle verschil van plaats en van eer wil uitwissen, dat zelfs onder de kinderen van dezelfde Abraham, dezelfde Jakob, dezelfde Juda, God zelf bepaald heeft, dat een van hun overste zou zijn over al de overigen. Er zijn machten, van God verordend, de zodanigen aan wie eerbied toekomt en bewezen moet worden. Sommigen letten op de betekenis van de namen van deze oversten, hoe tenminste in het algemeen, God in de gedachten was van hen die hun deze namen gegeven hebben, want in de meesten komt El, God voor, hetzij aan het begin of aan het einde. Nethaneel, de gave Gods, Eliab, mijn God een vader, Elizur, mijn God is een rots, Selumiel, God, mijn vrede Eljasaf, God heeft toegevoegd, Elisama, mijn God heeft gehoord, Gamaliel, God, mijn loon Pagiel, God heeft mij ontmoet. Hieruit blijkt dat de Israëlieten in Egypte de naam van hun Gods niet geheel vergeten hadden, maar bij gebrek van andere herinneringstekenen, de gedachtenis er aan bewaarden in de namen van hun kinderen, en zich daarmee troostten in hun verdrukking.
3. Die stammen werden bij elkaar en onder dezelfde banier geplaatst, die het naast aan elkaar verwant waren, Juda, Issaschar en Zebulon waren de drie jongste zonen van Lea, en zij werden samengevoegd, en Issaschar en Zebulon zullen er niet tegen geweest zijn om onder Juda te zijn, daar zij jongere broeders waren, Ruben en Simeon zouden in hun plaats niet tevreden zijn geweest. Daarom wordt Ruben, Jakob's oudste zoon, tot hoofd aangesteld van de volgende afdeling. Simeon is ongetwijfeld bereid onder hem te staan, en Gad de zoon van Zilpa, Lea's dienstmaagd, is zeer geschikt bij hem gevoegd in de plaats van Levi. Efraïm, Manasse en Benjamin zijn allen de nakomelingen van Rachel. Dan, de oudste zoon van Bilha, wordt tot een leidende stam gemaakt, hoewel hij de zoon is van een bijvrouw opdat overvloediger eer gegeven worde aan hetgeen er gebrek aan heeft, en er is gezegd: Dan zal zijn volk richten, en hem waren de twee jongere zonen van de dienstmaagden toegevoegd. Zó onberispelijk was de orde, waarin zij geplaatst waren.
4. De stam van Juda was in de eerste plaats van de eer gelegerd tegen de opgaande zon, en bij het optrekken leidde hij de voorhoede, niet slechts omdat hij het talrijkst was, maar voornamelijk omdat uit die stam Christus zou voortkomen, die de Leeuw is uit de stam van Juda, en een afstammeling zal zijn van hem, die nu tot overste van die stam was aangesteld. Nahesson wordt tot de voorouders van Christus gerekend, Mattheus 1:4, zodat, toen hij hun voorging, in werkelijkheid Christus zelf hen als hun leider is voorgegaan. Juda was de eerste van de twaalf zonen van Jakob, die gezegend werd, Ruben, Simeon en Levi werden door hun stervende vader gelaakt, daarom is hij, de eerste zijnde in de zegen, hoewel niet in geboorte, als de eerste gesteld, om aan kinderen te leren de goedkeuring van hun Godvruchtige ouders op prijs te stellen, maar voor hun afkeuring te vrezen.
5. De stam van Levi legerde zich rondom de tabernakel, dus binnen de overige stammen vers 17. Zij moeten het heiligdom verdedigen, en de andere stammen moeten hen verdedigen. Zo waren in het visioen, dat Johannes zag van de heerlijkheid des hemels, tussen de ouderlingen en de troon, "vier dieren vol ogen," Openbaring 4:6, 10. De burgerlijke overheid moet de Godsdienstige belangen van een volk beschermen, een sterkte wezen rondom die heerlijkheid.
6. Het leger van Dan-en zo werd die stam genoemd lang na hun vestiging in Kanaän, vanwege hun onverschrokkenheid in de strijd- kreeg bevel om, hoewel in de linkervleugel geplaatst, als zij zich legerden, toch bij hun optrekken de achterhoede aan te voeren, vers 31. Na Juda waren zij de talrijkste, en daarom werd hun een post aangewezen waarvoor, na die van het front, de meeste kracht vereist werd, want naar hun kracht zal de dag wezen.
Eindelijk. De kinderen Israëls hielden zich aan de hun gegeven orders. Zij deden naar alles wat de Heere Mozes geboden had, vers 34. Zij plaatsten zich op de hun aangewezen post, zonder twist of murmurering, en gelijk dit hun veiligheid uitmaakte, zo was het ook hun schoonheid. Bileam was verrukt op het gezicht er van, Hoofdstuk 24:5. "Hoe schoon zijn uw tenten Jakob." Aldus behoort de Evangeliekerk, het leger van de heiligen genoemd, naar het model van de Schrift saamgevoegd te zijn, ieder zijn plaats kennende, en er in blijvende, en dan zullen allen, die het goede voor haar wensen, zich verblijden, "ziende haar ordening," Colossenzen 2:5.