21. Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men onder de mensen van u spreekt, 1) wanneer zij u, die op den weg der wijsheid en in de vreze Gods uw geluk zoekt, enen schijnheilige, een dweper of zonderling noemen; luister niet uit nieuwsgierigheid of verborgen ijdelheid, wanneer men over u spreekt, opdat gij niet, in plaats van lofuitingen, hoort, dat uw knecht u vloekt, hetgeen u òf smart zou veroorzaken òf den toorn bij u zou opwekken, waardoor gij tot ene onrechtvaardige en harde behandeling van uwen knecht zoudt kunnen verleid worden.
1) Men moet niet nieuwsgierig trachten te weten, wat de mensen van ons zeggen, opdat hun lofspraak ons niet verheffe, noch hun kwaadsprekendheid onze driften gaande maken. Als men gretiglijk naar alles luistert, zou men lichtelijk zich door zijne dienstboden horen lasteren of vloeken op zulk een tijd, als deze geenszins dachten beluisterd te worden, of ons kan zulks iets van anderen aangedrongen worden, wegens hen, al deden zij dit niet, weshalve het niet goed is, lichtelijk geloof aan elken aanbrenger van zodanig iets te geven..