Johannes 14:1-3
In deze verzen hebben wij:
I. Een algemene waarschuwing van Christus aan Zijne discipelen tegen ontroering van hart, vers 1. Uw hart worde niet ontroerd. Zij begonnen nu ontroerd te worden, zij kwamen in deze verzoeking. Zie nu hier:
1. Hoe Christus dat opmerkt. Wellicht was dit blijkbaar op hun aangezicht te lezen, in Hoofdstuk 13:22 werd gezegd: De discipelen zagen op elkaar, en dat zal wel met bezorgdheid en angst geweest zijn, en Christus zag op hen allen en bemerkte het, tenminste, het was verstaanbaar voor den Heere Jezus, die met al onze verborgen smart bekend is, met de wonde, die inwendig bloedt, Hij weet niet slechts hoe wij beproefd zijn, maar hoe wij ons onder de beproevingen gedragen, en hoe wij haar ter harte nemen, Hij neemt kennis van al de moeite en het verdriet, waardoor Zijn volk in gevaar is van overstelpt te worden, Hij heeft onze ziel in benauwdheden gekend. Vele dingen werkten er toe mede om de discipelen thans te ontroeren.
a. Christus had hun zo-even gesproken van de onvriendelijkheid, die Hij van sommigen hunner zou ondervinden en dit ontroerde hen allen. Petrus heeft ongetwijfeld met grote smart gedacht aan hetgeen Christus hem had gezegd, en al de overigen waren bedroefd om zijnentwege, en ook om hen zelven, niet wetende, aan wie nu gezegd zou worden, dat zij iets kwaads zouden doen, een boos stuk zouden bedrijven. Wat dat nu betreft, Christus vertroost hen hieromtrent, hoewel een Godvruchtig wantrouwen van ons zelven zeer nuttig is om ons nederig te houden en ons te doen waken, moet het toch niet zo de overhand hebben, dat ons gemoed er door ontrust en onze heilige blijdschap er door verstoord wordt.
b. Hij had hun zo-even gesproken van Zijn heengaan van hen, en dat Hij niet slechts heen zou gaan, maar dat het zou wezen in ene wolk van lijden. Weldra moeten zij Hem met smaad horen overladen, en dat zal als een zwaard in hun gebeente zijn, zij moeten Hem barbaars behandeld zien en ter dood gebracht, en ook dat zal een zwaard zijn, dat door hun eigen ziel zal gaan, want zij hebben Hem liefgehad en Hem verkoren, zij hebben alles verlaten om Hem te volgen. Als wij nu zien op Christus, die doorstoken is, dan kunnen wij niet anders dan treuren en bitterlijk wenen, ofschoon wij er het heerlijke gevolg en de kostelijke vrucht van zien, maar hoeveel smartelijker moet dat gezicht niet geweest zijn voor hen, die toen niet verder konden zien! Als Christus hen verlaat, dan zullen zij zich bitter teleurgesteld achten, want zij hebben gedacht dat Hij het was, die Israël zou verlossen en Zijn koninkrijk zou hebben opgericht in wereldlijke macht en heerlijkheid, en in deze verwachting hadden zij alles opgegeven, om Hem te kunnen volgen. Indien Hij nu de wereld gaat verlaten in dezelfde omstandigheden van armoede en geringheid, waarin Hij had geleefd, en nog erger, dan zijn zij geheel verslagen. Zij zullen zich allertreurigst verlaten en onbeschermd achten. Zij wisten bij ervaring hoe weinig tegenwoordigheid van geest zij hadden in moeilijke omstandigheden, dat zij zich niets anders konden voorstellen, dan aan het verderf te worden overgegeven, als zij van hun Meester worden gescheiden. Ten opzichte nu van dat alles heet het: Uw hart worde niet ontroerd. Hier zijn drie woorden, op elk waarvan een betekenisvolle nadruk gelegd kan worden. Ten eerste. Op het woord ontroerd: Zijt niet dermate ontroerd, dat gij er in verwarring door geraakt, zoals de bewogen zee, die niet tot rust kan komen. Hij zegt niet: "Laat uw hart gene smart gevoelen, of niet treurig zijn", maar "zijt niet ontsteld en ontrust, zijt niet ter nedergeslagen en onrustig, Psalm 42:6. Ten tweede. Op het woord hart. "Hoewel de natie en de stad ontroerd zijn, hoewel uw gezin en uw kuddeken ontroerd zijn, zo worde toch uw hart niet ontroerd. Bezit uwe zielen, als gij van niets anders bezit kunt hebben of houden. Het hart is de voornaamste sterkte, wàt gij nu ook doet, houdt daar ontroering buiten, behoedt dit boven al wat te bewaren is. De geest moet de ziekte of zwakheid ondersteunen, zie dus toe, dat die niet verslagen wordt. Ten derde. Op het woord uw. Gij, die Mijne discipelen en volgelingen zijt, Mijne verlosten, Mijne verkorenen en geheiligden-hoe anderen ook overstelpt worden door de smarten en rampen van den tegenwoordigen tijd -gij moet het niet zijn, want gij weet beter, laat de zondaars in Zion beven, maar laat de kinderen Zions zich verheugen over hun Koning. Hierin moeten Christus' discipelen meer doen dan anderen, zij moeten hun geest rustig houden, wanneer alles om hen heen onrustig is.
2. Het middel, dat Hij voorschrijft tegen deze ontroering van hart, die Hij zag dat zich meester van hen ging maken. In het algemeen: gelooft. Sommigen lezen het woord beide malen in de gebiedende wijs: "Gelooft in God, in Zijne volmaaktheden en in Zijne voorzienigheid, gelooft ook in Mij, en in Mijn Middelaarschap. Bouwt gerust op de grote erkende beginselen van den natuurlijken Godsdienst, dat er een God is, dat Hij zeer heilig, wijs, machtig en goed is, dat Hij de Bestuurder is der wereld, en vrijmachtig beschikt over alle gebeurtenissen, en vertroost u evenzo met de bijzondere leerstellingen van dien heiligen Godsdienst, dien Ik u geleerd heb". Maar wij lezen het eerste als ene erkenning, dat zij in God geloofden, waarvoor Hij hen prijst. "Indien gij u echter krachtig wilt wapenen tegen een stormachtigen dag, zo gelooft ook in Mij. Door Christus zijn wij in verbond gebracht met God, krijgen wij deel aan Zijne gunst en belofte, waaraan wij, als zondaren, anders zouden wanhopen, en dan zou het gedenken aan God ons moeten ontroeren. Maar door in Christus te geloven als den Middelaar tussen God en den mens, wordt ons geloof in God troostrijk, en het is de wil van God, dat allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren, door in den Zoon te geloven, gelijk zij in den Vader geloven. Zij, die op de rechte wijze in God geloven, zullen in Jezus Christus geloven, dien Hij hun bekendgemaakt heeft, en in God te geloven door Jezus Christus is een uitnemend middel om ontroering uit het hart te houden. De blijdschap des geloofs is het beste geneesmiddel, waar een belofte aan toegevoegd is: De rechtvaardige zal door het geloof leven, een middel, waaraan een probatum est is toegevoegd. Zo ik niet had geloofd.. ik ware vergaan.
II. Hier komt een bijzondere aanwijzing voor om werkzaam te zijn in het geloof aan de belofte van het eeuwige leven, vers 23. Hij had hun gezegd op God te vertrouwen en op Hem, Christus, te vertrouwen, maar waarom moeten zij op God en Christus vertrouwen? Zij moeten vertrouwen op God en Christus voor een toekomende zaligheid, wanneer dit lichaam en deze wereld niet meer zijn zullen, voor ene zaligheid, die even lang zal duren als de onsterfelijke ziel en de eeuwige wereld duren zullen. Dit nu wordt voorgesteld als een kostelijke, krachtige hartsterking onder alle moeilijkheden van dezen tegenwoordigen tijd. Hiermede hebben de heiligen zich in hun grootsten nood en benauwdheid vertroost: dat de hemel voor alles vergoeding zal bieden. Laat ons zien hoe dit hier wordt aangeduid.
1. Gelooft en bedenkt, dat er wezenlijk zulk ene gelukzaligheid is: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zou Ik het u gezegd hebben, vers 2.
a. Zie onder welk een denkbeeld van zaligheid de hemel hier voorgesteld wordt: als woningen, vele woningen in het huis van Christus' Vader. De hemel is een huis, niet ene tent of tabernakel, het is een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Het is een Vaderhuis: het huis Mijns Vaders, en Zijn Vader is onze Vader, tot wie Hij nu opvoer, zodat in het recht van hun oudsten Broeder alle ware gelovigen welkom zullen zijn aan die zaligheid, als aan hun huis. Het is het huis van Hem, die de Koning is der koningen en de Heere der heren, die in het licht woont, de eeuwigheid bewoont. Er zijn daar woningen, dat is, Ten eerste. Onderscheiden woningen, voor ieder ene woning. Wellicht is hier ene toespeling op de kamers der priesters in den tempel. In den hemel zijn verblijven voor bijzondere heiligen, hoewel allen als opgaan in God, zal toch onze individualiteit daar niet verloren gaan. Ieder Israëliet had zijn lot of deel in Kanaän, en iedere ouderling zijn troon, of zetel, Openbaring 4:4. Ten tweede. Duurzame woningen. Het huis zelf is blijvend, onze staat is niet voor een zeker aantal jaren, maar tot in eeuwigheid. Hier beneden zijn wij als in ene herberg, in den hemel verkrijgen wij een vaste woonstede. De discipelen hadden hun huizen verlaten om Christus te volgen, die niet had waar Hij Zijn hoofd zou neerleggen, maar de woningen in den hemel zullen er hun vergoeding voor bieden. Er zijn vele woningen, want er worden vele kinderen tot de heerlijkheid geleid, en Christus kent er nauwkeurig het aantal van, en Hij zal dus geen gebrek aan plaats hebben, omdat er meer komen dan Hij verwacht had. Hij had aan Petrus gezegd, dat hij Hem zou volgen, Hoofdstuk 13:36, maar laat de overigen niet ontmoedigd zijn, in den hemel zijn woningen voor hen allen. Rehoboth. Genesis 26:22.
b. Zie welke verzekerdheid wij hebben van de zaligheid zelf, en van de oprechtheid van de voorstelling er van aan ons: Anderszins zou Ik het u gezegd hebben. "Indien gij u had vergist, toen gij uwe broodwinning hebt opgegeven om Mij te volgen en uw leven voor Mij in de waagschaal hebt gesteld in het vooruitzicht van een toekomstige en ongeziene gelukzaligheid, dan zou Ik u spoedig beter ingelicht hebben". Die verzekering is gegrond: a. Op de waarheid van Zijn woord. Er ligt in opgesloten: "Indien er zulk ene zaligheid niet was, indien zij niet kostelijk en bereikbaar was, dan zou Ik u niet gezegd hebben, dat zij er is, dat zij bestaat". b. Op de oprechtheid Zijner liefde voor hen. Gelijk Hij waar is, en hen niet zelf zou willen misleiden, zo is Hij ook vriendelijk, en zou hen niet willen laten misleiden. Indien er zulke woningen niet waren, of indien zij niet bestemd waren voor hen, die alles hadden verlaten om Hem te volgen, dan zou Hij hun intijds kennis hebben gegeven van de vergissing, opdat zij zich wederom met ere in de wereld konden terug begeven, om daar dan het best mogelijke gebruik van te maken. Christus' liefde en welwillendheid voor ons is een grote aanmoediging om op Hem te hopen. Hij heeft ons te lief en meent het te goed met ons, om de verwachtingen teleur te stellen, die Hij zelf in ons hart opwekt, of diegenen de ongelukkigsten der mensen te laten zijn, die het meest aan Hem gehecht waren en Hem den meesten eerbied hadden betoond. Gelooft dat het doel van Christus' heengaan was, ene plaats in den hemel te bereiden voor Zijne discipelen. "Het is u ene smart om aan Mijn heengaan te denken, terwijl ik toch op uwe boodschap uitga: als een voorloper moet Ik voor u ingaan". Hij is heengegaan om ons ene plaats te bereiden, dat is:
a. Om als onze Voorspraak en Gevolmachtigde bezit voor ons te gaan nemen, en aldus ons recht en onze aanspraak onaantastbaar te maken. Het recht van bezitneming is aan Christus gegeven ten behoeve van allen, die in Hem zullen geloven.
b. Om voorziening voor ons te treffen als onze Vriend en Vader. De zaligheid des hemels is wel bereid van voor de grondlegging der wereld, maar moet nu voorts geschikt worden gemaakt voor den mens in zijn gevallen staat. Zij bestond grotelijks uit Christus' tegenwoordigheid aldaar, daarom was het nodig, dat Hij voor zou gaan in die heerlijkheid, welke de discipelen met Hem zouden delen. De hemel zou ene plaats wezen, welke voor den Christen nog niet gereed gemaakt is, indien Christus er niet ware. Hij ging heen om de tafel voor hen aan te richten, om tronen voor hen te bereiden. Lukas 22:30. Aldus verklaart Christus de gelukzaligheid des hemels geschikt voor de heiligen, voor wie zij bereid is. 3. Gelooft en bedenkt, dat Hij daarom ter bestemder tijd wederkomen zal om hen te halen naar de zalige plaats, werwaarts Hij nu heenging om haar voor hen te bereiden en in bezit te nemen. "Wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben - daar dit het doel is Mijner reize, kunt gij er zeker van zijn, dat Ik, wanneer alles bereid en gereed is, weer zal komen en u tot Mij zal nemen, zodat gij Mij hierna zult volgen, opdat gij zijn moogt, waar Ik ben". Het zijn zeer troostrijke woorden.
a. Dat Jezus Christus zal wederkomen, erchomai -Ik kom stellig weer, waardoor het ontwijfelbare er van wordt aangeduid, Hij zal komen, en Hij komt dagelijks. Als wij ons bezighouden met de toebereidselen onzer komst, dan zeggen wij: Wij komen, en zo is het ook met Hem, alles wat Hij doet heeft betrekking op Zijne wederkomst. Het geloof in Christus' wederkomst, waarvan Hij ons de verzekering heeft gegeven, is een uitnemend voorbehoedmiddel tegen ontroering van hart, Filippenzen 4:5, Jakobus 5:8.
b. Dat Hij zal wederkomen om al Zijn getrouwe volgelingen tot zich te nemen. Hij zendt om hen bij den dood, en zamelt hen een voor een in, maar hun openbaar plechtig inkomen allen tezamen zal plaatshebben ten laatsten dage, en dan zal Christus zelf komen om hen te ontvangen, hen te leiden in den overvloed Zijner genade, en hen welkom te heten in den overvloed Zijner liefde. Hiermede zal Hij hun de grootst-mogelijke eer en liefde betuigen. De komst van Christus zal wezen tot onze toe vergadering tot Hem, 2 Thessalonicenzen 2:1.
c. Opdat zij zijn mogen waar Hij is. Dit geeft te kennen wat in vele andere schriftuurplaatsen duidelijk wordt uitgesproken, namelijk dat het wezen der hemelse gelukzaligheid bestaat in het zijn aldaar met Christus, Hoofdstuk 17:24, Filippenzen 1:23, 1 Thessalonicenzen 4:17. Christus spreekt van Zijn dáár zijn in den tegenwoordigen tijd, waar Ik ben, waar Ik binnenkort zijn zal, waar Ik eeuwig zijn zal, dáár zult gij binnen kort ook wezen, daar zult gij voor eeuwig wezen, niet slechts daar, aan dezelfde plaats, maar daar in dezelfden toestand, niet slechts aanschouwers van Zijne heerlijkheid, zoals de drie discipelen op den berg, maar in die heerlijkheid delende.
d. Dat dit afgeleid kan worden van Zijn heengaan om ons plaats te bereiden, want Zijne toebereidselen zullen niet tevergeefs worden gemaakt. Hij zal gene woningen bouwen en ze van het nodige voorzien, en ze dan ledig laten staan. Hetgeen waarvan Hij de Werker is, daar zal Hij ook de Voleindiger van zijn. Als Hij de plaats voor ons bereid heeft, dan zal Hij ook ons bereiden voor de plaats, en er ons ter bestemder tijd in het bezit van stellen. Gelijk de opstanding van Christus de zekerheid, de waarborg is van onze opstanding, zo zijn Zijne hemelvaart en Zijne heerlijkheid de waarborgen van de onze.